Inhoud

Vooraf 2

1. Ger Groot, filosoof. Religie als basis van vrijheid. 2

Optelsom van individuen. 2

Wetenschap uit vroomheid. 3

Sprookje. 3

Voorbestemd tot multi-culturalisme. 3

Ger Groot’s publicatie over Charles Tayler 3

2. Stijn Latré, filosoof. Het goddelijke resoneert in de mens. 3

Drie soorten levensbeschouwelijke visies. 3

Moraal en transcendentie. 4

Alleen empirische wetenschappen?. 4

De angst om te geloven. 4

Religie in de Moderniteit 4

Verklaren. 4

Een actief pluralisme. 4

3. Charles Tayler, filosoof. We leven in een ongekende orde. 4

Vragen aan Charles Taylor 4

Maakte religie deel uit van uw opvoeding?. 5

Was deze diversiteit inspirerend?. 5

Gaat zoiets ook op voor het religieuze?. 5

Is dat wat u bedoelt met uw boektitel: 'Een seculiere tijd'?. 5

Was het vroeger beter?. 5

En hoe 'herontdek' je die solidariteit?. 6

Is dat een van de zegeningen van de globalisering?. 6

Is dat niet makkelijk praten, vanuit Canada?. 6

Charles Taylor: Vernieuwer van de politieke filosofie. 7

 

Vooraf

 

Onderstaande artikelen gaan alle drie over de filosoof en theoloog Charles Taylor.


1. Ger Groot, filosoof. Religie als basis van vrijheid

2. Stijn Latré, filosoof. Het goddelijke resoneert in de mens

3. Charles Taylor. Onze identiteit verkeert in crisis, dus moeten we een nieuwe bouwen

 

 

1. Ger Groot, filosoof. Religie als basis van vrijheid

 

Wie vandaag de dag de godsdienst nog ernstig neemt, heeft niets van de moderne wetenschap willen begrijpen en durft niet in te zien dat wij toevallige wezens zijn, verloren op een planeetje aan de rand van ons zonnestelsel. Verlossing en gerechtigheid kent de natuur niet. Daar kunnen we maar beter aan wennen.

 

Geschreven door Ger Groot 19 oktober 2012, publicatie in dagblad Trouw


Heel verrassend klinkt een dergelijke visie niet: ze wordt uitgekreten in kranten en weekbladen en op tv, en drukt het 'officiële' oordeel van de moderne tijd uit over wat nog rest van de godsdienst: ooit misschien een imponerende traditie, nu alleen nog van betekenis voor beklagenswaardige mensen die het bestaan niet aankunnen.

Zo hard als dit vonnis klinkt, zo weinig herkennen gelovigen zich erin. Zwak en laf voelen zij zich allerminst, en een hekel aan wetenschap hebben ze zelden. Voor hen bestaat er geen tegenstelling tussen het vertrouwen in hun eigen rede en hun vertrouwen in God.

 

Optelsom van individuen

 

Waar komt die tweedeling in de moderne cultuur dan vandaan?, zo vroeg de Canadese filosoof Charles Taylor - zelf overtuigd katholiek - zich een paar decennia geleden af. En wat zegt zij over de grote impassen waarin we ons nu lijken te bevinden? De strijd tussen godsdienst en Verlichting is opnieuw opgelaaid, terwijl de samenleving haar eigen normen en waarden nauwelijks nog lijkt te kunnen funderen. Bestaat die 'samenleving' eigenlijk nog wel, of is ze, zoals Margaret Thatcher ooit zei, alleen maar een optelsom van afzonderlijke individuen?

In twee grote studies maakte Taylor brandhout van het heroïsche emancipatieverhaal dat de moderne cultuur over haar eigen ontstaansgeschiedenis vertelt. Aan het eind daarvan staan mensen die zichzelf liefst als individuen zien en zelf wel uitmaken hoe ze moeten denken en leven. Godsdienst, die hen juist 'van bovenaf' dwingend toespreekt, was vanaf het begin van die emancipatie hun natuurlijke vijand.

In werkelijkheid, zo schreef Taylor aan het eind van de jaren tachtig in zijn boek 'Bronnen van het zelf', ging het heel anders. Het is juist de godsdienst geweest die de gelovigen steeds meer tot individualiteit heeft opgeroepen. Vroom moesten ze worden tot in hun hart. Bij uitwendige ritualiteit mochten ze het niet laten. Daar begon de katholieke kerk al in de late middeleeuwen op te hameren. Met de Reformatie brak die verinnerlijkte individualisering pas goed door. Iedere gelovige was voortaan zelfstandig en verantwoordelijk geworden voor zijn eigen heil. De hedendaagse zelfbewuste mens die zich niets meer laat gezeggen, is zijn late erfgenaam.

Wetenschap uit vroomheid

 

Er is dus geen strijd tussen achterlijke religie en moderne vrijheid, aldus Taylor. De vrijheid ligt in het verlengde van de religie. En in de wetenschap gebeurde iets dergelijks. Wetenschap ontstond niet omdat mensen de bijbelse sprookjes zat waren en eindelijk wilden weten hoe het in de werkelijkheid écht zat. De vroege onderzoekers doorvorsten de wereld juist uit vroomheid. In haar zagen zij de hand van God aan het werk en door research hoopten zij Diens bedoelingen nog beter te kunnen begrijpen.

De breuk kwam later pas, in de negentiende eeuw, toen de wetenschap de wereld begon af te schilderen als een toneel van strijd, wedijver en geweld, zo stelde Taylor vast in zijn nóg dikkere studie 'Een seculiere tijd' uit 2008. Niet toevallig kreeg in diezelfde negentiende eeuw de samenleving een grimmig gezicht. Zij werd een wereld 'van markt en strijd', om het met de romanschrijver Houellebecq te zeggen. En dat vroeg om sterke en weerbare individuen: precies het soort dat zich door religie niets meer liet gezeggen. Samen met het geloof in God verdween zo ook het geloof in een bij voorbaat geordende, morele samenleving.

Sprookje

 

Daar zijn we inmiddels mooi klaar mee, aldus Taylor. De strijd om het gelijk tussen gelovigen en atheïsten, allebei even militant, is er maar één aspect van. Minstens zo belangrijk is de vraag hoe we nog vorm kunnen geven aan een gemeenschap - en ook die wordt met grote ideologische heftigheid uitgevochten.

Taylor reikt geen kant en klare oplossingen aan. Daarvoor zijn de vraagstukken te ingewikkeld en de keuzes te principieel. Maar ze moeten wel op goede gronden worden gemaakt. Het sprookje van de vijandschap tussen godsdienst en moderniteit, is niet langer geloofwaardig. Pas met een open oog voor het verleden kunnen we helder nadenken over de vraag welke toekomst er is weggelegd voor ons, voor de samenleving, voor de godsdienst.

 

Voorbestemd tot multi-culturalisme

 

Charles Taylor werd in 1931 geboren in het Canadese Montreal. Zijn vader was een protestantse industrieel met Britse wortels, zijn rooms-katholieke moeder was van Franse komaf. De tweetalige Taylor leek voorbestemd om zich in verschillende culturen te bewegen. Hij studeerde geschiedenis aan de McGill-universiteit, en filosofie, politiek en economie in Oxford. Daar was hij assistent van de Russisch-Britse ideeënhistoricus Isaiah Berlin. Als katholiek raakte hij er verzeild in marxistische kringen rond het tijdschrift New Left Review, maar hij was tegelijk sterk betrokken bij dissidenten in Oost-Europa.

Aan het begin van de jaren zestig keerde Taylor als docent terug naar de McGill-universiteit, waar hij tot 1998 hoogleraar zou blijven. Hij stelde zich enkele keren vergeefs kandidaat voor het Lagerhuis en roerde zich in het Canadese debat rond multiculturalisme en meertaligheid. Een multiculturele samenleving, zo schreef hij, wortelt in de bereidheid van de staat en de meerderheid de eigenheid van minderheidsgroeperingen te erkennen, opdat van hun kant ook minderheden de rechten en plichten van de staat kunnen onderschrijven.

Publicaties Taylor: 

- In 1975 een vuistdikke studie over Hegel, de filosoof die volgens hem het wezen van de moderne tijd al vroeg doordacht.
- Internationale roem kreeg hij met zijn studie 'Bronnen van het Zelf' uit 1989, waarin hij de ontstaansgeschiedenis van ons moderne ik-besef beschreef.
- Bijna twintig jaar later liet hij in 'Een seculiere tijd
, geloof en ongeloof in de wereld van nu ' zien dat wetenschap en godsdienst niet elkaars vijanden hoeven te zijn en aanvankelijk zelfs bondgenoten waren.
In 2007 ontving Taylor de prestigieuze Templetonprijs voor bijzondere verdiensten op het vlak van religie.

 

Ger Groot’s publicatie over Charles Tayler

 

In mei 2018 werd gepubliceerd: Ger Groot, Charles Tayler, 240 pagina’s, 40 2018

Samenvatting, bol.com: Charles Taylor is een van de sleutelfiguren in het hedendaagse debat over het zelf en de problemen van de moderniteit. Ger Groot en Guy Vanheeswijck bieden een toegankelijke, actuele inleiding tot Taylors denken. Op boeiende wijze reconstrueren de auteurs het ambitieuze filosofische project dat Taylors uiteenlopende werken verenigt. Aan de orde komen thema's als het verband tussen identiteit, taal en morele waarden, democratie en multiculturalisme en het conflict tussen seculiere en niet-seculiere spiritualiteit. Taylors ingewikkelde maar zeer invloedrijke werk wordt in deze unieke monografie helder toegelicht.

 

2. Stijn Latré, filosoof. Het goddelijke resoneert in de mens

 

Geschreven door Jolanda Breur, gepubliceerd Trouw, 3 juni 2009.

 

De filosoof Stijn Latré, verbonden aan Universiteit Antwerpen:

„Angst voor bedrog moet ondergeschikt zijn aan het vertrouwen in de waarheid.”

 

God is één van de mogelijkheden geworden, volgens de Canadese filosoof Charles Taylor. Een explosie, zegt filosoof Stijn Latré  over de keur aan levensbeschouwelijke visies die ontstond na de Verlichting. Hij promoveerde op het gedachtegoed van Taylor en vertelt hoe het westerse christendom als een ster uiteenspatte in vele (religieuze) overtuigingen zoals het evangelicalisme en liberalisme.

 

Drie soorten levensbeschouwelijke visies

 

Taylor onderscheidt drie soorten levensbeschouwelijke visies die de moderne mens kunnen aanspreken.

 

a. Een religieuze, met een perspectief op iets transcendents dat het leven zin kan geven

 

b. De humanistische visie werd een exclusief humanisme toen de transcendentie ofwel God er uit verdween. „De moraal kwam daarbij in de mens te liggen en de samenleving werd maakbaar”, licht Latré toe.

 

c. De antihumanistische reactie daarop is gebaseerd op de filosofie van Nietzsche. Die vond het humanistische standpunt te optimistisch. De mens is onderworpen aan zijn tragisch lot en moet daarmee leren leven. Latré: „Wat kun je doen om een aardbeving te vermijden? Laat het maar gebeuren, zegt Nietzsche. Deze optiek doet de mens niet floreren, wil niet hervormen en is dus niet humanistisch. Taylor vindt het humanisme nivellerend. Het laat geen diepere laag in het leven toe. We moeten er dan maar het beste van maken.”

 

Het goddelijke resoneert in de mens, volgens de Canadese filosoof. Maar het is aan die mens zelf om dat te vertalen naar zijn omgeving.

 

Moraal en transcendentie

 

Voor Taylor persoonlijk is de moraal een wezenlijk onderdeel van transcendentie. Dat mensen hun morele waarden zelf bepalen, zoals in het liberalisme wordt beweerd, is voor hem een illusie.

 

Taylor onderscheidt in zijn laatste boek ’Een seculiere tijd, geloof en ongeloof in de wereld van nu’:

- een horizontale transcendentie, waarbij een gemeenschap haar waarden uit de traditie put.

- een verticale transcendentie wanneer mensen die waarden toeschrijven aan een goddelijk opperwezen, aldus Latré. „Verticale transcendentie, de goddelijke liefde, kan mensen verheffen tot het goede, meer dan degenen die in de horizontale blijven steken. Maar dat idee zal niet iedereen met hem delen.”

 

Alleen empirische wetenschappen?

 

Latré, verbonden aan Universiteit Antwerpen, bespeurde een ‘verouderde positivistische opvatting’ over de verhouding tussen geloof en kennis. Daarin zouden alleen empirische wetenschappen kennis opleveren, geloof is hooguit een nuttige, maar onechte overtuiging. „Aanhangers van deze visie vergeten dat de mens een interpreterend wezen is. Ook als hij wetenschap bedrijft. Er bestaat geen tegenstelling tussen geloof en wetenschap. De twee vullen elkaar juist aan, want de wetenschap kan dan wel de natuur onderzoeken maar op de waarom-vraag heeft ze geen antwoord. Dat is het terrein van godsdienst en filosofie.”

 

De negatieve reacties wijt Latré aan de stelligheid waarmee Taylor ‘komt aandraven’ met het transcendente perspectief, maar „zij doen dat ook met de absolute waarheid van de wetenschappen. Mensen leven al eeuwen alsof het transcendente of de moraal buiten henzelf bestaat. Daarom kun je aannemen dat het zo is. De wetenschap heeft nog steeds geen religie-gen ontdekt. Maar Taylor pleit vooral voor meer zelfreflectie, en daarmee kun je nog altijd bij het atheïsme uitkomen.”

 

De angst om te geloven

 

Voor Stijn Latré was Taylors idee over de angst om te geloven een eyeopener. „In zijn boek ’Wat betekent religie vandaag?’, een revisie van werk van filosoof William James, spreekt hij over de vrees dat geloof uiteindelijk een illusie blijkt als reden om niet te geloven. Je kunt ook hopen dat het werkelijkheid is en nieuwe poorten naar de waarheid vinden. Dat is me altijd bijgebleven, dat angst voor de waarheid ofwel angst om bedrogen te worden, ondergeschikt moet zijn aan vertrouwen in de waarheid.”

 

Hij vertelt over de tragedie ‘Othello’ van Shakespeare die Taylor als metafoor gebruikt in zijn laatste boek. „Othello, de moderne mens, loopt de liefde van Desdemona, het transcendente, uiteindelijk mis omdat hij bang is dat deze niet oprecht is (iemand spelt Othello op de mouw dat Desdemona hem bedriegt met een ander, jb) Ik gebruik dit voorbeeld vaak in discussies met atheïstische vrienden, zeg ze dat religie meer te maken heeft met vertrouwen dan met angst.

 

Terwijl atheïsten gelovigen verwijten te kiezen voor een makkelijke oplossing. Uit angst voor de betekenisloosheid van het universum zouden zij kiezen voor de troostrijke religie. Maar de atheïstische denkwijze getuigt juist van vrees voor de sprong naar het geloof. Het leven van atheïsten heeft nooit méér betekenis dan die zijzelf of andere mensen eraan geven. Ze houden dus vast aan een vergankelijk, want menselijk perspectief.”

 

Religie in de Moderniteit

 

Taylor moet je lezen omdat hij breed en genuanceerd denkt over moderniteit en religie, vindt Latré. Geen enkele hedendaagse denker heeft volgens hem op dit gebied zo veel literatuur verwerkt. Zijn ideeën vormen een krachtig tegengif voor denkstromingen die vanuit één mens- of maatschappijvisie de samenleving willen veranderen, zegt hij. „Zoals het liberalisme. Maar hij is geen relativist die alle posities gelijkwaardig vindt. Onderzoek je eigen vooronderstellingen grondig, ga in dialoog met de ander en wees trouw aan je eigen morele bron.”

 

De Canadese filosoof is geen scherpslijper, meent Latré. „Daar is hij te genuanceerd voor. Dat maakt hem wel tot een eerlijk en authentiek denker. Hij is ook niet baanbrekend, maar brengt verschillende inzichten op een originele manier samen.”

 

Verklaren

 

Taylor verklaart, hij komt niet met een oplossing om bijvoorbeeld het transcendente een grotere plaats in de westerse samenleving te geven. Wel vindt hij dat individuen verbondenheid moeten zoeken met hun gemeenschap. „Er wordt volgens hem te weinig nagedacht over verbindende waarden. Onze waarden zijn te impliciet. Ik kan de trein óf mijn auto nemen naar een andere stad. De keus is praktisch wanneer ik de trein neem omdat ik zo files vermijd en sneller ben, of de keus is moreel, want beter voor het milieu. We vragen ons te weinig af waarom we doen wat we doen. Als we meer reflecteren, kunnen we tot een gemeenschappelijk idee over het goede leven komen. En zijn we verdraagzamer.

 

Taylor heeft, net als Aristoteles, een pluralistische opvatting over het goede. Er is niet één waarde die beter is dan de andere, daar is het leven te rijk en te complex voor. Hij denkt dat waar moreel pluralisme heerst, conflicten opduiken. Dan moeten mensen met elkaar in debat gaan en uitvinden waarom de ander die ene waarde zo belangrijk vindt.” Met meer reflectie en debat, meer tolerantie, volgens Latré.

 

Een actief pluralisme

 

Het liberalisme is passief. „Het zegt dat meer levensbeschouwingen naast elkaar in één samenleving geen probleem is zolang men elkaar respecteert. Maar hoe zit het met onze interesse voor elkaar? Bij een actief pluralisme kijk je of die andere ideeën iets toevoegen aan je eigen wereld- of godsbeeld. Dat zou Taylor helemaal met me eens zijn.”

3. Charles Tayler, filosoof. We leven in een ongekende orde

 

Onze identiteit verkeert in crisis, dus moeten we een nieuwe bouwen’, meent de Canadese politiek filosoof Charles Taylor.


Geschreven door Wilberry Jacobs en Ida Overdijk, 17 september 2011 in Dagblad Trouw

Vragen aan Charles Taylor


Waar bent u opgegroeid? "In Montreal, een tweetalige stad in de provincie Québec. Mijn familie is ook tweetalig. Mijn vader sprak meestal Engels, mijn moeder Frans. En hoe hecht de familie ook was, vooroordelen tussen het Engelse en het Franse deel begonnen de overhand te krijgen. We kregen dus voortdurend te maken met de vraag hoe we ons moesten verhouden tot verschillende soorten mensen die zich niet per se goed met elkaar verstonden."

Maakte religie deel uit van uw opvoeding?

 

"Zeker. En ook daarin waren we gemengd. Mijn vader was anglicaans, mijn moeder katholiek. En mijn opa was een antiklerikaal in de traditie van Voltaire. Van alles wat dus. Iets wat in die tijd onvoorstelbaar was. Maar we moesten wel met elkaar verder."

Was deze diversiteit inspirerend?

 

“Nee, ik dacht dat het normaal was. Ik vond het bedreigend om te ontdekken dat mensen elkaar juist bevochten vanwege die diversiteit en elkaar dwongen tot een keuze om hetzij begrip op te brengen, hetzij te polemiseren. Uit egoïstische overwegingen deden we daaraan mee, zodat we zonder stress met onze identiteit konden leven."

In uw werk speelt 'het zelf' een cruciale rol. Wat is dat?

"Mensen hebben, anders dan dieren, een bewustzijn, ze handelen zelf. Maar 'het zelf' zoals wij dat gebruiken, is ook iets typisch modern westers. Kijk alleen maar naar het voornaamwoord: in het Duits is het das Ich, in het Frans le moi, in het Nederlands het ik. Dit beschrijft niet zoiets als de ziel, maar het toont ons in ons vermogen om reflectief te zijn, om ons te buigen over onszelf. We bevragen onszelf op onze identiteit: ben ik er wel trouw aan, waar gaat het in mijn leven om? Mijn vader zegt dat ik jurist moet worden, maar ik wil piano spelen -- wat is het nu echt?

Onze beschaving is heel reflectief. In die zin heeft 'zelf' voor ons een speciale betekenis die in vroegere culturen niet bestond. Iedereen moet zelf uitzoeken wat zijn identiteit inhoudt en hoe je in je eentje moet leven.

Dit staat haaks op het idee dat het leven door iets externs bepaald kan worden, iets dat je niet zelf bent. Als een kind opgroeit, vraagt het zichzelf af: Zal ik de rollen spelen die mijn ouders me graag zien spelen, of ben ik dat niet echt?

Wat dit reflectieve zelf ons brengt, zijn dus vragen die vroeger voor mensen onbegrijpelijk zouden zijn geweest. In de geschiedenis gebeurt dit voortdurend: De cultuur roept problemen in het leven die voorheen niet bestonden en evenmin buiten die cultuur bestaan."

Gaat zoiets ook op voor het religieuze?

 

“In de menselijke geschiedenis is het ongekend: we leven in een orde zonder enige verwijzing naar iets dat erbuiten ligt ¿ naar God, een geest, iets transcendents. Het universum van middeleeuwers was onbegrijpelijk zonder God. Toch zijn God en geloof nog steeds springlevend voor mensen. Veel mensen zijn op zoek. Maar tegenwoordig is dat zoeken naar transcendentie totaal anders dan laten we zeggen in Europa anno 1500. Bijna alle beschavingen voor de onze gingen uit van de gedachte dat goden of geesten verweven waren met het leven van mensen. Wij leven in een wereld die alleen maar uit waarneembare zaken bestaat, waarin de mens wat structuur heeft aangebracht om onze problemen te lijf te gaan."



Is dat wat u bedoelt met uw boektitel: 'Een seculiere tijd'?


“Ja, maar dat begrip wekt snel misverstanden. Ik bedoel niet dat het seculiere ontstaat als mensen ophouden te geloven of naar de kerk te gaan, of dat het komt doordat religie niet meer bepalend is voor de staat of het publieke domein.

Wat de westerse samenlevingen delen is een immanent, dat wil zeggen in zichzelf besloten kader. Om dat kader te zien moet je een stap terugdoen en kijken naar hoe mensen vijf eeuwen geleden dachten over de politieke en sociale orde: die was verbonden met de kosmische orde waarin hogere en lagere wezens figureerden. Dat hoge en lage werd weerspiegeld in de samenleving met zijn koning, zijn aristocraten en hoge geestelijkheid. De orde van de samenleving beantwoordde aan de orde van de kosmos.

Tegenwoordig bestaat er nog steeds een orde, maar die bestaat omdat individuen nu eenmaal moeten samenwerken. Daarom hebben we constituties gemaakt. En die maken het mogelijk voor mensen om het met elkaar oneens te zijn en te strijden. Zelfs dictators plaatsen zichzelf binnen dit constitutionele kader. Ze zeggen bijvoorbeeld dat de partijen vreselijk corrupt zijn geweest en dat ze daarom het leger hebben laten ingrijpen. Het algemeen belang vereist dit. Ook dit is een immanente oplossing voor een immanent probleem. Het heeft niets van doen met de kosmos, het heeft geen verwijzing naar God nodig. Het is als met een afspraak voor het ophalen van het vuilnis, iets wat we moeten regelen omdat er een gemeenschappelijk belang mee gediend is."


Als we de maatschappij zonder transcendente verwijzingen kunnen inrichten, is het religieuze dan gedoemd te sterven?

“In sommige landen gaat het immanente kader inderdaad gepaard met religieus verval, maar in andere niet. Soms is het evident dat kerk en staat gescheiden zijn, maar in bijvoorbeeld Engeland en de Scandinavische landen is dat veel minder helder. Wat alle landen delen is dat kader, dat secularisme, of het nu het voormalige Oost-Duitsland is waar 53 procent van de mensen zich als atheïst beschouwt, of de Verenigde Staten waar tachtig tot negentig procent van de mensen zegt in God te geloven.

Secularisatie raakt religie - nog zo'n term waarover verwarring heerst. Je kunt hierin twee tegengestelde posities onderscheiden, die wel één premisse delen en dus toch bij elkaar horen.
De eerste: moderniteit, emancipatie, rationaliteit brengen de neergang van de religie met zich mee. Dat is het progressieve discours.
De tweede: bepaalde kenmerken van de moderniteit moeten teruggedraaid worden. Zo hamert paus Benedictus XVI er steeds op dat de moderne filosofie het groeiend relativisme veroorzaakt, en dat we terug moeten keren naar het geloof.

Ik denk dat ze beiden leven in dat in zichzelf besloten kader, met basiswaarden als mensenrechten en democratie. Darwin en de evolutie hoeven niet ontkend te worden en evenmin de waarde van diversiteit. Integendeel, hedendaagse gelovigen gaan een nieuwe weg en nemen de moderne verworvenheden mee. Beide posities die gezworen vijanden zijn hebben dus veel gemeen."

Was het vroeger beter?


“Dat kun je, als je mijn analyse volgt, nooit zo eenvoudig beantwoorden. Stel, ik vind dat het leven veel beter was onder de Franse middeleeuwse vorsten. Daar kun je om lachen, maar honderd jaar geleden had je Fransen die ontevreden waren met de republiek en mijmerden over de herinvoering van de monarchie, misschien omdat ze nog dicht genoeg bij de prerevolutionaire tijden stonden. Tegenwoordig is zo'n verlangen totaal belachelijk, want grote veranderingen in onze collectieve opvatting van de geschiedenis zijn onomkeerbaar. Die veranderingen passen net zo min binnen het progressieve denken dat stelt dat er louter vooruitgang is, als binnen het reactionaire denken dat overal achteruitgang ontwaart.

Je mag je wel afvragen of we vroeger beter af waren. Was er misschien een groter besef van gemeenschap, van solidariteit? En zo ja, zouden we dan op onze eigen manier bepaalde vormen van solidariteit kunnen herontdekken?

Solidariteit is aan het slijten. En overal in de westerse samenleving beginnen we de nood eraan te voelen.

Denk aan de discussie in de Verenigde Staten over de gezondheidszorg. Het was ontstellend om te zien dat Obama de strijd om 37 miljoen Amerikanen verzekerd te krijgen, dreigde te verliezen. En dat men vooral aan het kibbelen was over de mogelijkheid dat het mensen die al gezondheidszorg hadden, iets meer zou kunnen kosten om hem aan die miljoenen te helpen.

Om de wet aangenomen te krijgen moest Obama beloven dat niemand meer zou gaan betalen, in plaats van dat hij kon zeggen dat ook die niet-verzekerden Amerikanen zijn."

En hoe 'herontdek' je die solidariteit?


“We moeten het op onze eigen manier doen: via de democratie, onze collectieve identiteit. En natuurlijk brengt dat ook het besef van een nationale identiteit met zich mee. Hetgeen overigens weer nieuwe gevaren in zich bergt, namelijk een sterke solidariteit die gebaseerd is op etniciteit.

Die solidariteit laat haar beperktheid zien in samenlevingen zoals de westerse met een grote en groeiende diversiteit. In Québec kenden we een grote strijd over hoe we op een redelijke wijze met religieuze verschillen zouden moeten omgaan. Natuurlijk vooral omdat mensen bezorgd waren over wat voor hen de nieuwe religies zijn: islam, sikhisme en hindoeïsme. In Nederland zal het niet anders zijn. Je krijgt dan dat er een sterk gevoel is dat wij, onze groep, in orde zijn en dat zij gevaarlijk en anders zijn.

De kwestie blijft dus hoe we een sterk gevoel van solidariteit behouden, nodig om een verzorgingsstaat te waarborgen, zonder op grond van etniciteit mensen uit te sluiten omdat ze geen autochtone inwoners zijn. Kortom, hoe kunnen we multiculturalisme samen laten gaan met sterke solidariteit?"

Is dat een van de zegeningen van de globalisering?

 

“Globalisering betekent onder meer veel internationale migratie. Ze verandert de relatie tussen migranten en de samenlevingen waar ze naartoe gaan. Vergeleken met vroeger blijft er een veel intensere relatie met het land van herkomst bestaan.

Immigranten gaan veel vaker terug voor korte bezoekjes of ze laten hun verwanten overkomen, ze zijn lid van migrantenorganisaties die contact houden met het thuisland, ze komen niet meer naar ons land om hun eigen verleden te vergeten en achter zich te laten, wat de mensen in de negentiende eeuw wel deden toen ze naar Canada of de Verenigde Staten emigreerden. Zij leerden snel de taal en sneden de banden met thuis af.

Nu ben je met je mobieltje in een oogwenk terug in de Punjab waar je familie vandaan komt. Dit alles schept een nieuw idee van wat het betekent om in een samenleving te zijn. Je zit niet opgesloten in één particuliere politieke omgeving, je woont in meerdere. Het is heel legitiem om tegelijkertijd op verschillende niveaus in meerdere samenlevingen te leven. Je hebt je werk en betaalt je belasting hier, maar je culturele en religieuze leven, je gezinsleven speelt zich af in een ruimte tussen hier en elders waar je doorheen kunt reizen."


Wat is het gevolg voor onze democratie?

“Het vereist een grote mentale verschuiving voor de meerderheid die traditioneel de westerse democratieën bevolkt. Kijk naar Duitsland. Daar haalden ze indertijd heel veel gastarbeiders binnen uit Turkije, met het idee dat ze naar dat land zouden terugkeren. Drie generaties later zaten ze er nog. De kinderen en kleinkinderen spraken niet veel Turks meer, en men besloot hun het staatsburgerschap te geven. Dat kregen ze, maar dan moesten ze wel het Turkse staatsburgerschap afleggen. Met andere woorden, men wilde de manier waarop veel mensen tegenwoordig migranten worden niet legitimeren.

En waarom niet? Omdat men nog vasthield aan het oude idee van een samenleving waar je voor honderd procent trouw aan bent. In de VS leeft dit idee ook nog sterk. Je kunt niet zowel Canadees als Amerikaan zijn. Want stel dat er een oorlog komt, welke kant zul je dan kiezen?

Zo kun je er tegenaan kijken. Maar zo maak je het deze migranten wel heel moeilijk om te integreren in het democratische leven van deze samenlevingen. Eigenlijk geef je hun de boodschap dat de manier waarop zij willen leven, voor ons niet acceptabel is. Als je om Duitser of Nederlander te worden al je banden moet afsnijden, dan vereist dat een hele grote aanpassing.

Terwijl burgerschap ook anders kan: door een sterk gevoel van solidariteit te kweken tussen mensen die op verschillende manieren in een land leven. In Canada is migratie een succes, mensen vinden het geweldig om er te wonen, omdat ze de vrijheid hebben hun eigen identiteit te koesteren. Hun kinderen kunnen er naar de universiteit, een goeie baan krijgen. Ze identificeren zich sterk met hun land, Canada, hoewel ze bij wijze van spreken in de diaspora leven.

Daarvoor hebben ze de ruimte nodig, en het soort onderwijs dat je voor je kinderen en jezelf wenst. Dan zal integratie plaatsvinden. Maar als ze geen werk krijgen, als niemand ze helpt om de taal te leren, als hun kinderen naar slechte scholen gaan en ze niet het onderwijs krijgen dat hun hoop kan geven om hogerop te komen, dan ontstaat grote vervreemding. Die kwam in de Parijse buitenwijken in 2005 tot uitbarsting, jongeren staken auto's in brand. Dat was geen aanval op Frankrijk, maar zelfdestructie. Ze voelden zich gediscrimineerd, opgejaagd door de politie.

Het probleem was niet dat hun leven zwaar was - het leven van immigranten ís zwaar, maar het echte probleem is dat ze niet in staat zijn om die ellende achter zich te laten, door een baan te krijgen en goed onderwijs voor hun kinderen, de taal te leren. En het zit in de aard van een rijke moderne westerse democratie om mensen al deze mogelijkheden aan te bieden - daar zijn ze op afgekomen."

Is dat niet makkelijk praten, vanuit Canada?

“Ik moet toegeven dat Nederland en andere Europese landen het een stuk moeilijker hebben dan wij in Canada. En dat komt door ons egoïsme. Wij selecteren immigranten heel zorgvuldig op hun taalvaardigheden. Wij kennen een puntensysteem: je krijgt punten als je Engels of Frans kent, als je een onderwijsgraad hebt en als je een vak beheerst. Zo selecteren we mensen, vooral Europeanen, met de aanleg om succes te hebben, een goede baan te bemachtigen ¿ te integreren. Dat doen we al decennia en zo hebben we de positieve kanten van een immigratiesamenleving ontwikkeld.

De meeste immigranten in Europa waren gastarbeider, voor het werk dat niemand hier wilde doen. Meestal zaten zij dus op de onderste trede van de sociaal-economische ladder. Dat maakt het een stuk moeilijker om die mensen te laten slagen."

In Nederland heeft men het dan over botsende beschavingen. "Dat is gevaarlijke onzin. De grote botsingen vinden altijd binnen een beschaving plaats en gaan over hoe we met anderen omgaan. Moslimterroristen zijn verantwoordelijk voor de terreuraanvallen in New York en Londen - maar ze veroorzaken binnen hun eigen cultuur de meeste slachtoffers. De meeste bommen gaan af in Pakistan, het is een strijd tussen Pakistaanse moslims onderling.
En ook in onze samenlevingen gaat het vooral om een interne strijd, niet met wapens, maar met het woord. In Europa heb je partijen als die van Le Pen in Frankrijk en Wilders in Nederland die een keiharde aanpak van de 'anderen' voorstaan. Ze zijn in een politieke strijd verwikkeld met mensen die hen ervan willen weerhouden dit gevecht voort te zetten."

Wat is het alternatief?

“Het verhaal. En het juiste slag politici dat dat vertelt: dat we ondanks de barrières iets groots van onze samenleving kunnen maken. Het gaat erom dat we die boodschap herkennen als het verhaal van ons land, je moet vertellen dat de geschiedenis voortgezet kan worden. De geschiedenis van Frans Québec kent een lange strijd om de taal, om de identiteit van een Franssprekende samenleving. Je moet vertellen dat we de kans hebben om die identiteit te behouden dankzij Franstalige Marokkanen, Tunesiërs, Libanezen en Egyptenaren die hier naartoe komen, en dankzij Spaanstaligen uit Latijns Amerika die gemakkelijk de taal leren. De voortdurende strijd om een Franssprekende maatschappij te behouden, vindt juist steun in al die nieuwkomers. We moeten wel af van het idee van een vaststaande historische identiteit, waar we in het Westen steeds vanuit gingen. Een gemeenschappelijke identiteit moeten we steeds opnieuw maken.

Hóe je dat verhaal vertelt, dat maakt het verschil. Je kunt namelijk ook vertellen: we verkeren allemaal in gevaar, onze etnische identiteit wordt van buitenaf aangevallen, we moeten de rijen sluiten. Natuurlijk is dat een recept voor een ramp, de formule voor scheiding, vervreemding en voortdurende twisten. Politici dragen hier een grote verantwoordelijkheid. Populisten spelen soms in op angsten onder de bevolking, ook in Canada, maar godzijdank gaat niemand zo ver als Wilders."

Welke rol speelt religie daarbij?


“Zij kan een zegen zijn en een vloek, omdat ze raakt aan het belangrijkste in een mensenleven. Mobiliseren tot kruistocht en djihad én bloedvergieten voorkomen. Of godsdienst het besef ergens bij te horen stimuleert, hangt van de maatschappij af; als mensen een gedeelde religieuze achtergrond hebben is dat het geval. Maar het hoeft niet. Het zou in de meeste westerse samenlevingen zelfs een vergissing zijn om een gemeenschappelijk thuis direct te verbinden met religie. Nationale identiteit en solidariteit zijn in Polen verbonden het geloof waar het land van doordrongen is, het katholicisme, maar in Canada en Nederland is die verwevenheid onmogelijk."

Hij houdt een pleidooi voor egoïsme en selectie, net als in het succesvolle immigratieland Canada. Maar ook voor multiculturalisme, religie als het kan en de kracht van het verhaal.

Charles Taylor: Vernieuwer van de politieke filosofie


De Canadees Charles Taylor (1931) doceerde ethiek in Oxford en politieke wetenschappen en filosofie in Montreal. Sociaal-democraat Taylor kandideerde zich in de jaren zestig voor de New Democratic Party, maar werd niet verkozen.

Zijn tweetalige en gemengd-religieuze achtergrond kleurt zijn oeuvre. Daarin bekritiseert hij de liberale interpretatie van het zelf, en kiest voor de communitaristische - één met oog voor de gemeenschap. Met boeken als 'Bronnen van het zelf' (1989), 'De malaise van de moderniteit' (1992) en 'Multiculturalisme' (1995) verwierf hij zich de status van invloedrijk westers denker. Met 'Een seculiere tijd' won hij in 2007 de Templeton Prize ('religieuze Nobelprijs'); bij de uitreiking ervan zei hij dat niet alleen fundamentalistische gelovigen, maar ook seculiere 'verlichte geesten' geweld veroorzaken.

Taylor honoreert in zijn denken de alledaagse strijd om 'sociale erkenning' en brengt dat in in de politieke filosofie die zich tot dan toe vooral bekommerde om rechtvaardige verdeling.