Dorpen op het platteland in Noord-Groningen in de 19e eeuw

 

Overzicht

 

Inhoudsopgave:

 

 

Plaatsbeschrijvingen

 

1.

Bedum, Noordwolde en Westerdijkshorn

 

2.

Middelstum en Westerwijtwerd

 

3.

Kantens, Eppenhuizen, Rottum en Zandeweer

 

4.

Uithuizen en Uithuizermeeden

 

5.

Stedum, Garsthuizen en Westeremden

 

6.

t Zandt, Zeerijp, Leermens, Eenum, Oosterwijtwerd

 

 

 

Bron: Freerk Boekelo, Geschiedenis en genealogie van de familie Boekelo

Zijn website, zie: http://www.boekelo.eu

 

Plaatsbeschrijvingen

Hoe groot waren de dorpen op het platteland in Noord-Groningen in de 19e eeuw ?

Hoeveel mensen woonden er en wat is er nog meer over deze plaatsen bekend ? In de meeste openbare bibliotheken zijn wel boeken te vinden die de plaatselijke of streekgeschiedenis uitvoerig behandelen. Om ons daarvan enigszins een beeld te kunnen vormen volgen nu een aantal korte beschrijvingen van de belangrijkste dorpen en gehuchten, waar in de vorige eeuw de voorouders van veel hedendaagse familieleden hebben gewoond.

In de hele provincie Groningen groeide elk honderdtal inwoners in 1796 aan tot 261 zielen in het jaar 1900. Anders gezegd een bevolkingstoename met ruim 160 procent. In veel gemeenten zien we in de tweede helft van de 19e eeuw een stagnatie in de bevolkingsgroei optreden. Door de verslechterde economische omstandigheden zochten velen hun heil in Amerika en anderen trokken naar de stad. Tussen 1879-1889 groeide de bevolking van de stad Groningen zelfs met 22%. In dezelfde periode vertrokken per jaar

gemiddeld 855 inwoners van het Groninger platteland naar Amerika.

 

Terug naar het overzicht

 

1 - Bedum, Noordwolde en Westerdijkshorn

De toenmalige gemeente Bedum omvatte naast het dorp Bedum ook de plaatsen Onderdendam, Menkeweer, Onderwierum, Westerdijkshorn, Noordwolde en Zuidwolde en de gehuchten Ter Laan, Reidland, Ellerhuizen en Noorderhogebrug (deels). Het inwonertal van de gemeente Bedum over de periode 1796-1889 steeg van 2022 tot 5042 zielen. Daarna liep het aantal inwoners weer terug, tot 4894 in het jaar 1900. Het merendeel van de bevolking verdiende de kost in de landbouw.

Het inwonertal van het eigenlijke dorp Bedum steeg van 1840 tot 1878 van 1051 tot 1200. Er waren toen een Hervormde, Christelijk Gereformeerde en een Rooms-Katholieke Kerk. De toren van de Hervormde Kerk was wijd en zijd vermaard vanwege zijn hoogte en zijn markante naaldspits. Lange tijd was het de hoogste toren in de Ommelanden.

Naast een openbare school telde het dorp ook nog twee bijzondere scholen.

Halverwege de 19e eeuw had het dorp twee pelmolens, een rog- en schorsmolen, een zaagmolen, een oliemolen en 82 boerderijen.

Omdat Bedum niet op een wierde ligt, maar in ingedijkt land - vandaar de lokaal bekende benaming Innersdijken - moest het bij die boerderijen behorende land worden drooggehouden. Daarvoor zorgden in de vorige eeuw acht grote en vier kleine watermolens. Met de komst van die watermolens liep de ganzenstand in Bedum aanzienlijk terug.

Van der Aa meldt nog een curiositeit over het dorp, betrekking hebbend op Walfridus, de evangelieprediker die in het jaar 837 door de Noormannen in Bedum zou zijn vermoord:

Er is een boomgaard ten westen van de klapbrug, nabij de plaats, alwaar de schuiten aanleggen, die de Kapel wordt geheeten, waar vele doodsbeenderen worden gevonden: er zijn er, die gissen, dat Walfridus hier het eerst zou zijn vereerd geworden, en wel op grond, dat de tegenwoordige kerk op eenen lagen bodem, en op geen wierde staat.

Noordwolde, gelegen op overwegend zware kleigrond, telde halverwege de 19e eeuw 46 verspreide boerenwoningen, bewoond door 290 inwoners. In 1870 telde Noordwolde 117 inwoners binnen de dorpskom.

Verreweg de meeste inwoners bezochten op de zondagen de fraaie Hervormde Kerk met eenen peervormigen koepel, naar den Luikschen smaak gebouwd.

De openbare dorpsschool werd in die jaren door 45 leerlingen bezocht.

Westerdijkshorn dankt zijn naam aan de horn (=hoek) in de westelijke Wolddijk, waaraan het gelegen is. Van der Aa beschrijft. Westerdijkshorn in 1849 als een voormalig dorp, thans eene buurtschap. Het telde toen 20 huizen en 80 inwoners, van wie de meesten hun bestaan in de landbouw en veeteelt vonden.

De kinderen van Westerdijkshorn moesten voor hun onderwijs naar Bedum.

De meeste inwoners waren Hervormd en kerkten sinds 1820 eveneens te Bedum. Voordien vormde Westerdijkshorn gedurende de hele 18e eeuw met het noordelijker gelegen Onderwierum n kerkelijke gemeente. Er waren tijden dat de predikant van Onderwierum in Westerdijkshorn kwam preken, maar als dat teveel moeite was dan kerkten de inwoners van Westerdijkshorn in Onderwierum.

Het einde van het dorp Westerdijkshorn hangt samen met de afbraak van de dorpskerk in 1802, waardoor Westerdijkshorn devalueerde tot een buurtschap. Volgens de meeste bronnen verkeerde de kerk in zeer slechte staat. Maar ook deed het gerucht de ronde dat tot afbraak besloten werd om te voorkomen dat de groeiende gemeenschap van Mennonieten - Doopsgezinden - beslag op de kerk zou leggen. Van der Aa schrijft na de afbraak: De korte stompe toren met oude klok, het kerkhof, de pastorij en eene

welgestelde diakonie zijn er nog aanwezig. Nadat de kerkelijke vereniging met Bedum had plaatsgevonden werd in 1829 een goed kerkpad naar die plaats aangelegd.

Nog steeds is de kerktoren karakteristiek voor Westerdijkshorn. Het is echter niet meer de korte, stompe toren die van der Aa beschreef, maar een nieuw torentje dat de oude heeft vervangen. Een herinnering aan het vroegere kerkdorp, daterend uit 1872.

Enige jaren geleden hebben enkele inwoners van Westerdijkshorn een boekje geschreven over hun woonplaats. Daarin staat te lezen dat na de grote wereldcrisis van 1878 alle inwoners uit Westerdijkshorn zijn vertrokken, arbeiders en boeren. Hun plaatsen zijn later door anderen weer ingenomen.

 

Terug naar het overzicht

 

 

2 - Middelstum en Westerwijtwerd

De gemeente Middelstum bestond uit de dorpen Middelstum, Westerwijtwerd, Huizinge en een elftal buurtschappen. Het inwonertal van de gemeente Middelstum groeide in de periode 1796-1879 van 1154 tot 2397. In de jaren 1879-1889 nam het inwonertal af tot 2288 zielen. Bij de eeuwwisseling bleek dit aantal constant te zijn gebleven.

In het midden van de 19e eeuw werkten bijna alle inwoners in de landbouw, op de doorgaans vette kleibodem. Binnen de gemeente stonden toendertijd een pelmolen, roggemolen, en vier oliemolens, een bierbrouwerij, cichoreifabriek, een touwslagerij en een scheepstimmerwerf. Verder werden er drie jaarmarkten gehouden. Een veemarkt in mei, een jaarmarkt op tweede Pinksterdag en een veemarkt in oktober.

Het eigenlijke dorp Middelstum is gebouwd op een grote wierde. In die dagen lag het aan de trekvaart en puinweg van Groningen naar Uithuizen en aan den grindweg van Onderdendam naar Appingedam. Vanwege de afwisselende bedrijvigheid noemde van der Aa dit dorp levendiger en vrolijker dan de omliggende dorpen.

Middelstum had een eigen openbare school. Later zou er een christelijke school bijkomen.

Net als elders vormden in Middelstum omstreeks die tijd de Hervormden de grootste kerkelijke gemeente. Naast de Doopsgezinden en Rooms-Katholieken waren ook hier Christelijk Afgescheidenen. Zij maakten deel uit van de kerkelijke gemeente Middelstum-en-Kantens.

Westerwijtwerd bestond in die tijd hoofdzakelijk uit een aantal verspreide boerderijen. In totaal stonden er halverwege de vorige eeuw 37 huizen en woonden er 210 inwoners, met enkele omliggende gehuchten meegerekend 330 inwoners. Er was toen al een openbare school.

Ook hier leefden de meeste inwoners van de landbouw op de alom aanwezige kleigrond. Het merendeel van de bevolking was de Hervormde confessie toegedaan. De kerk van Westerwijtwerd is door van der Aa omschreven als een langwerpig gebouw, zonder toren of orgel. De kerktoren werd in 1834 namelijk wegens bouwvalligheid afgebroken.

 

Terug naar het overzicht

 

 

3 - Kantens, Eppenhuizen, Rottum en Zandeweer

Tot de gemeente Kantens behoorden de dorpen Kantens, Eppenhuizen, Rottum, Stitswerd en Zandeweer en de gehuchten Helwert en Startenhuizen. Het inwoneraantal van de gemeente Kantens steeg van 1352 in 1796 tot 2248 in 1879. Daarna trad een afname van de bevolking op. Eind 1899 woonden er nog 2164 mensen.

Ook hier verdienden de meeste inwoners de kost in de landbouw. De gemeente telde omstreeks 1850 een pelmolen, een olie- en pelmolen en twee korenmolens. Verder had in diezelfde periode elk van de vijf genoemde dorpen een eigen school, waar in totaal gemiddeld 230 leerlingen onderwijs ontvingen. Ook had elk dorp een eigen Hervormde Kerk met predikant.

Het eigenlijke dorp Kantens is gebouwd op een wierde aan het trekdiep van Groningen naar Uithuizermeeden. Van der Aa beschreef het dorp Kantens als een aanzienlijk dorp met een vrolijk aanzien, omgeven door vruchtbare kleigronden. In het dorp telde hij halverwege de 19e eeuw 93 huizen, waar tesamen 550 mensen woonden.

De Hervormde Kerk is een net, langwerpig vierkant gebouw, dat van een orgel voorzien is, en aan welks westeinde een zeszijdige naaldtoren staat. die door eenen zwaren pilaar aan de westzijde ondersteund wordt.

Op de dorpsschool ontvingen toendertijd zon 90 leerlingen hun onderwijs.

Omstreeks dezelfde tijd telde het tot de gemeente Kantens behorende dorp Eppenhuizen in de kern slechts 5 huizen met 34 inwoners.

Met het bijbehorende gehucht Startenhuizen telde het 38 huizen en 250 inwoners. Een andere bron geeft de volgende aantallen inwoners: 160 in 1840, 182 in 1860 en ongeveer 200 in 1878. De bevolking leefde van de landbouw op de zwavelgrond.

Gemiddeld 25 kinderen bezochten toendertijd de enige openbare school die het dorp rijk was.

Ook in Eppenhuizen was het merendeel van de bevolking de Hervormde geloofsrichting toegedaan. In den toren der kerk, die vr de Reformatie aan de H. Maria was toegewijd, hangt eene klok, genaamd Maria, welke in het jaar 1479 gegoten is en men heeft hier eene wierde en drie andere terpen, waarvan de eene het Kerkhof genoemd wordt en zulks ook is.

In het nabijgelegen Rottum stonden halverwege de vorige eeuw 27 huizen, bewoond door de 170 inwoners. Het is een van de oudste dorpen van Groningen, gelegen op een uitgestrekte wierde.

De dorpsschool werd gemiddeld door een dertigtal leerlingen bezocht.

De meeste mensen uit Rottum en omliggende gehuchten bezochten s zondags de diensten van de Hervormde Kerk, in totaal 250 zielen van wie er 45 belijdende lidmaten waren. Over de kerk van Rottum schrijft van der Aa dat die wegens bouwvalligheid volgens een staatsbesluit van 1658 is verkocht. Een ander kerkgebouw is daarvoor in de plaats gekomen, zijnde een vrij groot, langwerpig gebouw, met eenen kleinen koepeltoren, staande meerendeels naar het westeinde op het dak der kerk; aan het westeinde en onder het zelfde dak staat de pastorij en ook de kosters- of schoolmeesterswoning, met het daaraan verbonden schoollocaal. Het muurwerk der pastorij en kosterswoning heeft eene buitengewone dikte. Dit kerkgebouw heeft inmiddels ook weer plaats moeten maken vooreen ander.

 

Terug naar het overzicht

 

 

Zandeweer, toendertijd eveneens onderdeel van de gemeente Kantens, was zeer aardig en welgelegen op eene terp. In de dorpskom woonden een 250 inwoners, verdeeld over 49 huizen. De zavelachtige bodem liet zich veel gemakkelijker bewerken dan de vette klei elders. Het dorp had een oliemolen, pelmolen en een korenmolen.

Gemiddeld 80 leerlingen bezochten de dorpsschool.

Evenals in de omringende dorpen en gemeenten rekenden de meeste inwoners zich tot het Hervormde volksdeel. Met de kerkgangers uit enige omringende gehuchten meegerekend bezochten 400 inwoners de Hervormde Kerk, van wie er 70 belijdend lid waren. De kerk is inwendig een zeer net en fraai gebouw, waarin prachtig snijwerk en een kostbaar massief koperen wapen enz., alsmede een orgel, dat zeer geroemd wordt. De stompe toren staat ten zuidwesten afgezonderd van de kerk. De beide klokken zijn van 1467, en prijken met opschriften en beelden. Ongeveer 60 mensen uit Zandeweer waren overgegaan naar de Christelijk Afgescheidenen en behoorden tot de gemeente van Christelijk Afgescheidenen in Uithuizen.

 

Terug naar het overzicht

 

 

4.1 - Uithuizen

In de 19e eeuw was Uithuizen eene aanzienlijke en welbebouwde plaats, gelegen op zeer vruchtbare zanderige kleigrond.

Halverwege die eeuw had het een pelmolen, korenmolen, houtzaagmolen en een oliemolen. Op het wad viste men op garnalen die verkocht werden in Groningen. Het dorp Uithuizen lag aan een grote puinweg, aan het einde van de trekvaart op Groningen. De wegen waren merendeels met elzen en wilgen beplant. Er werd in 1846 buiten de dorpskom een nieuwe begraafplaats aangelegd met veel planten en bomen en gelegen nabij de borg Menkema.

Het dorp had meerdere kerken. De Hervormde Kerk noemde Fockens een merkwaardig gebouw. Verder hadden de Christelijk Afgescheidenen - erkend in 1831 -, de Doopsgezinden en de Rooms-Katholieken er hun kerkgebouwen. De Christelijk Afgescheidenen vormden n gemeente met het nabijgelegen Zandeweer. Zij beschikten over een groot gebouw zonder toren of orgel.

Alles bij elkaar genomen telde deze kerkelijke gemeente toendertijd 275 zielen, waarvan 70 ledematen.

Aanvankelijk was er maar n school in Uithuizen, volgens van der Aa een bezienswaardigheid, die gemiddeld bezocht werd door zon 350 leerlingen. Tegen het jaar 1880 waren er twee openbare en twee bijzondere scholen.

Ook waren er werk- en armenhuizen. Daar werden rond 1850 gemiddeld een getal van 25 oude lieden en 30 kinderen verpleegd; terwijl in beide gestichten zich gemiddeld 125 gealimenteerden van de Hervormde godsdienst bevonden.

De bevolking van Uithuizen groeide van 1796-1900 van 1249 naar 3790 zielen, waarvan de meesten in de landbouw werkten. In de jaren 1859-1879 stagneerde de bevolkingsgroei om daarna weer toe te nemen.

 

4.2 - Uithuizermeeden

In de vorige eeuw werd de gemeente Uithuizermeeden meestal Uithuistermeeden genoemd. Het was hoofdzakelijk gelegen op een zavelachtige zeekleibodem. Tot de gemeente Uithuizermeeden behoorden de dorpen en gehuchten Uithuizermeeden-Binnendijks, Uithuizermeeden-Buitendijks - later: Roodeschool -, t Oude Schip, Oosternieland, Oldenzijl en twee buurtschappen.

Halverwege de 19e eeuw waren er drie pel- en korenmolens en twee houtstekken.

De bevolking van de gehele gemeente groeide in de periode 1796-1900 van 1620 zielen tot 4006 en leefde vooral van de landbouw en veeteelt. De bevolkingsgroei stagneerde ook hier tussen 1859-1869. Nadien nam de groei weer normale proporties aan om vervolgens tussen 1879-1889 zelfs om te slaan in een bevolkingsafname. Tussen 1889-1900 zien we het inwonertal tenslotte groeien van 3730 tot

4006.

De gemeente Uithuizermeeden telde in het midden van de vorige eeuw vijf openbare scholen, in elk van de genoemde dorpen en gehuchten n. De scholen van Uithuizermeeden-Binnendijks en Uithuizermeeden-Buitendijks hadden halverwege de 19e eeuw respectievelijk gemiddeld 150 en 200 leerlingen. Later kreeg Uithuizermeeden-Binnendijks er een christelijke school bij.

Ook hier was de Hervormde gemeente het grootst in omvang. De Christelijk Afgescheidenen zijn er in 1841 als kerkelijke gemeente erkend. Omstreeks 1850 telde deze kerkelijke gemeente 350 zielen, van wie 40 belijdende leden.

 

Terug naar het overzicht

 

 

5- Stedum, Garsthuizen en Westeremden

Tot de voormalige gemeente Stedum behoorden, behalve het eigenlijke dorp Stedum, ook de dorpen Garsthuizen en Westeremden, en een tiental gehuchten. Elk van deze dorpen had een eigen school. Tussen 1796 en 1900 verdubbelde de bevolking van de totale gemeente van 1130 tot 2257 zielen. Ook hier zien we een stagnatie van de bevolkingsgroei optreden in de jaren 1869-1879. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met het verslechterde economische klimaat en de emigratie naar Amerika.

Net als in de omringende plaatsen verdienden de meeste inwoners van Stedum toendertijd de kost in de landbouw en veeteelt. Ook telde de gemeente halverwege de vorige eeuw een pelmolen en een weverij.

In het eigenlijke dorp Stedum woonden in 1850 ongeveer 670 mensen. In het jaar 1870 waren dat 756 inwoners.

Op 10 december 1843 is te Stedum een gemeente van Christelijk Afgescheidenen opgericht, hoewel verreweg de meeste inwoners van de gemeente Stedum behoorden tot de Hervormde Kerk.

Garsthuizen telde in het midden van de vorige eeuw in de kom 42 huizen en 270 inwoners. Het was zeer bevallig in eene boschrijke streek gelegen op zandige kleigrond.

Tot Garsthuizen behoorden ook de gehuchten Dijkum, het Grote Gartshuizervoorwerk en het Kleine Garsthuizervoorwerk. Samen met deze gehuchten telde het 57 woningen en 350 inwoners. In 1860 woonden er in totaal 451 mensen. In 1878 waren dat er 500.

Behalve een Hervormde Kerk bezat Garsthuizen ook een openbare school, die halverwege de vorige eeuw door zon 60 leerlingen werd bezocht.

De inwoners van Garsthuizen, die vrijwel allemaal hun bestaan in de landbouw vonden, waren op een enkeling na lid van de Hervormde Kerk. Over het kerkgebouw schreef van der Aa: Aan het westeinde der kerk, waaraan men nog enkele duifsteenen ziet, staat een stompe toren. De torenklok van 1455, is met de beelden der 12 Apostelen en met een randschrift versierd.

Als bijzonderheid meldde hij nog over Garsthuizen: Nabij het dorp, aan den weg naar Wester-Emden, is eene oude voor, welke het voormalig bed eener oude waterlozing aanduidt, waarvan vele spookverhalen in omloop zijn, welke van de vroegere merkwaardigheden van dit dorp getuigen.

 

Terug naar het overzicht

 

 

6 - t Zandt, Zeerijp, Leermens, Eenum, Oosterwijtwerd

Tot de gemeente t Zandt behoorden in de vorige eeuw de dorpen t Zandt, Zeerijp, Leermens, Eenum, Oosterwijtwerd, met de drie gehuchten Zijldijk, Kolhol, Korendijk en het Voorwerk. Het aantal bewoners steeg van 1841 personen in 1796 tot 3263 in het jaar 1899. Ook hier zien we omstreeks 1889 een forse terugloop in het bevolkingsaantal optreden. Pas omstreeks 1899 zou de populatie weer het peil van 1879 halen.

Halverwege de vorige eeuw telde de gemeente t Zandt een viertal wind-pelmolens en vijf roggemolens. Dat ook hier de bevolking van de landbouw leefde spreekt voor zich.

Alle dorpen en het gehucht Zijldijk hadden omstreeks dezelfde tijd een eigen school, waar in totaal 310 leerlingen werden onderwezen.

In elk van de vijf dorpen was tevens een Hervormde Kerk, terwijl de Christelijk Afgescheidenen n gemeente vormden. Omstreeks 1850 telde deze laatste gemeente een zeventigtal leden.

Van der Aa schreef omstreeks 1850 over het eigenlijke dorp t Zandt: Het is eene aanzienlijke plaats, met eene ruime, breede, niet geplaveide straat, loopende zuid- en noordwaarts voorbij kerk en toren welke ten westen van de straat staan. Men telt er in de kom van het dorp 78 huizen en ruim 510 inwoners. De dorpsschool werd toen door zon 90 leerlingen bezocht. Verder maakte hij melding van een in eenen zeer netten staat verkerende Hervormde Kerk, en het ontbreken van een toren en orgel bij de kerk van de

Christelijk Afgescheidenen.

 

Terug naar het overzicht

 

 

 

Enkele bekende plaatsen op het Hogeland van Groningen zijn Winsum, Warfhuizen, Mensingeweer, Eenrum, Kloosterburen, Wehe-den Hoorn, Pieterburen, Westernieland, Leens, Ulrum, Baflo, Warffum, Eenum, Spijk, Westeremden, Zeerijp, Uithuizen en Uithuizermeeden.

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hogeland