HET LEVEN IN DE 18eEN 19e EEUW IN HET NOORDELIJKE DEEL VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

 

Inhoudsopgave:

 

1. Veepest en verandering van het boerenbedrijf

 

2. Een opmerkelijk natuurverschijnsel in 1783

 

3. Onderwijs

 

4. De landarbeidersbevolking

4.1 Inwonend personeel, hun werk, inkomsten en uitgaven

4.2 Vaste arbeiders, hun werk, inkomsten en uitgaven

4.3 Losse arbeiders, hun werk, inkomsten en uitgaven

4.4 Vrouwelijke landarbeiders, hunwerk, inkomsten en uitgaven

 

 

Bron: Freerk Boekelo, Geschiedenis en genealogie van de familie Boekelo

Zijn website, zie:http://www.boekelo.eu

 

 

HET LEVEN IN DE 18e EN 19e EEUW IN HET NOORDELIJKE DEEL VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

 

Om ons enigszins een beeld te kunnen vormen van de omstandigheden waaronder de 18e en 19e eeuwse familieleden hebben geleefd, zal dit hoofdstuk gaan over de tijd waarin zij leefden. Ongetwijfeld kan de lijst van de hier besproken onderwerpen worden uitgebreid,

maar dat zou in het kader van dit onderzoek te ver voeren.

 

1 - Veepest en verandering van het boerenbedrijf

Wat voor de plattelandsbevolking van Groningen, Friesland en Drente van groot belang is geweest, zijn de veepestepidemieŽn die de provincie in de 18e eeuw getroffen hebben. Natuurlijk hadden niet alleen de boeren met de gevolgen van die epidemieŽn te maken, maar ook hun knechten in losse of vaste dienst. De meeste voorouders en hun directe verwanten zijn werkzaam geweest op boerenbedrijven. Daarom op deze plaats enige aandacht voor de genoemde veepestepidemieŽn en de gevolgen daarvan in de provincie Groningen.

De eerste epidemie duurde van 1744-1756 en de tweede van 1768-1786. Hoe verschrikkelijk de veepest in Groningen heeft huisgehouden blijkt uit het volgende citaat:

Veepest. Deze verschrikkelijke ziekte, die in deze provinciŽn van 1768 tot 1786 heerschte, ofschoon men er in 1767 reeds eenige sporen van ontdekte, bedreigde de landlieden vooral in de provinciŽn Groningen en Friesland met eene geheele ondergang en verarming maar, hoe zorgwekkende deze groote verliezen ook waren, in de gevolgen hadden zij eene heilzame uitwerking, wijl de sterfte van het vee de landlieden noodzaakte meerdere graslanden om te ploegen en met granen te bebouwen; ook de aardappelenteelt breidde zich nu meer uit, waardoor het plantaardig voedsel nu overvloediger en goedkooper werd, wat voor de toenemende bevolking eene groote behoefte was.

De ernst van de veepest mag ook blijken uit het feit dat in een half jaar tijd - in 1769 - in de provincies Groningen, Friesland en Holland van de 286.637 stuks hoornvee 208.345 stierven aan de veepest.

Het was in de periode van de tweede veepestepidemie dat de in zijn dagen bekende Groninger landbouwer Geert Reinders een middel ontdekte tegen de veepest, waarmee de dieren vanaf dat moment konden worden ingeŽnt en waardoor de veepestepidemieŽn werden uitgebannen.

Men nam aanvankelijk aan dat deze epidemieŽn ertoe geleid hebben dat het boerenbedrijf in de provincie Groningen van de traditionele veeteelt op akkerbouw is overgeschakeld. Tegenwoordig wordt in wetenschappelijke kringen deze omschakelings-theorie weersproken. De veepest kwam toendertijd ook in Friesland voor en daar heeft de epidemie niet tot omzetting van veeteelt- naar akkerbouwbedrijven geleid. Bovendien zou de verandering van veeteelt- naar landbouwbedrijven met name in de 19e eeuw hebben plaatsgevonden en slechts in geringe mate in de periode van de veepestepidemieŽn. Een mogelijke reden voor de opgetreden overschakeling van veeteelt- naar landbouwbedrijven zou volgens de huidige inzichten te maken hebben gehad met de hoogte van de aanslagen voor veeboeren en bouwboeren.

 

2 - Een opmerkelijk natuurverschijnsel in 1783

Van geheel andere aard is een uitzonderlijk voorval in het jaar 1783 dat door onze voorouders niet onopgemerkt kan zijn gebleven en associaties oproept met de gevolgen van de zure regen zoals wij die thans kunnen waarnemen:

Eene zware nevel of dikke mist breidt zich in dit jaar over geheel Europa uit, wordende aan vulkanische uitbarstingen toegeschreven en wel van vuurbergen op IJsland en die van ItaliŽ, door dien mist leden de tuinvruchten ongemeen veel, en in Drenthe verdorden zelfs de berkenboomen. Op den 25 Junij bleef het nacht en die duisternis was bij eene koude noordewind zeer algemeen, terwijl men overal een sterken zwavelreuk waarnam. Het water in de vijvers en slooten werd salpeterachtig en als bitter en zout van smaak, en alle ijzer werd vervolgens roestig en sterk beslagen, zoodat het eene kopergroene kleur bekwam, ook het linnen op de bleek vertoonde eene menigte bruine ijzervlekken .

 

3 - Onderwijs

Uit het vervolg van deze familiegeschiedenis zal blijken dat veel verwanten uit de 18e, maar met name ook uit de 19e eeuw de schrijfkunst niet verstonden. Het is zelfs de vraag of degenen die hun naam konden schrijven veel meer dan dat uit hun pen konden

krijgen. Veel onderwijs heeft de 18e en 19e eeuwse landarbeidersjeugd in de provincie Groningen in elk geval niet ontvangen. Over het onderwijs dat zij genoten hebben is weinig positiefs te melden.

De toenmalige onderwijzers in de provincie Groningen zijn eens omschreven als personen, die, zonder eenige voorbereiding, dikwijls van achter de tafel, of van de koets van een Heer tot den post van onderwijzer der jeugd geroepen werden, die dus van alle daartoe noodige kundigheden ontbloot waren, die somtijds zelve niet eens konden lezen, schrijven of rekenen, en die, zoo zij die somtijds al eens meenden eenigermate te verstaan, dan op eene erbarmelijke wijze, zonder eenige verhooging of verlaging van toon, van het gelezene, zonder eenigszins te letten op de scheid- en zinteekens, alles op de eenzelvigste wijze opdreunden; in het schrijven, zoo zij al eene dragelijke letter konden maken, de lompste spel- en taalfouten begingen; zoo zij al eenige sommen konden uitwerken, echter geen denkbeeld hadden van oordeelkundig rekenen, en wier eenige verdienste (zoo dit eene verdienste heeten mag) meestentijds daarin bestond, dat zij, met eene sterke stem en op een hoogen toon, de eenvoudige Gemeente konden stichten, door het voorzingen van een Psalm, maar hoegenaamd geen geschiktheid hadden tot het onderwijzen van kinderen.

En over het onderwijs dat de 18e eeuwse kinderen in de provincie Groningen ontvingen:

een geheel werktuigelijk onderwijs in lezen, schrijven en, op eene enkele school, rekenen bij een enkel kind, bij hetwelk dit dan dikwijls weder overdreven werd, was alles, wat er op de gewone scholen geleerd werd, en dit werd er nog op de rampzaligste wijze onderwezen, op eene wijze, die den moed en den lust der kinderen geheel moest uitdooven, waarbij het verstand werkeloos, het hart ongevormd bleef; waarbij de beste jaren der jeugd verloren gingen, en het karakter van het kind eene plooi kreeg, die naderhand bezwaarlijk was uit te wisschen. En waarlijk! hoe kon het anders, daar deze kinderen meestal onderwezen werden uit leerboeken, die hunne kinderlijke bevatting verre te boven gingen, en waardoor zij dus van zelven een tegenzin in hun leeren moesten krijgen, die daarenboven opgevuld waren met spel- en taalfouten, en waarin hoegenaamd geene trapsgewijze opklimming plaats vond.

De bekende Groninger boer Geert Reinders, de man die aan het einde van de 18e eeuw een middel tegen de veepest ontdekte, schreef in het jaar 1800 over het onderwijs in de provincie iets positiever en had ook een wat andere kijk op de zaak:

De kinderen worden algemeen ter school gezonden, en veele leeren zeer goed zo lang zij gaan, maar aangezien veele van die kinderen verre van de schoolen woonen, welker ouders geen genoegzaam vermogen hebben om haar op de dorpen in de kost te kunnen

besteeden en de weegen en voetpaden bij natte tijden vooral des winters door kinderen onmogelijk kunnen worden gebruikt, zo kunnen de meeste slegts bij poosjes en niet aanhoudende gaan. Hier komt bij, dat zij reeds nog jong zijnde in het boerebedrijf met voordeel kunnen worden gebruikt en daarom in drukke tijden te vroeg worden uit het school gehouden, om iets van belang te leeren.

 

4 - De landarbeidersbevolking

Dat de provincie Groningen van oudsher een agrarische provincie is mag als bekend worden verondersteld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel 19e eeuwse familieleden de kost verdiend hebben in deze sector.

Halverwege de 19e eeuw ging het de landbouwers in Groningen voor de wind. Dat kwam deels omdat de tijd hen gunstig gezind was, maar vooral ook omdat de landbouwers zich beter lieten voorlichten en veranderingen in het productieproces gingen doorvoeren. Het

ging zelfs zo goed dat de landbouwer zich weinig of niet meer met de eigenlijke landarbeid ophield, maar meer toezicht hield op het werk van zijn arbeiders. Ook zijn vrouw liet het werk van lieverlee over aan haar personeel en beperkte haar activiteiten tot het toezicht houden op alles wat de huishouding betrof.

Van een evenredige welvaartsontwikkeling bij de landarbeiders was echter geen sprake. Dat het niet eenvoudig voor een landarbeidersfamilie was om in het levensonderhoud te voorzien mag blijken uit het volgende citaat:

Ontvangt de man (namelijk de vaste arbeider) veelal bij den landbouwer de kost, de vrouw zorgt voor de mondbehoeften of spijzen van haar en de kinderen. Hierdoor ontstaat een verschil in leefwijze tusschen den man en zijn huisgezin, want, terwijl de vrouw zuinig

en soms bekrompen met hare kinderen moet rondkomen, wordt aan den man, ten huize van den landbouwer, eene meer dan voldoende hoeveelheid krachtig voedsel toegediend. Deze hoeveelheid voedsel zou veel meer nut doen, wanneer het gemeenschappelijk in het

huisgezin des arbeiders wierd verbruikt. De man zou zich ook dan voldoende kunnen voeden voor het behoud zijner krachten, en zijne vrouw en kinderen zouden het overtollige genieten. Hierom zou eene verandering in dezen toestand wenschelijk zijn.

Hoewel er in de tweede helft van de 19e eeuw in financieel opzicht wel wat verbeterde in het lot van deze arbeiders, was het toch altijd hard werken geblazen voor weinig geld. Die verbeteringen waren vooral het gevolg van de uitbreiding van de vlasteelt en de emigratie

van veel arbeiders naar Noord-Amerika. Het is niet verwonderlijk dat in deze periode van de geschiedenis nogal wat landarbeiders hun kans schoon zagen en voorgoed vertrokken naar - wat zij zagen als - het land van de onbegrensde mogelijkheden. Vooral economische

en godsdienstige motieven lagen ten grondslag aan de trek naar de Nieuwe Wereld. De godsdienstige motieven achter deze emigratie zullen in een later stadium nog aan de orde komen.

Ook de komst van zuivelfabrieken en de mechanisatie in de landbouw brachten een voordeeltje met zich mee voor de landarbeiders: arbeidstijdverkorting zonder loonderving.

Als we van landarbeiders spreken dan hebben we het over drie soorten arbeiders, namelijk het inwonende personeel, de vaste arbeiders en de losse arbeiders. Over elk van deze groepen volgt nu een beschrijving, evenals een kort gedeelte over de vrouwelijke landarbeiders.

 

4.1 - Inwonend personeel

De inwonende knechten, ook wel dienst- of werkboden genoemd, waren vrijwel altijd ongehuwd. Op een boerderij met zoín vijftig bunder land woonden naast de boer en zijn familie meestal vier mannelijke en twee vrouwelijke knechten. Kleinere boeren moesten het uiteraard met minder personeel doen. In de regel woonde de boer met zijn gezin in de voorkamers en het personeel in een achterkamer, ook wel de boden-eetkamer genoemd. Soms kwam het wel voor dat kleine landbouwers hun inwonende personeel Ďs avonds in de woonkamer uitnodigden. Dat deze gewoonte niet erg gewaardeerd werd door het personeel mag blijken uit een in die dagen dikwijls gehoorde verzuchting: Wie mouten Ďs avonds altied boven (= in de woonkamer) wezen. De knechten waren duidelijk liever op ons zulf.

Het inwonende personeel kende een onderlinge hiŽrarchie. De beide vrouwelijke dienstboden werden grote en kleine meid - of eerste en tweede meid - genoemd. Ze verdienden omstreeks 1870 op jaarbasis respectievelijk maximaal 70 en 40 gulden.

Het mannelijk personeel werd achtereenvolgens knecht, middelste, derde vent en vierde vent - of schaapjongen - genoemd.

Zij verdienden omstreeks 1870 respectievelijk 150, 110, 80 en 30 gulden per jaar. Rond het jaar 1900 lagen die verdiensten op respectievelijk 200, 125, 100 en 40 gulden. In beide gevallen is sprake van maximum bedragen.

Aanvankelijk werkte het inwonende personeel tien tot elf-en-een-half uur per dag. Het melken van het vee tussen vier uur en vijf uur in de ochtend werd niet bij die werktijd meegerekend.Ook moesten deze knechten bijspringen ingeval zich onvoorziene omstandigheden voordeden. Inwonend personeel werd in de regel voor ťťn jaar ingehuurd.

 

4.2 - Vaste arbeiders

De tweede groep arbeiders waren de vaste arbeiders. Dat waren degenen die regelmatig bij dezelfde landbouwer werkten.

Zij verdienden omstreeks het jaar 1870 op een winterdag 35 cent en 60 cent op een zomerdag. In het voor- en najaar kregen zij 37,5 cent. Ook hier geldt dat dit de maximum bedragen waren.

Daarnaast ontvingen vaste arbeiders ook zogenaamde emolumenten. Dat waren voordeeltjes die zij voor zichzelf mochten houden, zoals op het land achtergebleven producten, bruikbaar vlees van gestorven of verdronken vee, enzovoorts.

Verder woonde een vaste arbeider met zijn gezin vaak in een huisje dat hij van de landbouwer huurde. Tot omstreeks 1900 moest hij voor zijn huisje per jaar zoín 30 gulden huur betalen. Dat bedrag werd in de zomermaanden, wanneer de verdiensten het hoogst waren, op het loon ingehouden.Op jaarbasis verdiende hij maximaal 200 gulden, plus de emolumenten. Een vaste arbeider kreeg meestal zijn maaltijden bij de landbouwer. Als hij voor zijn eigen maaltijden moest zorgen ontving hij op zijn loon een toelage, waardoor hij niet met 200 maar met zoín 400 gulden per jaar thuis kwam.

Over het eten dat de landarbeiders bij de boer ontvingen weten we dat het ontbijt bestond uit boterhammen met geraspte kaas en brij.

Ďs Middags was er poteten : boerenkool, knollen, gort, bonen, enz. , gemengd met aardappelen en verder brij en spek. Het avondeten bestond uit brij en het overgebleven poteten van de vorige dag.

 

Een indicatie voor de inkomsten en uitgaven in het gezin van een vaste arbeider op de Meedenlanden omstreeks 1870 geeft het volgende staatje :

 

Inkomsten

Daghuren van 1 mei tot 1augustus ŗ 50 ct. 39,00

Daghuren van 1 augustus tot 1 september ŗ 75 ct. 18,75

Daghuren van 1 september tot 1 november ŗ 50 ct. 24,00

Daghuren van 1 november tot 1 maart ŗ 30 ct. 30,60

Daghuren van 1 maart tot 1 mei ŗ 40 ct. 20,00

Verdiensten met aangenomen werk 50,00

Voor 9 mud gelezen gerst ŗ 4,00 36,00

Voor 2 lammeren ŗ 4,00 8,00

Voor 0,5 vacht wol 4,00

Daghuren van de vrouw over 120 dagen ŗ 40 ct. 48,00

Verdiensten van de vrouw in aangenomen werk 10,00

Totaal inkomsten 288,35

 

Uitgaven

Huishuur 30,00

Voor 3 wagens turf 15,00

Voor kleding 60,00

Voor winkelwaren 80,00

Voor brood 30,00

Voor schoeisel, vet en schaapvlees 30,00

Voor werkgereedschappen 5,00

Voor Ďvertering bij feestelijke gelegenhedení 5,00

Huisarts 10,00

Voor onderhoud van meubelen,

keuken- en tafelgereedschappen 5,00

Voor onvoorziene uitgaven 20,00

Totaal uitgaven 290,00

 

4.3 - Losse arbeiders

De derde groep arbeiders - de losse arbeiders - werkte in daghuur en verdiende per dag beduidend meer dan de vaste arbeiders. Tussen 1870 en 1900 is er weinig veranderd in de verdiensten van de losse arbeiders in het noorden van Groningen.

Zij verdienden in hetvoorjaar maximaal 1,5 gulden per dag, terwijl dat bedrag in de oogsttijd kon oplopen tot 3,5 gulden. Daar stond echter wel tegenover dat zij geen emolumenten hadden en zelf voor hun maaltijden moesten zorgen, of tegen een vergoeding van 40-50 cent per dag bij de boer in de kost konden. Wel mochten losse arbeiders in de regel ergens op het land van een boer voor eigen gebruik aardappels en wortelen verbouwen. In ruil daarvoor kreeg de boer de helft van de opbrengst. Maar hij had geen enkele verplichting tegenover zijn losse arbeiders. Als hij ze niet meer nodig had stonden ze op straat, met als gevolg dat de losse arbeiders altijd rekening moesten houden met werkloosheid en voedselgebrek in de wintermaanden.

In de inkomsten en uitgaven van een losse arbeider op de Meedenlanden omstreeks 1870 geeft het volgende staatje enig inzicht:

 

Inkomsten

Daghuren van half november tot half maart ŗ 75 ct. 76,50

Daghuren van half maart tot 1 mei ŗ 1,00 37,00

Verdiensten uit aangenomen werk van 1 mei tot 1 juli 70,00

Verdiensten uit aangenomen werk van

1 juli tot 1 september 110,00

Verdiensten uit aangenomen werk van

1 september tot half november 60,00

Verdiensten van de vrouw (daghuur en aangenomen werk) 68,00

Totaal inkomsten 421,50

 

Uitgaven

Huishuur 25,00

Voor 2 wagens turf, kleding en winkelwaren 270,00

Voor brood 50,00

Voor gereedschappen 8,00

Voor Ďverteering bij feestelijke of bijzondere

gelegenheden en doctorslooní 15,00

Voor onderhoud van keuken- en tafelgereedschappen 5,00

Voor melk 12,00

Voor onvoorziene uitgaven 25,00

Totaal uitgaven 410,00

 

4.4 - Vrouwelijke landarbeiders

Ook de vrouwen van landarbeiders waren buitenshuis werkzaam. Verdienden zij halverwege de 19e eeuw zoín 35 cent per dag, door de uitbreiding van de vlasteelt lagen die lonen omstreeks 1870 in de drukke periode op ongeveer 60 cent per dag.

Ook konden de vrouwelijke landarbeiders in die jaren in de wintermaanden aan de slag voor maximaal 50 cent per dag. Voordien was het niet de gewoonte dat vrouwen ook in die periode van het jaar buitenshuis werkten.

Omstreeks het jaar 1900 verdienden vrouwelijke landarbeiders op normale werkdagen 50 cent en in de oogsttijd aanmerkelijk hogere bedragen.