Mensbeschouwing

 

Inhoud

Deel I Het mensbeeld in de psy-wetenschappen. 5

1.1 De ontwikkeling naar zelfverwerkelijking en zelfoverstijging. 5

Abraham Maslow over de menselijke ontwikkeling. 5

Frankl over de zin van het bestaan. 6

1.2 Zingeving in deze tijd, het Postmodernisme. 8

Postmodernisme als cultuurstroming. 8

1.3 Psychiaters en psychologen en het postmodernisme. 10

Dirk De Wachter over de hedendaagse mens. 10

Carl Jung en het menselijk onbewuste. 11

Alexander Lowen. Je bent je lichaam. 12

1.4 Beelden, rituelen, mythes en het menselijk onbewuste. 12

Het Christendom en de Goden in het oude Egypte. 12

Nag Hammadi 1945. Gnostiek. 14

1.5 Het menselijk brein, de menselijke geest en de omgeving. 16

MacLeanover de  drie-eenheid van het brein. 16

Dick Swaab, we zijn ons brein. 16

De relatie tussen de geest en het brein. 17

Daniel Kahneman over de kracht van het onbewuste brein. 18

Dirk Bakker, overerving via epigenese. 19

Yuval Harari. Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid. 19

Samenvatting Deel I 21

Deel II Filosofen. 21

2. 1 De oude Grieken. 22

Plato. 22

Aristoteles en de ‘onbewogen beweger’ 22

Epicurus en zijn aandacht voor het genieten. 23

2.2 Rationalisme, Verlichting en Romaniek. 24

Descartes, de Rationalist 25

Kant, de Verlichtingsfilosoof 25

Rousseau, de Romanticus. 25

2.3 Fenomenologie als filosofische stroming. 26

Heidegger. Ons bestaan als geschenk. 26

Van de Vossenberg. De mens en zijn leefwereld. 27

Merleau-Ponty en de waarnemende mens. 27

Levinas en het gelaat van de Ander 28

Langeveld en zijn interpretatie van de opvoedingssituatie. 28

2.4 De rol van mythen en het onbewuste. 29

Lévi-Strauss. De mens zelf ingebed in mentale ordening. 29

Foucault, het onbewuste en de rol van de taal 30

Ricœur. De mens toch niet helemaal machteloos. 30

Samenvatting Deel II 31

Deel III Vernieuwende theologie. 32

3.1 Henk Berkhof 32

3.2 Harry Kuitert 33

3.3 Klaas Hendrikse. 33

3.4 Carel ter Linden. 36

3.5 Rochus Zuurmond. 38

3.6 Ton Veerkamp. 39

3.7 Hans Meijer 41

Samenvatting Deel III 42

Deel IV Thema’s. 43

4.1 Liberale theologie. 43

4.2 De Griekse Oudheid. 44

4.3 Mythologie die onbewust met mensen meegaat 44

4.4 Ontwikkelingen binnen de filosofie. 45

4.5 Het hiernamaals. 45

4.6 Hedendaagse godsbeelden. 46

4.7 Op zoek naar de menselijke geest 47

4.8 Je leeft maar een keer, geniet ervan! 48

Genieten en omgaan met teleurstellingen. Wat gaat er mis?. 48

Welke eisen stel je aan een verantwoorde opvoeding?. 49

Deel V. Mijn persoonlijke interpretatie en eigen visie. 50

5.1 Vragen die mij op een spoor zetten. 50

5.2 Liberaal Protestantisme. 51

5.3 Hoe de idee ‘hiernamaals’ is ontstaan. 52

5.4 Egyptische mythes en het vroege Christendom.. 52

5.5 Relatie tussen collectief onbewuste en religiositeit 52

5.6 The missing link. 53

5.7 Mijn godsbeeld. 54

5.8 Wanneer is je leven zinvol?. 54

5.9 Het verschil tussen zelfoverstijging en transcendentie. 56

5.10 Persoonlijke spirituele momenten. 56

Een eerste pinksterdag. 56

Religie en muziek. 56

Religie en kunst 57

Deel VI Beantwoording van de kernvragen. 57

 


 

Inleiding thema zingeving

 

In dit web staan de volgende kernvragen centraal.

- Wat is de zin van het leven?

- Wie ben ik gezien vanuit de psycho-wetenschappen,de  filosofie en de theologie?

 

Als docent aan een pedagogische academie hield ik me jarenlang bezig met onderwerpen uit de psychologie en de filosofische antropologie. Tijdens mijn pensioen, in 2018, ben ik me opnieuw in deze materie gaan verdiepen. Het bleek dat er veel, heel veel was om te bestuderen maar vooral ook om over na te denken.

Dit web is heel persoonlijk van aard. Het gaat steeds om de betekenis die ik geef aan de mij omringend

 

- In de delen I t/m IV geef ik een theoretische basis, een verdieping in de voor mij relevante  literatuur.

- In deel V Geef ik mijn eigen visie, op basis van de theoretische verdieping.

Deel I geeft een antropologische studie

De mens gezien vanuit verschillende standpunten.

Deze zijn in hoofdzaak psychologisch, daarnaast ook sociologisch en historisch.


Deel II geeft een aantal filosofische stromingen

De vraag daarbij is hoe deze stromingen hun bijdragen hebben geleverd aan mijn visie op de hedendaagse mens.

 

Deel III is een theologische literatuurstudie
De belangrijkste vraag daarbij is wat in dit vakgebied nieuwe inzichten zijn. Inzichten die mij verder op weg helpen bij de beantwoording van mijn kernvragen.

 

Deel IV
Geeft een aantal thema’s

 

Deel V
In dit deel geef ik mijn persoonlijke interpretatie en eigen visie. Gebaseerd op bovenstaande literatuurstudie.

 

Deel VI
Hier beantwoord ik kort mijn kernvragen.

 

 

Met dank aan Ds. Hans Meijer die mij tijdens de bijeenkomsten van zijn leerhuis inspireerde om me verder te verdiepen in onderwerpen zoals hierboven staan genoemd.

Bernard Sietses, 2019

 

 

Deel I Het mensbeeld in de psy-wetenschappen

 

Inleiding

 

In deze website denk ik zelf na over de ontwikkeling van de mens gedurende zijn hele leven. Daarbij maak ik gebruik van literatuur die voor mij relevant is. Wat ik schrijf wil ik ook tegenkomen in mijn eigen werkelijkheid, ik wil het zelf ervaren. Om die reden begin ik met de theorie van Maslow, een humanistisch psycholoog. Vervolgens ga ik door met de vraag hoe ik mijzelf verder zou willen ontwikkelen. Ik geef citaten uit die literatuur –met bronvermelding. 

Hieronder een aantal onderwerpen in deel 1.

- Mensen willen ‘zin geven aan hun bestaan’, ze willen niet voor niets geleefd hebben.

- Sommige mensen lopen vast in hun situatie. Ze roepen de hulp in van een psycholoog of psychiater.

- Er is een verband tussen het menselijk onbewuste en de religieuze mythen. Hoe is die precies?
- Het is de vraag of de menselijke geest ook in zijn brein te vinden is. Is die beïnvloedbaar?

1.1 De ontwikkeling naar zelfverwerkelijking en zelfoverstijging

Abraham Maslow over de menselijke ontwikkeling

 

Inleiding

Abraham Maslow (1908 – 1970) stelde dat elk gezond mens dezelfde behoeftes heeft, waaraan hij vervolgens gaat werken. Wanneer aan een behoefte min of meer is voldaan schuift de persoon op naar een volgend niveau. Het is niet mogelijk om bepaalde niveaus over te slaan.

De bedoeling is dat je als mens komt tot een psychologisch gezonde persoonlijkheid. Uitdrukkelijk wil ik hier zeggen dat lang niet iedereen gemotiveerd is op te klimmen naar het zesde niveau. Vandaar de volgende toelichting voorafgaand aan het zesfasen model:

De niveaus 1 en 2 zijn basisbehoeften. Ze zijn voorwaarden om te (blijven) leven.

De niveaus 3 en 4 zijn psychologische behoeften. Ze dragen bij tot een psychisch welzijn. Elk mens zal daar op zijn eigen wijze invulling aan geven.

De niveaus 5 en 6 liggen op het terrein van het ZIJN. Ofwel: being values. Het gaat daar om gemotiveerde mensen die niet alleen hun eigen talenten willen optimaliseren, maar ook zichzelf willen overstijgen.

 

Maslow en zijn model voor zes niveaus:

1. Fysieke behoeften.
 Voldoende water, voedsel, lucht, slaap en seksualiteit. De eerste vier zijn essentieel voor het overleven van het individu. Seksualiteit is voorwaarde voor overleving van de mensheid als soort.

2. Behoefte aan veiligheid. Hierin gaat het om bescherming, sociale en politieke stabiliteit.

 

3. Sociale inbedding. Het hebben van een goede relatie met een andere persoon of met mensen in het algemeen.

4. Waardering. Te onderscheiden in twee groepen:

a. Waardering door anderen. Waardering die van buitenaf komt zoals reputatie, status, prestige of sociaal succes. In het algemeen hoe anderen over ons denken en op ons reageren.

b. Zelfwaardering. Het vertrouwen in ons zelf. Ons zelf waardig en toereikend voelen.

5. Zelfverwerkelijking, verwerkelijking van de eigen talenten. 
Zelfverwerkelijking of  zelfactualisatie kan worden gedefinieerd als de optimale ontwikkeling, de verwerkelijking van de eigen talenten.


6. Zelfoverstijging
Deze behoeften komen pas later in het werk van Maslow meer expliciet aan de orde. De vraag is of je nog verder kunt groeien na niveau vijf. Het antwoord is bevestigend. Er bestaat nog een niveau en dat is zelfoverstijging.
Het bijzondere van mensen is dat ze het vermogen hebben zichzelf een wereld te scheppen. Ze zijn in staat de grenzen van het hier en nu te overschrijden. De vraag is of je dit vermogen ook de ruimte geeft.  Dat je het ontwikkelt.
Veel mensen zijn met zingeving bezig. Op allerlei manieren. Het gebeurt in een kerkdienst of mis, tijdens goede gesprekken, via het lezen van literatuur e.d. Daarbij gaat het om het opdoen van kennis maar zeker ook om het beleven van transcendentie.
Met name wanneer het in je leven anders loopt dan je had verwacht dan komt de vraag naar de zingeving nog meer naar boven. Vragen zoals ‘Waarom moet mij dit overkomen?’ ‘Waarom heeft niemand me meer nodig?’
Bron:
Abraham Maslow, Motivatie en persoonlijkheid, 1974
Abraham Maslow, Psychologie van het menselijk zijn, 1974

 

Frankl over de zin van het bestaan

 

Aansluitend op het zesde niveau van Maslow is de visie van Frankl over het belang van de zin en betekenis die een mens aan zijn eigen leven geeft.
 

De psychiater Viktor Frankl (1905 – 1997) werd vooral bekend als overlever van de holocaust.
Bij Maslow gaat het over mensen in
normale leefomstandigheden. Bij Frankl gaat het over mensenlevens in extreme situaties. Hij neemt zijn eigen ervaring als basis.  In zijn leven was namelijk plotseling alles ingrijpend veranderd. Hij werd in de Tweede Wereldoorlog gevangen genomen en afgevoerd naar het concentratiekamp Auschwitz en later Dachau. Hij maakte daar de meest gruwelijke dingen mee.

Hij kwam als een van de weinigen terug in Wenen en kon daar zijn werk als psychiater weer oppakken. Op basis van eigen ervaringen schreef hij zijn theorie. Daarbij stond de vraag centraal hoe het mogelijk is dat sommige mensen zoveel gruwelen kunnen overleven en anderen niet.

 

Welke visie heeft Frankl op psychische gezondheid?

 

In zijn visie op psychische gezondheid benadrukt Viktor Frankl het belang van de wil om zinvol te zijn. Deze blijkt van wezenlijk belang voor psychisch welzijn. Als het leven geen enkele betekenis meer heeft dan is er voor een persoon geen reden meer om te blijven leven.

De therapie van Viktor Frankl handelt dan ook over de zin of betekenis van het menselijk bestaan en de menselijke behoefte daaraan.

Het gebrek aan zin in het leven is volgens Frankl een neurose met als kenmerk: zinloosheid, doelloosheid en leegte.

De zin van het leven is sterk persoonlijk, uniek voor ieder individu. Hij verschilt van persoon tot persoon en zelfs van het ene moment op het andere.

 

Wat is de aard van de zelfoverstijgende persoon?

 

In de visie van Frankl is onze voornaamste motivatie in het leven niet het zoeken naar het zelf, maar naar zin.

In een bepaalde betekenis houdt dit in het 'vergeten' van onszelf. De psychisch gezonde persoon is voorbij de gerichtheid op het zelf gegaan, is boven deze uit gestegen. Volledig menselijk zijn betekent verbonden zijn met iemand of iets buiten het eigen zelf.

 

a. Zin vinden door middel van werk
Een van de kenmerken van de zelfoverstijgende persoon is de wijze waarop hij aan zijn (vrijwilligers-) werk gebonden is. Het gaat daarbij niet primair om de inhoud ervan, maar om de manier waarop hij er vorm aan geeft. Dit is wat zin geeft aan het leven. Wat belangrijk is, is niet het werk als uiterlijke kracht, maar wat we aan het werk geven in termen van onze persoonlijkheid als uniek menselijk wezen, als innerlijke kracht.

Omdat we zin vinden door middel van werk, niet in werk, kan zin gevonden worden door bijna elk soort werk.

b. Liefde ontvangen en geven

Nog een kenmerk van zelfoverstijgende personen is hun vermogen om liefde te ontvangen en te geven. Liefde is essentieel voor een mens.

Wanneer we bemind worden, worden we door een andere persoon aanvaard vanwege ons unieke en bijzondere wezen. Voor de persoon die ons bemint worden we onmisbaar en onvervangbaar.

De andere kant van een liefdesrelatie is het geven van liefde. Liefde ontvang je en je geeft. Je leert elkaar steeds beter kennen en je hebt steeds meer voor elkaar over.

In een wederkerige liefdesrelatie zie je elkaars specifieke kenmerken. Je kunt elkaar attent maken op verbeteringspunten. Beide partijen kunnen zichzelf verder ontwikkelen richting zelfoverstijging.

Bronnen:

D. Schultz, Groeipsychologie, 1977

V. Frankl, De zin van het bestaan, 1978

 

1.2 Zingeving in deze tijd, het Postmodernisme

 

Wat is postmodernisme en welk verband is er met de vorm waarin mensen zingeven aan hun leven?

 

Postmodernisme als cultuurstroming

 

Postmodernisme

 

Postmodernisme als cultuurstroming ontstond eind jaren 1950.

Kenmerkend voor deze stroming is de radicale twijfel aan waarheid zoals die geclaimd wordt door zichzelf legitimerende systemen.
Het gaat om ongeloof aan en wantrouwen tegen de ‘grote verhalen’ die waarheid claimen, zoals gebeurt in de politiek, de religie waaronder het christendom. Men proclameert het einde van de ideologieën. De inloed is goed te merken in de positie van christelijke kerken.

 De homo psychologicus

Jan De Vos ging in zijn studie op zoek naar achtergronden van de psychologisering van tal van domeinen, zoals de media, de politiek en zelfs de economie. 'In deze tijden van globalisering is het niet meer religie of ideologie maar het academische kompas van de psychologie dat ons de richting wijst.' (p. 15) Het ergste is misschien nog wel dat tegenwoordig ook de psy-wetenschappen al te vaak staan te dringen om als 'exacte' wetenschappen bekeken te worden of dat te veel mensen staan te dringen om de psy-wetenschappen zo te benaderen, waardoor het kritisch vermogen van de bedrijvers van zo' n psy-wetenschap al gauw op de tweede plaats komt te staan. Nu men ook in de psychologie steeds meer bezig is met chemische stoffen, hersengebieden en statistieken, is de vraag wat er bij dat alles nog overblijft van de mens als subject’.
Waar die psychologisering vandaan komt, is volgens De Vos vrij eenvoudig te verklaren als het tot volle wasdom komen in de late moderniteit van de 'homo psychologicus', de moderne mens die in de verlichting werd geboren als een fundamenteel psychologisch subject.
Bron: Jan De Vos, psycholoog en filosoof. Psychologisering in tijden van globalisering, 2011

 

Zingeving en religieuze instituten

 

‘Voor miljoenen Nederlanders speelt religie op de een of andere manier een rol in hun leven, terwijl ze zich niet in de vertrouwde kaders van de religieuze instituten ophouden. Je zou het doe-het-zelfreligie kunnen noemen: in hun zoektocht naar zingeving stelt een groeiende groep mensen uit een breed spectrum van religieuze, levensbeschouwelijke en spirituele tradities hun eigen geloofspakket samen. Het verschijnsel wordt ook wel ‘multiple religious belonging’ genoemd.
De vertrouwde religieuze instituten kunnen van dat geloofspakket deel uitmaken, maar het hoeft niet. En ook al noemen de mensen die aan deze vorm van religieuze meerstemmigheid doen zichzelf niet religieus, het betekent niet dat religie in hun leven geen rol speelt.’

Bron: Nico de Fijter, dagblad TROUW, 15 juli 2018

 

Zingeving in Protestantisme en Katholicisme

Interessant is om te zoeken naar de kerkelijke historie van zingeving. Waar ging het precies om? Welke vorm werd er aan gegeven? Welke ontwikkeling is te zien in de 16e eeuw, en in de eeuwen daarna?

 

a. Protestantisme als godsdienst van de innerlijkheid

Ger Groot: ‘Het protestantisme, dat ca. 1700 in de toonaangevende Duitse staten, op politiek-cultureel vlak dominant was, is bij uitstek de godsdienst van de innerlijkheid. Het neemt het evangelie serieus dat wie zich wil richten tot God, geen tempel nodig heeft, maar kan volstaan met de eigen binnenkamer.

In het protestantisme verschijnen er eigenlijk maar twee spelers op het toneel: de mens staat oog in oog met de Allerhoogste. Tussen hen beiden is niets: geen kerk, geen hiërarchie, geen leergezag, geen uitwendigheid. God kijkt de mens direct in de ziel en het is de ziel van de mens die zijn waarde uitmaakt. Gelooft hij? Dat was de vraag die het centrale criterium was voor redding of verdoemenis, sinds Luther zijn principe van het sola fide ('alleen door geloof') formuleerde. Alleen het geloof maakt heilig.

 

b. Protestantisme en katholicisme

De verhouding tot God was voor de katholiek nooit onbemiddeld: die verliep via aardse tussenpersonen (de clerus en de kerk) en hemelse (heiligen en de Maagd Maria). Daardoor voelde de katholiek zich veel minder direct geobserveerd door het vorsend oog van God.
Zijn innerlijk bleef altijd een beetje diffuus - ook voor zichzelf. Hij beleefde zijn geloof meer aan de buitenkant: in vaste riten, op bepaalde (heilige; plaatsen, in handelingen en voorgeschreven gebeden.

Heilige plaatsen kent het protestantisme niet: geen enkele plaats is het meest nabij God, aangezien God overal is. Hij is vooral dáár waar ikzelf ben: in mijn eigen innerlijk. Ook riten en vaste gebeden kent het protestantisme niet of nauwelijks. Het Onze Vader, waar men nu eenmaal niet omheen kon omdat Jezus het zijn volgelingen zelf geleerd had, is er een schaarse uitzondering op. Wanneer de protestant zich richt tot God, dan gebeurt dat vanuit de spontaniteit van het zuivere, eigen innerlijk. Want alleen in die oorspronkelijkheid laat hij zien wie hij is. En om de vraag wie hij is, daarom gaat het.
De eigen wijze waarop de piëtistische en vervolgens romantische gelovige God zoekt, mondt daarmee vanzelf uit in de plicht om trouw te zijn aan zichzelf. Het zijn niet langer algemene waarden, waarheden of principes die voor de mens en zijn zielenheil van belang zijn’.
Bron: Ger Groot, De geest uit de fles, 2017, pg 137 ev

 

c. Het protestantisme: de weg naar zelfrealisatie. Word wie je bent.

Ger Groot: ‘Het gaat om het vinden van de eigen weg, die aanvankelijk leidt naar God, vervolgens naar het goede, naar een goed leven en ten slotte naar zelfrealisatie, zoals het aan het eind van de twintigste eeuw zal gaan heten, inmiddels los van iedere religieuze context. Ieder mens heeft de opdracht zijn volstrekt particuliere eigenheid te verwerkelijken: daarin ligt zijn unieke waarde. Nietzsche zal het tot zijn lijfspreuk maken: Word wie je bent. Het existentialisme zal deze gedachte op zijn beurt centraal stellen. Bij Heidegger wordt het eigenlijkheid (Eigentlichkeit), bij Sartre authenticiteit’.

 

d. Ieder mens zoekt God op zijn eigen wijze, en hij zal hem op zijn eigen wijze vinden.

 

‘De mens werd in het protestantisme enerzijds theoretisch abstract en anderzijds volstrekt particulier. Veel meer dan het katholicisme legde het protestantisme het primaat bij de spontane individualiteit. Ieder mens zoekt God op zijn eigen wijze, en hij zal hem op zijn eigen wijze vinden. Die individualiteit leidt er ten slotte toe dat ieder mens het heil langs volstrekt eigen lijnen op het spoor komt. De romantische geest volgt het protestantisme daarin. De bestaande vormen waarin een mens van oudsher zijn levensvervulling zoekt via een al dan niet kerkelijke gemeenschap, worden hem al snel te uitwendig en te ritueel: alles moet voortkomen uit de eigen ziel, uit zuivere oorspronkelijkheid’.

Bron: Ger Groot, De geest uit de fles, 2017, pg 137 ev

 

1.3 Psychiaters en psychologen en het postmodernisme

 

Inleiding

 

In deze tijd van postmodernisme lopen veel mensen vast door psychologische problemen veroorzaakt door de veel eisende samenleving. Het veroorzaakt spanningen die iemand zelf niet meer aan kan. Als het religieuze instituut is weggevallen, het in groepen transcendentie beleven, een gesprek kunnen hebben met pastor of dominee, wie kan ze dan nog helpen?

Het zijn psychiaters en psychologen die in de bres springen. Hieronder enkele van hen met elk een eigen visie.

Dirk De Wachter over de hedendaagse mens

Actueel is het werk van de psychiater Dirk De Wachter, geb. 1960, hoogleraar aan de KU Leuven, tevens verbonden aan het Universitair Psychiatrisch Centrum van Kortenberg.

Onderstaand vier van zijn boeken. Bijzonder interessant is ook om zijn eigen verhalen via youtube te beluisteren.

 

2012 Borderline times. Het einde van de normaliteit

In de psychiatrie is borderline met voorsprong de meest gestelde diagnose. Bovendien is de lijn tussen patiënten en niet-patiënten flinterdun.
Zijn wij collectief op weg naar ziekte en ongenoegen? Zijn we op weg naar verbrokkeling, impulsiviteit en zinloosheid?
Mensen gaan zich verzetten tegen deze symptomen. Ze willen opnieuw de waarde inzien van hechting, engagement, solidariteit en gemeenschapszin.

Al te veel  zelfverwerkeling –zie de theorie van Maslow- leidt tot individualisme en daarmee eenzaamheid. De kern van mens-zijn is relatie met de medemens.

Lees een artikel…


Beluister ook de video

 


2019 De kunst van het ongelukkig zijn,
Onze samenleving is er een geworden van de hoogste pieken, van het steeds beter, verder en hoger. Wat erger is: we staan er bijna niet meer bij stil dat die pieken de laagtes niet opvullen. We zien geen onderscheid tussen wat ons heel even gelukkig maakt en wat het leven echt zin geeft.

Een verdere verdieping, lees…


Beluister ook de video

 

Beluister meerdere video-opnamen van deze psychiater  

 

Carl Jung en het menselijk onbewuste

 

Inleidend

Het gedachtegoed van Carl Jung geeft een stevige onderbouwing voor de bevindingen van moderne wetenschappers als Dirk De Wachter en Daniel Kahneman.

Nog sterker, Carl Jung geeft een basis voor de opvatting dat, vanwege het menselijk onbewuste, symbolen en mythen worden overgedragen van de ene generatie op de andere, eeuwen lang.
Vele godsdiensten, ook het Christendom, worden hierdoor gekenmerkt zoals ik beschrijf
bij de bespreking van het werk van Tjeu van den Berk.

 

De psychoanalyse van Jung

Carl Gustav Jung (1875 – 1961) kreeg zijn opleiding als psychiater binnen de school van Freud, de psychoanalyticus. Het onbewuste stond daarin centraal. Waaruit bestaat dit? Welke invloed heeft dit op jou als mens?

Jung: ‘Naast een bewuste, een persoonlijke onbewuste heeft elk mens een collectief onbewuste. Dit laatste leidt al het tegenwoordige gedrag en vormt zo de machtigste kracht in de persoonlijkheid. We moeten er echter aan denken, dat deze vroege menselijke ervaringen onbewust zijn.‘
Het zijn de archetypen die inhoud geven aan dit 'collectief onbewuste' (archè = oorsprong). Het duidt de tegenwoordigheid aan van enkele psychische vormen die altijd en overal aanwezig zijn. Het is een soort oorspronkelijk patroon waarnaar andere, soortgelijke zaken worden gemodelleerd.
Jung identificeerde en besprak vele archetypen in de loop van zijn werk; bijvoorbeeld geboorte, dood, macht, god, de duivel en de aardmoeder. Er zijn evenveel archetypen als er typische, zich herhalende ervaringen zijn in de menselijke geschiedenis.

Er is een punt dat beklemtoond moet worden met betrekking tot archetypen: het zijn geen volledig ontwikkelde herinneringen of beelden in onze geest die we duidelijk kunnen 'zien'. We zijn ons niet van hen bewust. Zij beïnvloeden ons als tendensen, neigingen die bestaan op een onbewust niveau.

Lees verder over de theorie van Jung

 

Alexander Lowen. Je bent je lichaam.

 

Alexander Lowen heeft als centrale stelling ‘Je bent je lichaam’. Hoe gaat hij daarmee aan het werk als hulpverlener?


Bio-energetica
Alexander Lowen (1910 – 2008) was een Amerikaans psyhotherapeut. Hij ontwikkelde in de tweede helft van de 20e eeuw onder de naam  ‘Bio‑energetica’ een psychologische theorie waarbij hij een link legt tussen lichaam en geest. Volgens deze theorie worden negatieve levenservaringen in de vorm van spierspanning ‘opgeslagen’ in het lichaam.

Uiteindelijk leiden de spanningen tot een negatief lichaamsgevoel, minder beweeglijkheid, een moeizame ademhaling en een verstoorde lichamelijke energiestroom. Ook kunnen er spanningen in het lichaam en in sociale relaties ontstaan, en kan de stemming, vitaliteit, levenslust en het zelfvertrouwen negatief worden beïnvloed.

Levensenergie

Binnen de bio-energetica is het concept van levensenergie belangrijk. De essentie van levensenergie is de voortdurende cyclus tussen spanning en ontspanning, tussen opladen en ontladen. Deze energiestroom kan worden geblokkeerd door spanningen in het lichaam, waardoor de beschikbare energie niet vrijuit kan worden gebruikt. Bio-energetische therapie is erop gericht door middel van lichamelijke oefeningen het evenwicht in de energiestroom terug te brengen en blokkades op te heffen. Bio-energetische therapie wordt meestal toegepast als individuele psychotherapie.

Therapie

Voor een bio-energetische therapiesessie wordt meestal een thema gekozen dat aansluit op de huidige beleving van de cliënt. Dat kan bijvoorbeeld een gezondheidsklacht zijn, of een recente ervaring. Dit thema wordt dan geanalyseerd, waarbij de focus bij het lichaam ligt. De cliënt leert hierbij de gevoelens en signalen die het lichaam afgeeft te herkennen, en wordt zich bewust van hun betekenis. Vervolgens worden er bio-energetische oefeningen gedaan. Deze lichaamsoefeningen bestaan onder andere uit ademhalingsoefeningen, dans, vibratie, massage en meditatie.
De bio-energetische oefeningen hebben als doel het herstel van de natuurlijke energiestroom van het lichaam, de levensenergie. De negatieve effecten van de spanningsblokkades in het lichaam kunnen hierdoor verminderen.

Bronnen:
Alexander Lowen, Bio-energetica, 1975

Alexander Lowen, Depressies in het lichaam, 1975

Alexander Lowen, Leven zonder angst, 1981

 

1.4 Beelden, rituelen, mythes en het menselijk onbewuste

 

Het Christendom en de Goden in het oude Egypte

 

Het werk van Carl Gustav Jung, de ideeën in het Oude Egypte en het Christendom zijn nauw aan elkaar verbonden. Hoe? Daarover gaat het hieronder.

 

Het Christendom geënt op de ideeën van het Oude Egypte.

Om veel beter te begrijpen en daardoor minder afhankelijk te zijn van een geloof in ongeloofwaardige verhalen, geeft Tjeu van den Berk, geb. 1938, de nodige duidelijkheid.

Hij beschrijft hoe ‘tal van waarheden die men christelijk is gaan noemen, al duizenden jaren eerder in het Nijldal bestonden, zoals: goddelijk zoonschap, maagdelijke geboorte, goddelijke drie-eenheid, verrijzenis uit de dood, verblijf in de onderwereld, onsterfelijke ziel, heilige maaltijd, de moedergodin.
De belangrijkste inzichten die het vroege christendom omtrent haar eigen identiteit ontwikkelde, blijken bij nader inzien voor een belangrijk deel geënt te zijn op levensbeschouwelijke ideeën van het Oude Egypte. Dat bewustwordingsproces vond met name plaats in een stad als Alexandrië. Daar vinden we ook de eerste grote christelijke theologen’.

Een priester uit het Memphis van 2000 v.Chr. zou, zonder zijn voorhoofd te fronsen, in de geloofsbelijdenis van Nicea, 325 na Chr. opgesteld, zijn eigen opvattingen herkend hebben. De concilievaders zouden wel hevig hun wenkbrauwen opgetrokken hebben als hun toen gezegd was dat hun theologie over de drie-eenheid in wezen niet verschilde van die van de Thebaanse priesters onder Ramses II. Maar zij wisten ook hoegenaamd niets meer van deze traditie. De Egyptische taal was tegen die tijd een gesloten boek geworden.


De doorwerking via het onbewuste

 

De Egyptische invloeden moeten veelal op onbewust niveau hebben doorgewerkt. Het groepje vroeg-christelijke Alexandrijnen was zich hoogstwaarschijnlijk niet bewust van de archaïsche oorsprong van hun overtuigingen. Maar het onbewuste manifesteert zich aan ons dagelijks bewustzijn ook nooit volgens bewust aangelegde maatstaven; het manifesteert zich autonoom en spontaan bij de gratie van intuïties, beelden, dromen, visioenen, symbolen en rituelen.
Carl Gustav Jung heeft de visie uitgewerkt dat de diepten van de geest veel verder reiken dan de persoonlijke en culturele context.

 

Het is verrassend om te zien dat niettegenstaande dit Egyptische collectieve onbewuste, het christendom in Alexandrië ook sterke joodse wortels had. Het was echter een jodendom dat van een hellenistische, vrijzinnige geest vervuld was.

Dit stond op gespannen voet met het monotheïstische, ritueel strikte jodendom in Jeruzalem, en dat met name te vinden was in de diaspora.

In de tweede eeuw is dit hellenistische jodendom uit de geschiedenis verdwenen (verbannen moet men zeggen), maar in de eeuwen rond het begin van onze jaartelling was het zeer krachtig.

 

Oud-Egyptische symbolen

 

In de filosofie van dit jodendom hadden juist ook Oud-Egyptische symbolen een plaats, zoals een drie-ene god en een maagdelijk moederschap. Zo werd in de (eerste) tempel van Salomo nog een godenpaar vereerd met hun kind: Yahweh, Asjera en hun dochter Anath.

Lees hoe God de Moeder vooraf ging aan God de Vader…


Als in 622 v.Chr. de grote Yahwistische hervorming plaats vindt (één god, één tempel, één koning), vertrekken en vluchten duizenden joden, met name naar Egypte, hun triadisch godsbeeld meenemend. En de keuze voor Egypte was niet toevallig. Want waar wordt men meer overweldigd door goddelijke triniteiten dan in dit land?

Elk groot tempelcomplex had zijn eigen godenpaar en -kind(eren). Het jodendom dat deze uit Israël en Judea gevluchte joden gestalte gaan geven in Alexandrië, dit diaspora-jodendom, daaruit met name ontstaat het type christendom dat wij nu kennen.

 

De godsdienstfenomenologen hebben ons geleerd op wat voor wijze de eerste christenen in hun levensbeschouwing aansloten bij de mythen en symbolen van de Oude Egyptenaren, hoe een dergelijk symboliseringsproces in zijn werk ging. Het is niet zo, stellen zij, dat de christenen die beelden bewust ontleenden aan andere culturen, maar dat die beelden zelf, hen onbewust dreven. Een beeld, elk beeld, is van binnenuit gericht op de vervulling van zijn zin. Afdalen in het water van het Osireion in Abydos of in het baptisterium in Rome beantwoordt aan een identiek, onbewust verlangen, namelijk dat van ingewijd (willen) worden. Dat is inherent aan de symboliek van de wijze waarop water in onze verbeelding bestaat.

Doordat het christendom de beelden en rituelen overnam van natuurgodsdiensten zoals de Egyptische, nam het tevens hun krachten en inwerkingen op de diepste lagen van de psyche mee.

 

Tjeu van den Berk, Katholieke Theologische Universiteit Utrecht.
Lees het hele artikel… 

 

 

Nag Hammadi 1945. Gnostiek.

 

Gnostiek in het oude Alexandrië, Egypte

 

De gnostiek ontstond in de eerste eeuwen na Christus. Het was een religie waarbij de verwerving van gnosis centraal stond. In het oude Alexandrië heerste hierover veelvuldig discussie met als centraal thema dat ‘de mens afkomstig is uit een goddelijke wereld en dat hij in zijn aardse situatie een goddelijke kern in zich draagt’.

 

Het klooster bij Nag Hammadi, 1945

De vondst van oude gnostische teksten uit de begintijd van het christendom bracht een schokgolf teweeg. Ze waren in de vierde eeuw door de kerk verboden en hadden vernietigd moeten worden. Maar monniken van een klooster bij Nag Hammadi verstopten ze in een kruik en begroeven ze. Het duurde nog tot 1945 tot ze weer gevonden werden.
Uit die teruggevonden teksten komen een heel andere Jezus en een heel andere visie op de mens tevoorschijn dan die we kennen uit het kerkelijke christendom. Jezus is daar geen wonderen doende god, maar een boodschapper die de mens oproept zichzelf te herinneren: 'Mens sta op en herinner jezelf'.
Kern van de gnostische zienswijze is dat in elk mens een innerlijk weten van liefde woont, de gnosis. Maar die gnosis kan verduisterd raken. De gnostiek als spirituele traditie biedt de mens een weg naar de bevrijding van de liefde in hemzelf.

Bron: Bram Moerland: Gnosis en gnostiek, wat is dat? 2017 Samenvatting achterzijde boek.

Gnostiek en de goddelijke vonk die in elk mens schuilt

‘De gnostici stelden de innerlijke gnosis boven elk uiterlijk gezag. De gnostici verkondigden dat Jezus hun had geleerd dat liefde de kernkwaliteit is van de gnosis. De gnosis is het innerlijk weten van de liefde. De gnosis als het weten van de liefde is een goddelijk weten, want het is verbonden met de goddelijke bron van het bestaan waaruit alle mensen voortkomen.
In elk mens schuilt een goddelijke vonk, leerden de gnostici. Maar de meeste mensen zijn daar onwetend van. Als spirituele traditie biedt de gnostiek een weg om de mens in staat te stellen zich weer met die innerlijke vonk te verbinden. Wie die verbinding heeft hersteld, beschikt ten gevolge daarvan over gnosis.
Door de gnosis is de individuele mens voor zichzelf de hoogste morele autoriteit. De gnosticus is zijn eigen wetgever, maar ook zijn eigen hoogste rechter. Morele gedragsregels voor de samenleving worden door vrije mensen onderling afgesproken, niet door een externe autoriteit opgelegd, vonden de gnostici.’
Bron: Bram Moerland: Gnosis en gnostiek, wat is dat?


Commentaar Kuitert op gnostiek


Kuitert: ‘De Gnostiek heeft de hele antieke cultuur doortrokken en heeft ook het Christendom niet onberoerd gelaten. Gnostiek gaat van een tweedeling uit: een mens heeft een lichaam plus een goddelijke vonk. Zijn eigenlijke wezen is die vonk, dat licht verspreidende, de mens op zijn weg verlichtend goddelijk licht. Daarmee is de gnostiek een verlossingsreligie, en niet wat ik zou noemen een menswordingsreligie. En verlossing is uiteindelijk de verlossing uit het lichaam, daar keert alle gnostiek altijd weer naar terug. Het lichaam sterft, maar je goddelijke kern blijft eeuwig, is onsterfelijk.’

Kuitert: ‘Ik ben vooral geïnteresseerd in die tweeheid, het dubbele dat in de klassieke gnostische visie op de mens is vervat. De gnostiek geeft te veel en te weinig, ze doet tekort aan wat ik de upgrading van de mens heb genoemd, en overdrijft het. De mens krijgt er bij hen als het ware wat bij, zeggen ze, en dan niet maar voor een tijd, maar voor eeuwig. Maar zo zie ik dat niet. Geest is niet iets wat hij erbij krijgt, een mens is niet lichaam plus ook nog licht dat innerlijk schijnt, en je weg verlicht, de goddelijke kern als de tijd verdurend element, nee, de mens is geest.
En het lichaam is niet een kerker, een behuizing voor de goddelijke vonk, die klapwiekend omhoog stijgt, de eeuwigheid in, als een mens sterft. Dat is speculatie van filosofen, ze stamt al van voor de tijd van Plato.’
Bron: Kuitert, 2002 ‘Voor een tijd een plaats van God’ pg 154 e.v.


1.5 Het menselijk brein, de menselijke geest en de omgeving

 

MacLeanover de  drie-eenheid van het brein


Inleiding

Mijn zoektocht naar zelfoverstijging gaat verder in een nadere bestudering van het menselijk brein. De bijdrage van Paul MacLean geeft eenvoud en daarmee duidelijkheid.

De vraag is wat Dick Swaab, vanuit zijn neurobiologische visie, kan bijdragen met zijn stelling  dat ‘de natuurkundige en chemische processen in onze hersenen bepalen hoe we reageren en wie wij zijn’.

Vervolgens is de vraag of Dick Swaab duidelijkheid kan geven over de positie van de menselijke geest. Daarnaast geef ik ook Yuval Harari het woord met zijn meer ‘menselijke’ benadering.

Jaren 1950. Ons menselijk brein als een drie-eenheid


Paul MacLean
( 1913 – 2007) ontwikkelde in de jaren 1950 de theorie van het "drie-enige brein". Deze theorie heeft tot het midden van de jaren 1980 een belangrijke rol gespeeld in de manier waarop wetenschappers over het menselijke brein dachten. Daarna werd hij door de nieuwe technologische ontwikkelingen ingehaald. Toch geef ik het "drie-enige brein" hier een plaats omdat het zeer interessant is er kennis van te nemen.


Een beknopt overzicht:

- reptielenbrein. Onze instincten: het wilde beest in ons dat er enkel op gericht is te overleven. Bijvoorbeeld een agressieve pikhiërarchie zoals die bij kippen voorkomt.
- limbische brein. Onze emoties: alle positieve gevoelens zoals liefde, genegenheid, maar ook negatieve zoals angst en verdriet.

- neocortex. Ons verstand, waarin: kennis, het leervermogen, het gebruiken van een taal, het analyseren en oplossen van problemen, creativiteit, logisch denken, enz.

 

Lees een kort en overzichtelijk artikel hierover.

 

 

Dick Swaab, we zijn ons brein

 

De neurobioloog Dick Swaab gaat ervanuit dat ons brein in onze gehele persoonlijkheid ligt opgeslagen. We hebben geen hersenen maar we zijn onze hersenen: de natuurkundige en chemische processen in onze hersenen bepalen hoe we reageren en wie wij zijn.


In de laatste decennia zijn wetenschappers er dankzij onderzoek op terreinen als de neurowetenschap en de gedragseconomie in geslaagd om de mens te hacken en met name veel meer inzicht te krijgen in de manier waarop mensen beslissingen nemen. Wat blijkt nu? Onze keuzes op het gebied van allerlei zaken, van voeding tot partners, vloeien niet voort uit een mysterieuze vrije wil, maar uit miljarden neuronen die in een fractie van een seconde allerlei kansberekeningen uitvoeren.

De veelgeprezen 'menselijke intuïtie' is gewoon een kwestie van patroonherkenning.' Goede chauffeurs, bankiers en juristen hebben geen magisch intuïtief inzicht in de werking van het verkeer, investeringen of onderhandelingen, ze herkennen gewoon bepaalde repeterende patronen en kunnen daardoor onvoorzichtige voetgangers, onverstandige leners en oneerlijke boeven identificeren en proberen te vermijden.

Verder blijkt dat de biochemische algoritmen in de menselijke hersenen verre van perfect zijn. Ze werken met heuristieken, shortcuts en verouderde circuits die beter zijn aangepast aan het leven op de Afrikaanse savanne dan aan het hectische bestaan in de grote stad. Geen wonder dat zelfs goede chauffeurs, bankiers en juristen soms domme fouten maken. Dit houdt in dat, AI - artificiële intelligentie - de mens zelfs kan overtreffen in taken die zogenaamd 'intuïtie' vereisen.
Bronnen:
Dick Swaab, We zijn ons brein, 2010;
Dick Swaab, Ons creatieve brein, 2016;

 

De relatie tussen de geest en het brein

 

Een bijzondere vraag binnen de studie rondom het menselijk brein is of daarin iets van spiritualiteit – een menselijke geest - is te ontdekken. Hierover zie je standpunten die sterk van elkaar verschillen.

Is de menselijke geest een gedeelte van het brein?

 

a. visie Harari:
‘De wetenschap heeft moeite om de mysteriën van de geest te ontcijferen en dat komt voor een groot deel doordat we daar geen efficiënte middelen voor hebben. Veel mensen, onder wie veel wetenschappers, verwarren de geest vaak met de hersenen, maar eigenlijk zijn het twee heel verschillende dingen. De hersenen zijn een materieel netwerk van neuronen, synapsen en biochemische stofjes. De geest is een stroom van subjectieve ervaringen, zoals pijn, genot, woede en liefde.

 

Biologen gaan ervan uit dat de hersenen op de een of andere manier de geest voortbrengen en dat biochemische reacties in miljarden neuronen op de een of andere manier ervaringen voortbrengen als pijn en liefde.
Tot dusver hebben we echter geen enkele verklaring voor de manier waarop de geest voortvloeit uit de hersenen. Hoe komt het dat ik pijn voel als miljarden neuronen elektrische signaaltjes afvuren in een bepaald patroon en dat ik liefde voel als ze dat in een ander patroon doen? We hebben geen flauw idee.


Hersenonderzoekers maken grote vorderingen dankzij hulpmiddelen als microscopen, hersenscanners en krachtige computers, maar we kunnen de geest daar niet mee bekijken. Die apparaten stellen ons in staat om biochemische en elektrische activiteit in de hersenen te bespeuren, maar ze vertellen ons niets over de subjectieve ervaringen die daarmee samenhangen. In 2018 is de enige geest waar ik rechtstreeks bij kan nog steeds mijn eigen geest.

Bron: Harari, 21 lessen voor de 21e eeuw, 2018, pg 381

 

b. visie Dick Swaab:
‘Voor mij is de meest interessante vraag in relatie tot het geloof niet of God bestaat, maar waarom zoveel mensen religieus zijn. Er zijn zo'n 10000 verschillende religies, en die zijn er allemaal van overtuigd dat er maar één fundamentele waarheid bestaat en dat juist zij het ware geloof bezitten.’

 

Spiritualiteit is de ontvankelijkheid voor religie, en die is voor 50% genetisch bepaald, zoals blijkt uit tweelingonderzoek. Spiritualiteit is een eigenschap die ieder mens in een bepaalde mate heeft, ook zonder dat men tot een bepaalde formele kerk behoort. Religie is de lokale invulling van onze spirituele gevoelens.

De keuze om wel of niet religieus te worden is zeker niet 'vrij'. De omgeving waarin je opgroeit, zorgt ervoor dat tijdens de vroege ontwikkeling de religie van de ouders wordt vastgelegd in onze hersencircuits, op een soortgelijke wijze als onze moedertaal. Chemische boodschappers spelen een rol bij de mate waarin we spiritueel zijn.

 

Na de geboorte vindt de religieuze programmering van het brein van het kind plaats. Jonge kinderen hebben helemaal geen geloof  maar het is er bij hen door de christelijke, islamitische of joodse ouders ingeprent in de vroege ontwikkelingsperiode waarin ze hiervoor zeer gevoelig zijn.

Kinderen leren niet wat ze moeten denken, maar hoe ze moeten denken

 

Het ingeprogrammeerde geloof is een bijproduct van een andere eigenschap van de kinderlijke hersenen die een groot evolutionair voordeel heeft. Kinderen moeten van de ouders en andere autoriteiten onmiddellijk en zonder discussie waarschuwingen aannemen en aanwijzingen opvolgen, willen ze niet voortdurend in groot gevaar komen. Als keerzijde van deze eigenschap zijn kinderen lichtgelovig. Indoctrinatie op jonge leeftijd is dan ook gemakkelijk. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het alom aanwezig blijven van het geloof van de ouders. Het na-apen, dat de basis is voor ons sociaal leren, is een uitermate efficiënt mechanisme.

Bron: Gedeelten uit Dick Swaab, We zijn ons brein, 2010, hfd XVI, pg 321-325

 

In zijn hoofdstuk ‘spiritualiteit en geloof’ schrijft Swaab: Het is Dean Hamer die een gen heeft gevonden waarin kleine variaties de mate van spiritualiteit bepalen’.
Bron: Swaab in ‘Ons creatieve brein, 2016, hfd V pg. 106.

 

Daniel Kahneman over de kracht van het onbewuste brein


Inleiding

De psycholoog Daniel Kahneman (geb. 1934) toont aan dat mensen in zeer veel situaties vanuit intuïtie, het onbewuste, hun beslissingen nemen. Het optimisme van Dick Swaab wordt daardoor toch wel behoorlijk terug gedrongen. Wat heeft Kahneman te zeggen?

 

95% intuïtief tegenover 5% rationeel

Kahneman laat in een recent onderzoek zien hoe groot de rol is van de menselijke intuïtie waarin het onbewuste en de routine de dienst uitmaken. Mensen blijken 95% van hun dagelijkse beslissingen op intuïtieve basis te nemen!

Slechts 5% van de genomen beslissingen zijn rationeel doordacht.

Twee soorten denkprocessen

Kahneman ontdekte niet alleen twee soorten van denkprocessen in ons brein, het intuïtieve en het rationele. Hij toonde aan hoe de twee denksystemen tot totaal verschillende uitkomsten kunnen komen. Zelfs met dezelfde informatie. Hij heeft vooral de kracht van ons onbewuste brein onthuld. We denken allemaal dat we rationeel denkende mensen zijn die nadenken over te nemen beslissingen. Het tegenovergestelde blijkt het geval; we zijn (bijna) helemaal irrationeel. Dit blijkt voor ons een overlevingsmechanisme.

 

Leer verder, iets meer gedetailleerd en schematisch, over bovenstaand onderzoek… 



Dirk Bakker, overerving via epigenese

De  neuropsycholoog Dirk Bakker, geb. 1935, gaat ervan uit dat alle leven voortdurend wordt gevormd, van het begin tot aan het eind van ons bestaan. Het is niet uitsluitend het menselijk brein dat het gedrag bepaalt zoals Dick Swaab veronderstelt.  Bakker geeft aan dat er ook een belangrijke invloed uitgaat van de sociale, immateriële omgeving.

Een paar uitspraken van Dick Bakker:

- Overerving langs epigenetische weg, simpel gezegd, overerving buiten de inhoud van de genen om, is een gegeven waar je niet omheen kan.

- Omgevingsinvloeden veranderen niet alleen het functioneren maar ook de structuren van de hersenen.

- De opvoedings- en leefomgeving kunnen er voor zorgen dat volgende generaties de gevolgen ervan overerven.

- Genen moeten tot expressie komen als er werk aan de winkel is. Een gen moet worden geopend of  juist gesloten. Wie of wat doet dat?  Dit gaat via een reeks processen die in gang gezet kunnen worden. Dit gebeurt door wat ons aanwaait aan onstoffelijke zaken zoals stress en verwaarlozing dan wel rust en aandacht. Het fascinerende is nu dat de eigenschap van een gen ‘open of dicht’, overgedragen kan worden aan de volgende geslachten.

Bron:
Dick Bakker, 10 artikelen in ‘Contactblad’, Nieuwkoop, 2014/2015

Lees verder…

 

Yuval Harari. Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid

 

Inleiding
De publicatie van Yuval Harari (geb. 1976) heb ik geplaatst onder deel 1, psy-wetenschappen, terwijl het boek ook nauwe verbindingen heeft met de filosofie en theologie.
Het boek ‘Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid’ , 2011, is het verhaal over de homo sapiens, vanaf de steentijd tot aan de 21e eeuw . De centrale vraag van het boek luidt: hoe heeft de mens kunnen evolueren van een onbeduidende soort in een uithoek van Afrika tot de hedendaagse heerser over alle levensvormen wereldwijd?  Hieronder een samenvatting.


1. cognitieve revolutie

Volgens de schrijver was er 70.000 jaar geleden sprake van een cognitieve revolutie: de mens verwierf betere hersenen, waardoor hij meer greep kreeg op de wereld en zijn taalvermogen uitbreidde. Door taal was hij in staat om sociale relaties te benoemen (Harari noemt dit toepasselijk “roddeltaal”) en om te communiceren over abstracte begrippen, zoals goden, het leven na de dood, eer en rechtvaardigheid. De mens dankt zijn bestaan op deze aarde aan zijn vermogen om gemeenschappelijke verhalen te verzinnen, waarmee we samen kunnen leven en werken. Het uitwisselen van sociale informatie en gemeenschappelijke mythen maakte het samenwerken in grotere groepen mogelijk. 70.000 jaar geleden verliet de homo sapiens Oost-Afrika en werd hij in vrij korte tijd de baas in het Midden-Oosten, Europa en Oost-Azië. De Neanderthalers die daar woonden waren groter en meer gespierd, maar ze konden minder goed in groepen vechten en stierven uit.


2. De agrarische revolutie
De tweede revolutie was de overgang van het jagen naar de landbouw, ruim 11.000 jaar geleden. De landbouw maakte het mogelijk meer monden te voeden en voedselvoorraden aan te leggen, waardoor grotere dorpen en steden konden ontstaan. Harari beschouwt de geschiedenis niet als een proces van continue vooruitgang, en de agrarische revolutie niet als een onverdeeld succes. De eerste boeren hadden een eenzijdiger voeding en een zwakkere gezondheid dan hun plukkende en jagende voorouders. Maar de samenlevingsverbanden werden steeds groter, tot grote koning- en keizerrijken, gebaseerd op religies en andere gedeelde ordeningen in de maatschappij.


3. De wetenschappelijke revolutie
Vanaf 1500 vond in West-Europa de derde revolutie plaats,  de wetenschappelijke revolutie. De toenmalige elite (machthebbers, bestuurders, geleerden, kunstenaars) raakte er meer en meer van overtuigd dat de gedeelde kennis beperkt was en dat ze nog veel zaken niet wisten. Het streven naar meer kennis, het investeren in onderzoek en de centrale plaats van waarneming en wiskunde leidden tot een explosie van de wetenschappen. De nieuw verworven kennis werd gebruikt om nieuwe technologieën en capaciteiten te ontwikkelen.

4. De hedendaagse wereld

Het verbond tussen wetenschap, technologie en economie leidde tot de wereld waarin wij nu leven, met ongeziene uitdagingen en mogelijkheden.

Na 4 miljard jaar blinde natuurlijke selectie is de mens begonnen met kunstmatige intelligentie, het doelgericht creëren van nieuwe levensvormen, door genetische technologie, de constructie van anorganisch leven. De mens staat nu in de positie die hij duizenden jaren aan de goden toeschreef. De vraag is of de mens wijs met deze mogelijkheden zal omgaan. De laatste zin van Sapiens luidt: “Bestaat er iets gevaarlijkers dan ontevreden, onverantwoordelijke goden die niet weten wat ze willen?”

Bron: Na het boek met veel interesse gelezen te hebben bleek een bewerkte versie van wiki een goede samenvatting.

Samenvatting Deel I


- Maslow. Ontwikkel je via de niveaus van behoeften, zeker je basisbehoeften, zeer gewenst je psychologische behoeften en groei zo mogelijk door naar zelfverwerkeling en zelfoverstijging.

- Frankl. De voornaamste motivatie in het leven is niet het zoeken naar het zelf, maar naar zin. De psychisch gezonde persoon is voorbij de gerichtheid op het zelf gegaan, is boven deze uit gestegen. Volledig menselijk zijn betekent verbonden zijn met iemand of iets buiten het eigen zelf.

- De Wachter. Al te veel  zelfverwerkeling leidt tot individualisme en daarmee eenzaamheid. De kern van mens-zijn is relatie met de medemens.

Een mens kan niet altijd op de pieken van geluk leven. Hij moet ook de laagtes kunnen opvullen. Een mens moet beseffen wat het leven echt zin geeft en wat alleen maar schijn is.

- Kahneman. We denken allemaal dat we rationeel denkende mensen zijn die nadenken over te nemen beslissingen. Het tegenovergestelde blijkt het geval; we zijn (bijna) helemaal irrationeel.
- Jung. Naast een bewuste, een persoonlijke onbewuste heeft elk mens een collectief onbewuste. Dit laatste leidt al het gedrag en vormt daardoor de machtigste kracht in de persoonlijkheid. Denk er wel aan dat deze vroege menselijke ervaringen onbewust zijn.
- Lowen. We zijn ons lichaam. Negatieve levenservaringen worden in de vorm van spierspanning ‘opgeslagen’ in het lichaam. Uiteindelijk leiden die spanningen tot een negatief lichaamsgevoel

- Swaab. Hij gaat ervanuit dat ons brein in onze gehele persoonlijkheid ligt opgeslagen. We hebben geen hersenen maar we zijn onze hersenen.
- Bakker. Naast het genetisch doorgeven van leven vindt ook overerving langs epigenetische weg plaats. De opvoedings- en leefomgeving kunnen er voor zorgen dat volgende generaties de gevolgen ervan overerven.

- Harari. In een zeer lang durend evolutieproces heeft de mens zich ontwikkeld van een onbeduidende aap naar een heerser over alles wat leeft maar ook alles wat niet leeft op deze wereld. 

Deel II Filosofen

 

Inleiding

Bij de filosofen die in dit gedeelte aan de orde komen onderscheid ik
1. de ‘oude Grieken’ Plato, Aristoteles en Epicurus
2. de vroegmoderne tijd, te beginnen met Descartes.


Plato en Aristoteles onderscheiden met grote nadruk het bestaan in deze kosmos van twee werelden: de absolute en de tijdelijke wereld. Door het Christendom werd dit een paar honderd jaar later overgenomen onder benaming ‘hemel en aarde’, het onsterfelijke en het sterfelijke.

Daarna maak ik de sprong naar de periode 1650 tot 1800, achtereenvolgens het Rationalisme, de Verlichting en de Romantiek.

Vervolgens de tijd na 1900 met daar centraal de Fenomenologie en Psychoanalyse.

2. 1 De oude Grieken

 

Plato

 

Plato (ca. 427 v. Chr. – 347 v.Chr) was een Grieks filosoof. Hij was leerling van Socrates en leermeester van Aristoteles. Hij is een van de meest invloedrijke denkers in de westerse filosofie en was de stichter van de Atheense Academie, het eerste instituut voor hoger onderwijs in het Westen.


De ideeënwereld van Plato
Plato maakt een onderscheid tussen de wereld waarin wij als mensen leven en de hogere voor ons ONKENBARE WERKELIJKHEID. Deze noemt Plato de ideeënwereld.
Wij mensen leven als gevangenen in een
grot. We denken dat we op deze aarde in de werkelijkheid leven, maar onze menselijke werkelijkheid is slechts schijn.
Het gedachtegoed van Plato heeft via Augustinus eeuwenlang zijn doorwerking gehad in het Christendom: God in de absolute onkenbare werkelijkheid, zonder tijd en ruimte. De menselijke wereld die het moet doen met een tijdelijke leven op deze wereld vol gebreken.
Bovenaan in de ideeënwereld staan 'het goede, ware en schone.' Zij wakkeren het verlangen om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid aan. De zetel van deze drang naar het hogere is de ziel, het onsterfelijke deel van de mens. Het lichaam is volgens Plato een kerker, waaruit de ziel bij de dood ontsnapt.

Aristoteles en de ‘onbewogen beweger’

 

Aristoteles gaat op een eigen manier verder met het gedachtegoed van zijn leermeester Plato. Hieronder zijn theorie.


God als onbewogen beweger

 

Er bestaan volgens Aristoteles (384-322 voor Christus) drie categorieën van substanties. Deze zijn:

a. God’s geest. God als ‘de onbewogen beweger’

Het voornaamste argument voor het bestaan van God is de Eerste Oorzaak. Er moet iets zijn dat de beweging doet ontstaan en dit ’iets’ moet zelf onbewogen en eeuwig zijn. Dit ‘iets’ noemen we God. Hij veroorzaakt beweging, zonder zelf in beweging te zijn. Hij zelf is niet definieerbaar als ‘de onbewogen beweger’. Gods autonome realiteit is het hoogste, eeuwige leven.
God bestaat eeuwig, als zuiver denken, geluk en volledige zelfverwezenlijking. Hij bestaat als realiteit.

 

b. De hemellichamen.
Ze nemen een positie in tussen God en het aardse leven.

 
c. Het leven van mensen, dieren en planten.
De waarneembare wereld is onvolmaakt, maar bezit leven, verlangen, een onvolmaakt denken. Alle levende wezens zijn zich in meerdere of mindere mate bewust van God, en worden door liefde en bewondering voor God tot activiteit gedreven. Zodoende is God de finale oorzaak van alle activiteit.


Ziel en Geest


Aristoteles maakt onderscheid tussen ‘ziel’ en ‘geest’, waarbij hij de geest hoger plaatst dan de ziel. De geest is ook minder aan het lichaam gebonden.
Aristoteles zegt: ‘Met de geest is het anders gesteld; deze schijnt een onafhankelijke substantie te zijn in de ziel, die niet voor vernietiging vatbaar is’. En verder: ‘Alleen de geest kan bestaan los van alle overige psychische vermogens’.
De geest is dat gedeelte in ons, dat wiskunde en filosofie begrijpt; zijn objecten zijn tijdloos, en daarom wordt de geest zelf ook als tijdloos beschouwd.
De ziel is datgene, wat het lichaam beweegt en zintuigelijke objecten waarneemt; de ziel wordt gekenmerkt door waarneming,  gevoel en gedrag; maar de geest is de hogere functie van het denken, die in geen verhouding staat tot het lichaam of de zintuigen. Vandaar dat de geest onsterfelijk kan zijn; dit is met de rest van de ziel niet het geval.
Literatuur: Bertrand Russel, Geschiedenis van de westerse filosofie

 

Epicurus en zijn aandacht voor het genieten

 

Epicurus’ mening staat lijnrecht tegenover die van Plato en Aristoteles. Hij gelooft niet in een hiernamaals maar richt zich daarentegen op genietingen, vreugde voor mensen tijdens hun leven. Mensen moeten zich hierbij niet te buiten gaan aan een ongezond en onnatuurlijke manier van leven. Hij wil gemoedsrust voor een mens en een streven naar matiging van zijn behoeften.

 

a. Zorg in je leven voor gemoedsrust

‘De dood raakt de levenden én de gestorvenen niet, aangezien hij er voor de levenden niet is en de doden niet meer bestaan.' Dit is wel de beroemdste stelling van Epicurus, Griekse filosoof, 341-270 voor Christus, die een zorgeloze houding jegens de dood aanbeval. Waarom zou je je druk maken, zo vroeg hij zich af.
'Iets gekweld afwachten, waarvan je wanneer het komt geen last hebt, is toch zinloos?'

Epicurus was geen pleitbezorger van een ongebreideld, immoreel hedonisme. Het werk van Epicurus is een soort lof van het genieten. Boven de ingang van de tuin waarin hij zijn discipelen onderrichtte, hing een veelzeggende tekst: 'Vreemdeling, hier is het goed toeven, hier is genieten het hoogste goed.' De wijsgeer uit Samos geloofde niet in een hiernamaals, niet in een hogere bestemming van het leven, niet in een goddelijke opdracht. In zijn ogen bestonden er goden, maar die hadden wel wat anders aan hun hoofd dan zich te bemoeien met de levens van de mensen op aarde.

Waar het voor Epicurus op aankwam, was een zo aangenaam mogelijk leven leiden. Met zo veel mogelijk plezier en zo weinig mogelijk ellende.

Wat hij wilde, was ataraxia, een 'onverstoorde staat van de ziel', gemoedsrust dus. Een rust die alleen maar toeneemt wanneer een mens erin slaagt zijn behoeften te matigen.
De filosoof moest weinig hebben van verterende amoureuze passies. Hij gaf de voorkeur aan de beschaafde omgang met vrienden. 'Van alles wat de wijsheid verschaft tot het levensgeluk, is verreweg het belangrijkste het bezit der vriendschap.'

Epicurus pleitte voor gematigdheid. Hij is eerder een bondgenoot van de brave burgerman die zijn driftleven wil beheersen dan van de onverzadigbare hedonist.

Zijn school, de Tuin van Epicurus, leek dan ook meer op een klooster dan op een wilde commune waar allerlei uitspattingen plaatshadden. Bijzonder aan dit oord was dat vrouwen en slaven er welkom waren, waarmee de docent zijn tijd ver vooruit was.
Bron: Gerry van der List, Elsevier, 2005, delen uit dit artikel

b.  Genieten is het begin en het einde van een gezegend leven

De filosofie van Epicurus was er in de eerste plaats op uit om rust te vinden. Hij beschouwde het genieten als HET GOEDE en aanvaardde met merkwaardige standvastigheid alle consequenties van deze opvatting. ‘Het genot is het begin en het einde van een gezegend leven’.
‘Ik weet niet, hoe ik mij het goede zou kunnen voorstellen, wanneer ik  afzie van de zintuiglijke genietingen: die van de liefde en die van het gezicht en het gehoor.
De wortel van alle goed is het genot die de maag je geeft; zelfs wijsheid en cultuur gaan daarop terug.’
Een mens moet streven naar evenwicht door niet te veel en niet te weinig eten. De maag mag je weliswaar veel genot geven, de pijnen van een maagkwaal wegen daar niet tegen op; en dus leefde Epicurus op brood met een beetje kaas op de feestdagen.
Verlangens, zoals die naar rijkdom en eer, zijn ijdel want zij maken een mens rusteloos, terwijl hij tevreden had kunnen zijn.

Bij de dood wordt de ziel verspreid, en haar atomen, die natuurlijk blijven bestaan, verliezen elk gevoelsvermogen doordat zij niet langer zijn verbonden met het lichaam. Hieruit volgt, om het met Epicurus eigen woorden te zeggen, dat ‘de dood niets voor ons betekent; want dat wat ontbonden is heeft geen gevoel meer en wat geen gevoel meer heeft betekent niets voor ons.’
Bron: Bertrand Russel, Geschiedenis van de westerse filosofie, 1991, deel 3 ‘De antieke filosofie na Aristoteles’

 

2.2 Rationalisme, Verlichting en Romaniek

 

Descartes, de Rationalist

 

De ideeën van Plato en Aristoteles hebben in het  Christendom gedomineerd tot de Renaissance. Vanaf die tijd lieten filosofen een ander geluid horen.
Het was met name de filosoof René Descartes (1596-1650) die brak met de ideeën van Aristoteles.

Hij is de eerste filosoof van het rationalisme. Descartes wordt beschouwd als de vader van de moderne filosofie.
In het boek ‘Over de methode’ beschrijft hij de beginselen van een wiskundige methode voor zekere kennis, een methode die wij nu wetenschappelijk noemen: stap voor stap kennis ontleden tot vaststaande uitspraken en vanuit dat fundament wetenschap opbouwen. 

Hij was een van de eerste die de filosofie van Aristoteles niet alleen verwierp, maar ook verving door een eigen filosofisch systeem. Daarmee legde hij de basis voor de 17e eeuwse stroming van het rationalisme. Descartes was sterk beïnvloed door de vooruitgang in de natuur- en sterrenkunde. Hij gaf voor het eerst een idee van wat de natuurwetenschap in de toekomst zou kunnen bieden.

 

Kant, de Verlichtingsfilosoof

 

In het spoor van het rationalisme ga ik verder met Immanuel Kant (1724-1804)

Hij is een belangrijke filosoof van de 18e eeuwse Verlichting. Hij heeft als stelling 'Verlichting is de bevrijding van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.'

 

Over het rationalisme zegt hij: het lijkt of de kennis van het verstand overeenkomt met de werkelijkheid, maar dat komt omdat ons verstand zelf die werkelijkheid structureert. Tijd en ruimte zijn geen absoluutheden in de wereld, maar 'aanschouwingsvormen' van ons eigen verstand.
Onze geest weerspiegelt niet de wereld zoals die werkelijk is, maar slechts zoals die zich aan ons voordoet.

Kants opvatting over het geweten: ‘De hoogste autoriteit zetelt niet in de hemel maar in jezelf, het geweten. Religie is je laten gezeggen door de stem van je geweten. Niet God is het geweten, maar de stem van God’.
Bronnen:
Zuurmond, God en de moraal, gedeelten uit pg. 159-160
Kuitert, Alles behalve kennis

filosofie.nl/kant

 

Rousseau, de Romanticus

 

Jean Jacques Rousseau, 1712-1778, ging bij zijn cultuur- en mensbeschouwing uit van twee grondbegrip­pen: natuur en vrijheid. Bij het begin van de schepping, van nature dus, was de mens goed, met de zondeval en de groei van de cultuur werd hij be­dorven. Die oorspronkelijke toestand moest weer worden hersteld en daartoe was ook de mogelijkheid aanwezig.
De mens was nl. niet geheel bedorven, want in hem leefde nog ‘een goddelijk instinct’ (instinct divin), een ‘hemelse stem’, die hem steeds tot het goede aanspoorde. Dit was zijn geweten, zijn intuïtie, zijn gevoel. Bovendien bezat elk mens de vrijheid naar deze stem te luisteren. In het kunnen luisteren naar de stem van het geweten zag Rousseau de kern van het waarlijk mens zijn, dit was zijn ware natuur.

Deze natuurmens was misschien gelukkig, maar niet volmaakt. Hij liet zich immers te veel leiden door de ‘liefde vanuit zichzelf’ (amour de soi même) en te weinig door zijn mededogen. Vanwege dit egoïsme was de staat nodig met zijn regels en zijn wetten.

Bron: N.F. Noordam, Inleiding in de historische pedagogiek

 

2.3 Fenomenologie als filosofische stroming


De fenomenologie is een filosofische stroming die is ontstaan op de grens van de 19e en 20e eeuw. Deze stroming gaat uit van directe en intuïtieve ervaringen van een mens bij waargenomen verschijnselen. Van hieruit worden de essentiële eigenschappen in kaart gebracht.

Belangrijke vertegenwoordigers in de fenomenologie zijn Hegel, Husserl, Heidegger en Merleau-Ponty, Levinas, Langeveld.

Heidegger. Ons bestaan als geschenk.

 

Hieronder een tekst die aantoont hoe een fenomenologische beschrijving eruit ziet, in dit geval gaat het over hoe de relatie is tussen de mens en zijn omringende wereld.


Martin Heidegger (1889 – 1976) omschrijft het Zijn zelf als een gave. Het Zijn 'is' niet, maar: Es gibt Sein. Wie of wat 'geeft' dat Zijn? Niet God, een echte gever is er niet.
Maar we leven ons bestaan wel in de modus van het geschenk. En daarom zijn we er ook toe geroepen onze controledrift te beteugelen en in evenwicht te brengen met de ervaring van ontvangenis, aldus Heidegger.

Als het bestaan een zin heeft, dan is die er slechts in de mate waarin deze mij toevalt, ik kan die zin niet zelf maken. Vertrouwdheid en overgave aan het bestaan zijn daarvoor noodzakelijk.

Dat betekent voor Heidegger ook: vertrouwdheid met de omgeving waarin je woont. De mens leeft niet in een anonieme ruimte of een koud heelal, maar kan pas zijn wie hij is door verworteling in de omgeving die hem aanspreekt.
De wereld waarin ons bestaan zinvol kan zijn, wordt niet van begin af aan door onszelf ingericht.
De verlegenheid van de moderniteit met dat hinderlijke gebrek aan zelfbeschikking weerspiegelt zich in de discussie rond wat vandaag de dag met een onthullend woord het ‘zingevingvraagstuk’ heet.
‘Zin’ geef je niet aan je leven. Zin is er of is er niet. Je kunt hem niet ‘produceren’ zoals we dat doen met een gebruiksvoorwerp. Hij is geen object maar bestaat in de inbedding waarbinnen wij bestaan.
Bron: Ger Groot, De geest uit de fles, 2017, pg 275

 

Van de Vossenberg. De mens en zijn leefwereld.

 

En hieronder een samenvatting van een fenemenologische tekst die de relatie typeert van ‘de-mens-en-zijn-leefwereld.

‘Elk mens die leeft waardeert. Een leefwereld is een waardenwereld. Want leven is liefhebben en haten en achteloos voorbijgaan. Leven is voorkeur en afkeer, onverschilligheid en intens met iets bezig zijn. Leven is dingen moeten doen, die je niet graag doet en dingen niet kunnen doen, die je dolgraag zou willen doen. Elke mens heeft zo zijn eigen wereldje’.

‘Waarderen is zingeven. Elk mens is een zingever. Iedereen brengt zingeving dagelijks in de praktijk. Van ieder mens kun je een eigen levensgeschiedenis schrijven, een eigen autobiografie’.


Elk mens is een eigen zijn, met een eigen aard. Daarom heeft hij ook recht op een strikt eigen naam. Dat eigen zijn is geen vast omlijnd, massief blok. Het is eerder een kunnen-zijn, een taak die volbracht moet worden. Elk mens is een onbekend aantal mogelijkheden, die naar verwerkelijking dringen’.

‘Een mens leeft geschiedenis. Hij moet zichzelf voltrekken. Van elk mens is een biografie te schrijven. Het ik is een levensgeschiedenis, die zich in verschillende fasen voltrekt.’
Bron: gedeelte uit een artikel van Theo van de Vossenberg

Merleau-Ponty en de waarnemende mens

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961)  was een Franse fenomenologisch filosoof, sterk beïnvloed door  Edmund Husserl en Martin Heidegger. De kern van Merleau-Ponty's filosofie bestaat uit de idee dat de waarneming een fundamentele rol speelt in ons begrijpen van de wereld alsook onze interactie ermee. Hij legt de nadruk op het lichaam als primair middel om de wereld te kennen, dit in tegenstelling tot de klassieke filosofische traditie die het bewustzijn als vertrekpunt van kennis aannam. Ik zie hier een duidelijk verband met de Bio-enegetica van Alexander Lowen.


Vertrekkend vanuit de studie van de waarneming, bracht dit Merleau-Ponty tot het inzicht dat iemands eigen lichaam niet enkel een ding is, maar ook een permanente voorwaarde voor ervaring, een onderdeel van de perceptuele openheid naar de wereld toe.
Hij pleit voor een nauwe band tussen lichamelijkheid en bewustzijn. Hij beschrijft het lichaam als een "motorische intentionaliteit", dat hij definieert als "een door het lichaam zelf geregeld anticipatie of een vooruitgrijpen op het resultaat.". Dit staat in schril contrast met de traditionele dualistische ontologie van lichaam-geest.

Merleau-Ponty beschrijft hoe dit lichamelijk subject in staat is om het organische niveau van het lichaam te overstijgen, iets dat zich manifesteert in intellectuele handelingen en onze cultuur.
Lees verder…

 

Levinas en het gelaat van de Ander

 

Bij Emmanuel Levinas  (1906 - 1995 ) is het ‘ZIJN’ altijd het zijn voor zover dat in het denken en in het spreken van de mens tot verschijning komt. Hij gebruikt in zijn filosofie de fenomenologsche methode die gericht is op datgene wat zich in de fenomenen zelf ontplooit.

Levinas weigert de relatie tot God te zien als een relatie los van de relatie tot de Ander. De Oneindige openbaart zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. God komt daar zelf niet aan te pas, hij laat zich door het menselijke bewustzijn niet in kaart brengen. God is veeleer de Ongrijpbare die voorbijgegaan is en die mij met de Ander heeft achtergelaten. Wanneer ik een appèl van de Ander beantwoord, 'zie' ik God in het gelaat van die Ander. God staat dus niet boven de mens, maar is terug te vinden op Aarde in het gelaat van de weerloze Ander.

Bronnen: Levinas, De Plaatsvervanging, 1977 en wikipedia/levinas
Lees verder…

 

Langeveld en zijn interpretatie van de opvoedingssituatie

 

Martinus Langeveld (1905-1989) past de fenomenologische zienswijze toe op het terrein van de opvoeding. In zijn theoretische pedagogiek beschrijft hij een aantal uitgangspunten:
Het opvoedingsdoel is de mondige persoonlijkheid. De hele opvoeding is erop gericht het kind bekwaam te maken tot morele en betrouwbare deelname aan de samenleving. De volwassen persoon staat voor wat hij is en doet. Drie fasen:
a. Het begin van de opvoeding wordt gekenmerkt door de fundamentele hulpeloosheid van het kind.

b. Tijdens de opvoeding hebben de ouders de rol van een plaatsvervangend geweten. Dit zolang het kind zelf nog niet in staat is verantwoordelijkheid te dragen voor zijn handelingen. De opvoeder is daarbij het model van een zelfverantwoordelijke persoonlijkheid, gekenmerkt door eigenschappen als gewetensvol, liefdevol, onbaatzuchtig en oprecht.
c. De verantwoording van het kind aan zijn ouders dient geleidelijk aan van de ouders naar binnen te schuiven, zodat het kind tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling kan komen.

Wat vloeit voort uit zijn fenomenologische zienswijze?
Langeveld neemt in zijn pedagogiek niet als uitgangspunt de waarden en normen ‘van boven af’ zoals die in een religie of ideologie worden voorgeschreven. Hij begint daarentegen met het observeren van een opvoedingsituatie, vandaaruit redeneert hij verder en trekt zijn theoretische conclusies.
Als voorbeeld neem ik een situatie waarin een moeder en haar driejarige dochter samen gaan eten;  de moeder maakt een boterham klaar en zet deze neer voor haar kind. Deze reageert met een koppig ‘nee’. En dat blijft ze doen, ook na aandrang van de moeder.

Hoe interpreteert Langeveld deze situatie? Niet negatief als koppigheid die je met straf moet aanpakken, maar andersom, hij ziet de eerste tekenen van een eigen wilsontwikkeling van het kind.
Langeveld past de fenomenologie toe op de vele opvoedinggsituaties die zich voordoen in de relatie opvoeders - kind. Het opgroeiende kind dat zijn weg moet vinden naar een zelfverantwoordelijke persoonlijkheid.

Literatuur: Scholen maken mensen 1967;   Ontwikkelingspsychologie 1967; Bekopte theoretische pedagogiek 1970; Mensen worden niet geboren 1979.

 

 

2.4 De rol van mythen en het onbewuste

Lévi-Strauss. De mens zelf ingebed in mentale ordening.


Vanaf ca. 1940 ontstond de denkstroming van het 'structuralisme’.
Het uitgangspunt daarbij was dat een mens de betekenis die hij aan zijn wereld geeft niet voortkomt uit spontane beslissingen, maar dat die mens zèlf ligt ingebed in een mentale ordening. Daarnaar heeft hij zich te richten, of hij nu wil of niet.


De grondslag van dit structuralisme werd gelegd door de antropoloog Claude Lévi-Strauss (1908 – 2009) en de godsdiensthistoricus Georges Dumézil (1898 – 1986).
Beiden gingen ervan uit dat de mentale structuur, die de voorwaarde is van een betekenisvolle wereld, tot uitdrukking wordt gebracht door godsdienstige mythen.

Via onderzoek leveren ze daarvoor ook bewijs. Lévi-Strauss bij  de cultuur van Braziliaanse Indianen en Dumézil door studie van de oude Germanen.

Germaanse mythologie
De wortels van de Germaanse mythologie liggen circa 400 voor Christus. Het is wel zo dat over het waarheidsgehalte onzekerheid bestaat, veroorzaakt doordat de inhoud ervan niet was vastgelegd maar alleen bekend is geworden door mondelinge overlevering.

De Germaanse mythologie is een van de meer bekende mythologieën, samen met de Griekse, Romeinse en Egyptische mythologie. Ze kent grotendeels dezelfde goden en helden.

 

De dagen van de week

Er is niet alleen een collectief onbewuste voor nodig om je als Noordwest-Europeaan verbonden te voelen met Germaanse mythes. Vier dagen van de week zijn naar Germaanse goden genoemd.

- Dinsdag afgeleid van de god Tyr
Tyr is de god van oorlog, rechtspraak en moed, god van het ding (oude volksvergaderingen).
- Woensdag afgeleid van de god Wodan
Wodan ( of Odin) is de Alvader, god van wijsheid, oorlog, dood en poëzie.
- Donderdag afgeleid van de god Donar
Donar (of Thor) - god van de donder en het weer, grootste vijand van de Jotuns (reuzen).
- Vrijdag afgeleid van de god Freya
Freyja - godin van de vruchtbaarheid, liefde en wellust. Ze is de godin van de engelen en, volgens de Germanen, de ‘mooiste’ van alle goden.

Sinterklaas
Er zijn talloze overblijfselen van onze voorchristelijke geschiedenis op te noemen.

Een ervan is ‘Sinterklaas’, die sterk lijkt op Odin. Zie daarvoor zijn de baard, hoed (vervangen door een mijter), speer (staf nu) en mantel. Bovendien rijdt Odin ook in de lucht op een witte schimmel genaamd Sleipnir.
De Zwarte Pieten staan mogelijk symbool voor Huginn en Muninn, de raven die Odin op de hoogte hielden van wat er gebeurde. Het strooien met letters wordt gekoppeld aan het feit dat Odin ons de runetekens gaf. En de kleine liederen die rijmen en gezongen worden rond die periode hebben te maken met het feit dat de dichtkunst aan Odin gewijd was. Bron:
Germaanse Mythologie

Lees ook een andere versie van dit verhaal.

 

Foucault, het onbewuste en de rol van de taal

De visie van de filosoof Michel Foucault (1926 – 1984) is dat niet de mèns de bron is van alles. De menselijke wereld, èn zijn plaats daarin, moeten op een radicaal andere manier in kaart worden gebracht.

Dit kan slechts gebeuren vanuit wetenschapsdisciplines die hun centrum en legitimatie niet in het menselijk bewustzijn zoeken.

 

Drie wetenschappen wijst Foucault daarbij als richtinggevend aan:

a. Het onbewuste. Freud laat in zijn psychoanalyse het bewustzijn wortelen in het onbewuste en daarmee het betekenisvolle in iets wat nog geen 'betekenis' draagt.
Het 'ik' is volgens Freud secundair ten opzichte van een krachtenveld waarin nog geen sprake is van een organiserend centrum dat zichzelf de bron van alle orde kan wanen.

 

b. Het collectief onbewuste

Hetzelfde gebeurt in de culturele antropologie die de categorieën van het menselijk denken terugvindt in een collectief onbewuste dat zo breed is als de mensheid zelf.
Carl Jung werkt dit in zijn psychoanalyse verder uit. Naast een bewuste en een persoonlijke onbewuste neemt elk mens deel aan het collectief  onbewuste. Dit laatste leidt al het tegenwoordige gedrag en vormt zo de machtigste kracht in de persoonlijkheid.

 

c. De linguïstiek

De linguïstiek heeft aangetoond dat de betekenis die door de taal wordt uitgedrukt, niet afhankelijk is van de sprekende mens. De mogelijkheden liggen reeds ingebed in de taal zelf.

Bron: Ger Groot, De geest uit de fles, hoofdstuk 20

Ricœur. De mens toch niet helemaal machteloos.

 

Bij het structuralisme is de droom geëindigd van de absolute menselijke autonomie.

Paul Ricœur (1913 – 2005) relativeert dit standpunt.

Hij zegt dat dit nog niet betekent dat een mens passief is en is overgeleverd aan het machtsveld dat hem schept.

De taal waarin hij zich moet uitdrukken kan hij weliswaar zelf niet maken, maar in datgene wàt hij zegt geeft hij zichzelf wèl vorm.
Bron: Ger Groot, De geest uit de fles, hoofdstuk 23

Samenvatting Deel II


Hieronder geef ik de hoofdpunten van Deel II

De oude Grieken

 

- Plato. Bovenaan in de ideeënwereld staan 'het goede, ware en schone.' Zij wakkeren het verlangen aan om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid. De zetel van deze drang naar het hogere is de ziel, het onsterfelijke deel van de mens. Het lichaam is volgens Plato een kerker, waaruit de ziel bij de dood ontsnapt.

 

- Aristoteles. God is ‘de onbewogen beweger’. Hij is het die alles in gang zet: het draaien van de hemellichamen en al het leven op aarde.
Hij maakt onderscheid tussen ‘ziel’ en ‘geest’, waarbij hij de geest hoger plaatst dan de ziel. Alleen de geest kan bestaan los van alle overige psychische vermogens. De geest is onsterfelijk.

 

- Epicurus. Deze filosoof was er in de eerste plaats op uit om rust te vinden. Hij beschouwde het genot als HET GOEDE en aanvaardde met merkwaardige standvastigheid alle consequenties van deze opvatting. ‘Het genot,is het begin en het einde van een gezegend leven.’

Rationalisme, Verlichting en Romaniek

 

- Descartes. Hij vervangt de filosofie van Aristoteles door een eigen filosofisch systeem: het rationalisme. Hij wijst ook op de mogelijkheden die de natuurwetenschap te bieden heeft.

 

- Kant. Het lijkt of de kennis van het verstand conform is met de werkelijkheid, maar dat komt omdat ons verstand zelf die werkelijkheid structureert. Tijd en ruimte zijn geen absoluutheden in de wereld, maar 'aanschouwingsvormen' van ons eigen verstand.

- Rousseau. Bij het begin van de schepping, van nature dus, was de mens goed; hij is met de zondeval en de groei van de cultuur be­dorven. Die oorspronkelijke toestand moet weer worden hersteld. De mens is niet helemaal bedorven, want in hem leeft nog een ‘goddelijk instinct’, een ‘hemelse stem', die hem steeds tot het goede aanspoort. Dit is zijn zijn geweten, zijn intuïtie, zijn gevoel.


Fenomenologie als filosofische stroming


- Heidegger.
 Als het bestaan een zin heeft, dan is die er slechts in de mate waarin deze mij toevalt, ik kan die zin niet zelf maken. Vertrouwdheid en overgave aan het bestaan zijn daarvoor noodzakelijk. Dat betekent voor Heidegger ook vertrouwdheid met de omgeving waarin je woont.

 

- Van den Vossenberg. Elk mens die leeft waardeert. Een mens kijkt nooit objectief naar zijn omgeving. Zijn leefwereld is een waardenwereld. Mensen geven betekenis aan hun leefwereld. Hij leeft met waarde-oordelen.

 

- Merleau-Ponty legt het accent niet bij het waargenomene of de waarnemer, maar kent het primaat toe aan de 'overgangssynthese', als een 'derde dimensie' die het waarnemende subject en het waargenomen object in zich verenigt en fragmentatie tegengaat.

- Levinas.  De Oneindige openbaart zich uitsluitend in het gelaat van de Ander.

- Langeveld geeft, nadat hij verschillende pedagogische situaties heeft waargenomen, een fenomenologische omschrijving van ‘het kind in zijn opvoedingssituatie’.

De rol van mythen en het onbewuste

 

- Lévi-Strauss. Hij ging ervan uit dat de mentale structuur, die de voorwaarde is van een betekenisvolle wereld, tot uitdrukking wordt gebracht door godsdienstige mythen.

 

- Foucault. De bron is, het fundament, van alles is niet in het menselijk bewustzijn te vinden. Wèl is het aanwezig in het persoonlijk onbewuste en het collectief onbewuste.

Ook onze ‘taal’ is niet afhankelijk is van de sprekende mens. De mogelijkheden liggen reeds ingebed in de taal zelf.

 

- Ricœur. De mens is zijn droom van almacht en goddelijke zeggenschap kwijt. Hij zal zichzelf en zijn wereld moeten leren vorm te geven binnen mogelijkheden die er voor hem zijn.

Deel III Vernieuwende theologie

 

Inleiding

 

De belangrijkste vraag in deel III is hoe de theologie zich heeft ontwikkeld in de laatste vijftig jaar. Dit met betrekking tot de nieuwe inzichten in andere menswetenschappen zoals ik die in Deel I van dit web heb beschreven.


3.1 Henk Berkhof


In de jaren 1970 las ik van Henk Berkhof ’De mens onderweg’ en ‘Christelijk geloof’.
De protestantse geloofsleer werd daarin op gestructureerde en overtuigende manier beschreven. Hoewel ik niet begreep hoe hij aan een aantal van zijn vooronderstellingen kwam, kon hij me veertig jaar geleden overtuigen. Nu niet meer.

Berkhof (1914 – 1995) typeerde de mens als een wezen dat onderweg is.

Dit onderweg zijn heeft als beginpunt: de oude mens en als eindpunt de nieuwe mens.

‘Onderweg zijn’ houdt in dat een mens tijdens zijn hele leven steeds in bewe­ging is.

Hij is steeds in wording, is voo­rtdurend bezig om zijn identiteit verder te ontwik­kelen.

De mens altijd strij­dend onderweg: van ‘de mens die hij helaas maar altijd al te vaak is’  naar  ‘de mens die hij geroepen is te zijn’.
Lees verder voor een toelichting…

 

3.2 Harry Kuitert


Deze theoloog ging mij interesseren toen ik in 1974 zijn boek las ‘Zonder geloof vaart niemand wel’. Hij trof mij met de vraag ‘Gaat het Christendom eraan?’  en de opmerking ‘Kerk en Christendom verkeren in een crisissituatie’.
Wat mij ook aansprak was de uitspraak ‘Godsdienst is niet zo hoogst persoonlijk als men dikwijls voorgeeft, maar iets van een cultuurgemeenschap, van een groep daarin.
Mensen geloven met de groep mee.’

Hoewel Kuitert zelf in zijn boek ‘Het algemeen betwijfeld christelijk geloof’ (1992) veel kritischer was, zette hij in 1974 reeds de de toon. En die toon beviel mij en gaf mij een aanzet om al zijn boeken te gaan bestuderen. Voor mij was hij kritisch en tegelijkertijd zeer constructief.

Voor mij heeft Harry Kuitert (1924-2017) buitengewoon belangrijk werk geleverd voor vernieuwingen binnen het theologisch denken. Omdat ik zijn werk de volle aandacht wil geven  heb ik als ‘link’ een aantal fragmenten opgenomen van onderstaande boeken.

2000 ‘Over religie’

2002 ‘Voor een tijd een plaats voor God’

2005 ‘Hetzelfde anders zien’

2011 ‘Alles behalve kennis’

2014 ‘Kerk als constructiefout’


Lees de fragmenten uit zijn boeken van 2000 tot en met 2014   

 

3.3 Klaas Hendrikse

 

Het lijkt of Klaas Hendrikse (1947 – 2018) wel erg cru, recht toe recht aan zijn mening weergeeft, maar als je goed leest wat hij te zeggen heeft dan blijkt dat hij met zijn zienswijze recht in de roos schiet. Hij breekt met uitgeholde tradities en geeft daarvoor zeer waardevolle inhouden terug.

Ik denk dat hij door zijn onomwonden stijl de kern van het evangelie heel goed omschrijft. En daarmee tevens zeer constructief.

De titels van zijn twee boeken zijn uitdagend, tè uitdagend, maar het lijkt alsof Hendrikse de lezer wil wakker schudden, hij wil ze voorbereiden op een nieuwe manier van denken. Hij geeft daarvoor achtergronden waardoor je ogen worden ge-opend.

 

Vervolg Klaas Hendrikse:

Jouw woord 'God' zegt niets over God


‘Jouw God is niet de mijne. Er zijn zo veel goden als er mensen zijn. Als je naar de geschiedenis kijkt, of om je heen naar andere geloofsopvattingen, dan zie je dat het idee of het beeld van God van de ene mens voor de andere betekenisloos is. Wanneer je het woord 'God' in algemene zin gebruikt, dus niet 'mijn God' maar 'God', dan sla je maar een slag. In het beste geval verwijst spreken over God niet naar God, maar naar de spreker, respectievelijk de God van de spreker. En die ligt ook nog eens niet vast. Wat jij meemaakt of doormaakt verandert je, en naarmate jij verandert, verandert ook datgene wat je waarneemt. Je gaat als het ware met andere ogen kijken naar mensen, naar dingen, en ook naar God.

De God van een volwassene is niet die van zijn kleuterjaren of puberteit. Ieder mens is anders, elke periode in een mensenleven is anders, en daarom is onze godsbeleving ook niet statisch. God verandert, omdat wij veranderen. God trekt om zo te zeggen een leven lang met je mee: als een woord dat je niet zelf hebt verzonnen, waarvan de inhoud onderweg steeds verandert en waarvan de betekenis dus nooit vastligt. Dat begon toen anderen het in je rugzak stopten en daarna is het met je meegetrokken en op jouw manier jouw woord geworden. Met een ander beeld: God is deel van jouw verhaal, het is een van de woorden waarmee jij je levensverhaal vertelt.’

Bron: Geloven in een God die niet bestaat, 2007, pg 119

 

God als ‘wat met mensen meetrekt’

 

De bijbel gebruikt voor God dezelfde beeldspraak: wat met mensen meetrekt. Exodus 3, het verhaal waarin God zich 'voorstelt', getuigt daar al van: 'Ga maar, dan ga ik met jullie mee' (de woestijn, het leven in).
De naam van God is onlosmakelijk verbonden met mensen die in beweging komen. Dat dynamische wordt verderop in het verhaal treffend verbeeld door een wolk- en vuurkolom: 'De wolk ging voor hen uit.’ Haarfijne intuïtie: als je blijft zitten waar je zit, zal er niets gebeuren. Maar als je wegtrekt, stappen zet, zal blijken dat er iets met je meetrekt.

Ook elders in de bijbel blijkt God heel beweeglijk. Aan het begin al, in Genesis 1: 'De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed. En de geest Gods zweefde over de wateren." Er bestaat niet iets, er zwééft iets. Ofwel: God is niet aan een bepaalde plaats gebonden, 'is' niet ergens.

En het zal niet voor niets zijn dat van Jezus wordt verteld dat hij ergens onderweg werd geboren, hoe hij langs steden en dorpen ging en naar Jeruzalem trok. En dat er in de evangeliën telkens wordt gezegd dat mensen worden 'uitgezonden', op pad gestuurd. Een en al beweging!

Bron: Geloven in een God die niet bestaat, 2007

God gebeurt

 

Ervaringen van mensen
Bijbelverhalen verklaren niet, ze analyseren niet, ze brengen in beeld wat sommige mensen hebben ervaren, wat andere hebben herkend, en waar wij ons vandaag nog steeds in kunnen herkennen.
Daarom kun je beter niet zeggen dat God bestaat, maar dat God 'gebeurt'. Of, voorzichtiger: kan gebeuren. Ook de term 'aanwezigheid' zet je op het verkeerde been. Alsof er om je heen of in jezelf iets zit waarvan jij je bewust moet of kunt worden. Het woord 'God' is ook niet afgeleid van een zelfstandig naamwoord, maar van een werkwoord: 'Ga maar, dan ga ik met je mee.' Anders gezegd: God bestaat niet, maar kan ont-staan, en God 'is' niet, maar zal of zou er kunnen zijn.


God symbiotisch met mensen

Als God gebeurt, dan gebeurt dat niet zonder mensen. Ofwel: als het niet over jou of mij gaat, kan het niet over God gaan. Dat houdt God ook met beide benen op de grond. Het mag dan waar zijn dat God 'boven mensen uitgaat', maar als daar een punt achter wordt gezet, blijft het letterlijk 'in de lucht' hangen als een wat mistig, soms ook wat gemakzuchtig waas van woorden. Zo letterlijk moet je dat zweven in Genesis 1 nu ook weer niet nemen.

Het staat zo prachtig in dat éne zinnetje: 'Gezien en gezien heb Ik de ellende ( ... ) ik daal af om hen te bevrijden uit de macht van Egypte. ‘God 'daalt af, heeft mensen nodig om God te kunnen zijn.

'Ga maar, dan ga ik met jullie mee.' In de naam is de afstand tussen God en mens als het ware al overbrugd. Zo wordt God dus ervaren, als de mens nabij. Waar geen mensen zijn, gebeurt God niet. God gebeurt bijvoorbeeld niet in de natuur, die trekt zich van God noch mens iets aan. Achter 'God gebeurt' hoort een komma, en achter de komma horen mensen. Geloven staat niet los van anderen.

Een van de grootste misverstanden als het over 'geloven' gaat, is denken dat het 'helpt', dat het iemand minder afhankelijk maakt van mensen: 'Het is wel heel erg voor hem, maar hij heeft gelukkig veel steun aan zijn geloof.' Dat mag je wel van jezelf denken of zeggen, maar niet van iemand anders. Hoe overtuigder de omgeving ervan is dat hij het wel redt, hoe minder die omgeving zich zal inspannen om er zelf aan bij te dragen dát hij het redt. Maar hoe gelovig hij ook is, zonder die omgeving zal hij het niet redden. Zonder menselijke medewerking is God nergens.


Ook in de bijbel gaat het nergens om 'God op zich', maar steeds om wat er gebeurt in de geschiedenis van mensen. Het is altijd de God van Abraham, van Jeremia, van Job enzovoort. God is niet een onpersoonlijk decor of een onbewogen beweger. Als het woord valt, zijn er mensen bij betrokken die daar 'iets mee moeten (doen)'.


Mijn inspiratie ontbrandt aan een punt dat buiten mij ligt.

 

Lees verder…


Opstanding

 

‘Het verhaal over kruis en opstanding is een heidense mythe die zich afspeelt tegen een joods decor dat in Jeruzalem is neergezet. De oude mythe van de stervende en herrijzende godheid werd door de schrijvers van het Nieuwe Testament gekopieerd en op Jezus toegepast. Dat was overigens een normaal verschijnsel: overal werden mythen 'lokaal aangepast'. Het werd pas bijzonder toen de kerk de rol van de godheid ging toekennen aan een mens van vlees en bloed. Jezus werd voor christenen wat Dionysus voor Grieken was geweest. Met één verschil: geen Griek zou op het idee zijn gekomen om te denken dat Dionysus echt had bestaan. Dat doen veel christenen trouwens ook niet; zij vinden het vanzelfsprekend dat mythen niet echt gebeurd zijn, maar dat de mythe van hun eigen Jezus daar de enige uitzondering op vormt.
Het is zelfs 'typisch christelijk' geworden om selectief met mythen om te gaan. Zolang het gaat over de historiciteit van Baäl, Zeus en Mithras is het geen probleem: natuurlijk hebben zij nooit bestaan. Als het over God gaat, is het al niet meer zo vanzelfsprekend.
En als het over Jezus gaat, is zelfs het omgekeerde vanzelfsprekend: natuurlijk moet je de mythen over Osiris, Dionysus en Attis niet letterlijk nemen, maar die over Jezus wel!


Jezus krijgt een rol, zoals Dionysus, in een mythe en vervolgens geloven christenen dat het echt is gebeurd: een mens van vlees en bloed is uit de dood opgestaan.
Het christendom is er groot door geworden, dus ik zal er niets onaardigs over zeggen, maar aan de basis ervan ligt het misverstand van een letterlijk opgevatte mythe. Met als gevolg dat veel mensen nu nog geloven dat het woord opstanding betekent dat Jezus na zijn dood weer op aarde heeft rondgelopen.’
Bron: Klaas Hendrikse, God bestaat niet en Jezus is zijn zoon, 2011, pg 98

Leven en dood

 

Het kerkelijke spoor dat werd ingezet, maakte een potje van de begrippen 'leven' en 'dood'. Van Jezus van Nazareth werd een ‘uit de dood verrezen godheid’ gemaakt. Voortaan ging het vooral om de betekenis van zijn dood, zijn leven deed er niet of nauwelijks meer toe.
Voor gelovigen was dat vanaf toen óók het geval: wat er na de dood van een christen gebeurt, werd belangrijker dan dat leven zelf. Zo werd geloven afgekoppeld van het leven van een gelovige, en was de eerste stap naar de catechismus" gezet: wij zijn op aarde om in het hiernamaals gelukkig te worden.  Dat was ook het antwoord dat de kerk bedacht op vragen die verband hielden met alles wat een mens tijdens zijn leven kan overkomen aan teleurstellingen, tegenslagen en rampen: geloof maar in de opstanding van onze Heer en alles komt goed. Straks.
De vroegchristelijke opvatting dat er in het jaar nul een mens was geboren door wie 'vervuld' was wat gedurende duizenden jaren door mensen was ervaren als een tijdloos gebeuren, sneed de banden met het verleden radicaal door. En draaide de boel honderdtachtig graden om: jij hoeft niks meer te doen, Hij heeft het voor jou gedaan, geloof het maar. Het oorspronkelijke besef dat een mythe met jouw en mijn leven te maken heeft, verdwijnt zodra je hem letterlijk neemt. Dan heeft opstanding alleen nog betrekking op wat er met Jezus is gebeurd en kom je zelf in het verhaal niet meer voor. En zo geschiedde: menselijke ervaring tijdens dit leven werd buitenspel gezet. Wat overbleef was het 'geloof’ in een eenmalige gebeurtenis die iemand anders was overkomen, en afwachten wat er na je eigen dood komt.’

Bron: Klaas Hendrikse, God bestaat niet en Jezus is zijn zoon, 2011. pg 99

 

3.4 Carel ter Linden

 

Een deskundige en innemende predikant die in de periode van zijn pensionering nog eens terublikt op zijn talloze preken en zich de vragen stelt ‘Wat doe ik hier in godsnaam?’ en ‘Wat heb ik de mensen altijd voorgehouden?’. Ik vind hem daarom zo symphatiek omdat zijn zekerheden, maar ook zijn twijfel, mij aanspreken.

 

Vervolg Carel ter Linden:

 

a. Interview 2012

 

In de loop der jaren heeft Carel ter Linden het geloof in een leven na de dood losgelaten. Op geloofsgebied is hij meer zekerheden en beelden kwijt geraakt. ‘Soms denk ik: na mijn dood zal het helder worden, dan zie ik God, eindelijk. En langzamerhand denk ik: Ik denk het niet, toch.’ Hij denkt dat hij God na zijn dood niet zal zien.
‘Wat is en wie is God? De Bijbelse voorstelling die ik natuurlijk prachtig vind, is van een Wezen van het mannelijk geslacht die daar boven woont en ons ziet. Onze vader die in de hemel zijt. Dat is beeldtaal. Daarvan ontdek je op een gegeven ogenblik dat het een beeldende taal is.
Maar wat is die God dan werkelijk? Dan kan ik niet anders zeggen dan een geestelijke kracht van barmhartigheid, vergeving, rechtvaardigheid, trouw, woede over onrecht, van bevrijding uit onrecht en bestrijding van onrecht: dat zijn geestelijke krachten en die geestelijke krachten, daar kan ik mij in mijn leven mee verbinden.
Maar ik weet niet hoe ik mij daarmee na mijn dood kan verbinden. Ik ben er dan niet meer. Kijk, als God een menselijk persoon is die daarboven woont en je die voorstelling met een kinderlijk gemoed bewaart, dan denk je: 'Ik ga straks naar God toe.' Ik kan dat niet meer. Ik kan mij niet verenigen met liefde en rechtvaardigheid. Dat kan ik alleen in dit leven en dat is al moeilijk genoeg.’
Bron: Interview ds. Carel ter Linden in EO-programma, 26 november 2012.

b. Een symbiotisch godsbeeld


Carel ter Linden: ‘Ik citeerde in een eerder hoofdstuk uit een recent boek van de geoloog professor Peter Westbroek, waarin hij verklaart dat wij, nadat wij eeuwenlang de aarde als een object hebben beschouwd waarvoor wij als rentmeesters verantwoordelijkheid droegen, veel meer dan wij tot dusver hebben beseft ons de onderlinge samenhang van de aarde en alle leven bewust zullen moeten maken. En dat wij recht moeten doen aan de diepe verbondenheid van aarde en mens. Alleen wanneer wij inzien hoezeer hier sprake is van een symbiose, zullen aarde en mens overleven. Westbroek spreekt van een geheel nieuw, symbiotisch wereldbeeld dat wij ons eigen zullen moeten maken.

Ik denk dat diezelfde ontwikkeling nodig en gaande is op het gebied van theologie en geloof: ook de relatie van de mens tot God en van God tot de mens is alleen denkbaar als een symbiose van hen beiden. Dat vraagt om een nieuw godsbeeld: een symbiotisch godsbeeld.’

Bron: Carel ter Linden, 2013, Wat doe ik hier in godsnaam? pg 163

 

c. Openbaring of ervaring


‘Moet God -of ‘het Essentiële’-  gezien worden als afkomstig van een krachtbron van buiten ons bestaan, als een ons mensen geschonken 'openbaring'? Of is ons Godsbesef, ons menselijk besef van het Essentiële, meegegroeid met onze evolutie en met ons daarmee samenhangend vermogen om te bedenken wat dit leven dient?

Carel ter Linden: Ik kies voor dat laatste. De voor ons leven en onze samenleving essentiële grondwaarden zonder hetgeen deze wereld in een chaos zou veranderen, komen ons niet van boven of buiten ons bestaan aangevlogen; de mens heeft ze met vallen en opstaan ontdekt als de enige weg om het leven met elkaar op deze aarde mogelijk te maken, en herkend als eeuwige waarden. Waarden waaraan we telkens opnieuw onze beslissingen moeten toetsen, wanneer wetenschap en techniek nieuwe ontdekkingen doen, bedoeld om dit leven te dienen, mogelijkheden die ons leven meestal evenzeer vereenvoudigen en verrijken als bemoeilijken en bedreigen.
De elementaire menselijke waarden zijn in een ervaringsproces van eeuwen en eeuwen ontdekt.’
Bron: Carel ter Linden, 2013, Wat doe ik hier in godsnaam? pg 164 God is geen werkelijkheid buiten onze werkelijkheid


‘Ik kan mij een perspectief over de grens van de dood ook als gelovige niet indenken. En wel omdat God, het levensgeheim, een geestelijke werkelijkheid is. De dragende kracht van deze wereld en van dit leven. De Kern ervan, het Essentiële.

Die kern heeft meerdere gestalten. Ik denk dan aan levenskracht en levensmoed, aan eerbied voor alle leven, aan trouw, liefde, zorg voor de individuele mens en volken in nood, betrachten van recht, bevrijding uit onrecht, aan mededogen en vergeving. Aan verzoening tussen mensen. Aan de wil tot samenwerken met elkaar en met andere volken, aangewezen als wij zijn op elkaar. Het zijn waarden die ons heilig zijn, of in elk geval zouden moeten zijn.
Maar hoe moet ik mij een ontmoeting met deze krachten voorstellen? De gedachte van een 'opgenomen worden in de hemel' is mij vreemd geworden. Die gedachte kon opkomen in een tijd, waarin men ruimtelijk over God dacht: voor de mannen en vrouwen van het oude Israël woonde God immers boven hen.

'Leven' betekent voor mij: mij in mijn leven voor deze krachten openstellen, om hiermee in verbinding met God te blijven, en mijn roeping als mens te kunnen vervullen. Maar ik kan die krachten niet los denken van ons lichamelijk en geestelijk bestaan op aarde, waarmee ze onverbreekbaar verbonden zijn. Als ik sterf, houdt die verbinding op. Die krachten hebben dan hun werk gedaan.
Belangrijker dan de vraag of wij eenmaal God zullen zien, lijkt mij de vraag of God in de ons gegeven jaren om zo te zeggen iets in óns heeft gezien. Of wij onze naasten recht hebben gedaan, trouw zijn geweest aan degenen die op ons aangewezen waren; geprobeerd hebben recht te zetten wat verkeerd ging. Of wij in ons leven een spoor hebben achtergelaten dat een beetje een weg heeft geopend voor anderen, en daarmee voor God en voor de toekomst van deze wereld.’

Bron: Carel ter Linden, 2013, Wat doe ik hier in godsnaam? pg. 176

 

3.5 Rochus Zuurmond

 

De stellingname van Zuurmond is ‘Het is noodzakelijk dat de Bijbelse boodschap opnieuw geijkt wordt op haar Bijbelse oorsprong. De reden daarvoor is dat kernwoorden als ‘God, geloof, schepping, Zoon van God’ een betekenis hebben gekregen die op dit moment meer verduisteren dan verhelderen’.

 

Vervolg Rochus Zuurmond:

 

a. Geloven in God


'Waarin geloof je?' In welke van de machten die hier aan het werk zijn heb je fiducie? Wie vertrouw je als het erop aankomt? Wie ga jij volgen? Zijn dat de goden van deze wereld of is het JHWH, de God van het Oude Testament, die christenen herkenden en herkennen in Messias Jezus?’
‘Geloven is niet wat het huidige spraakgebruik daaronder meestal verstaat: er een achterhaald wereldbeeld op na houden en een aantal hoogst onwaarschijnlijke feiten voor waar houden, met name historisch voor waar’.
‘Geloven in deze God is tegen alles in vasthouden aan de zaak waar deze god voor staat: menselijk, rechtvaardig en liefdevol samenleven, bevrijd van de tirannie van andere goden. Geloven is nooit en te nimmer accepteren dat haat en geweld - met daaraan gekoppeld pijn en verdriet - absoluut onvermijdelijke, goddelijke zaken zijn.’
Bron: Zuurmond, God en de moraal, Middelburg, 2018, pg 39,40

b. Goden in de oudheid waren machten. Zo hebben wij nu ook onze goden

‘Het bestaan van goden zou voor ons geen probleem behoeven te zijn. Kijk maar om je heen; je ziet ze overal, iedere dag. Wij noemen ze weliswaar geen goden, maar machten die onze samenleving bepalen zijn er wel degelijk, zoals de Economie, de Markt, de Media, de Democratie, de Mode, de Rechtbank, Seksualiteit en Onze Cultuur.
'Economische groei' is ook typisch zo'n idee waarin we maar blijven geloven, net zoals 'marktwerking’. Wij kennen zulke machten geen persoonlijkheid toe, omdat wij anders denken over 'personen?' Maar in de praktijk functioneren ze precies zoals de goden in de oudheid. Het zijn de machten in de samenleving die zó vanzelfsprekend zijn dat ze bij ons niet als macht (god) worden herkend. Hun gezag wordt probleemloos als vanzelfsprekend ervaren.’
Bron: Zuurmond, God en de moraal, Middelburg, 2018, pg 34

 

3.6 Ton Veerkamp

 

Veerkamp leest het ‘Grote Verhaal’ van de bijbel als politiek ontwerp. Een totaal andere invalshoek op de Bijbel. Op zichzelf de moeite waard.

Veerkamp gebruikt de hermeneutische methode voor het lezen van de bijbel. Dat houdt in ‘een tekstwetenschap die het verschil bestudeert dat bestaat tussen de geschreven taal en interpretatie daarvan’. In de bijbel staan veel verhalen beschreven die niet letterlijk zijn gebeurd, maar bedoeld zijn om mensen te inspireren.


Ton Veerkamp:


a. De nieuwe grondwet van koning Josia

 

In oud-oriëntaalse tijden is een naam verbonden met de unieke levenstaak van een persoon. Zoals bijvoorbeeld het begrip ‘koning’ geen naam voor één persoon is, maar een functie.  ‘Engel’ is identiek aan boodschapper. Ook ‘God’ is een algemeen functiebegrip.
De vraag van koning Josia (648 – 609 v Chr) is wat voor een ‘God’ het volk van Juda moet hebben. Wat moet de inhoud van zijn functie zijn? (2 koningen 23)

Koning Josia bekrachtigt met de nieuwe grondwet (de Tora) in de hand een geheel nieuwe ‘maatschappelijke basisorde’. Deze houdt in dat ‘God’ synoniem is voor een orde van recht, waarheid, vrijheid en gelijkheid.
Pesach (het Joodse Pasen) wordt een politiek feest, het wordt het stichtingsfeest van de nieuwe staat op het fundament van de Tora.  Daarbij hoorde bijvoorbeeld ook een periodieke vrijlating van Hebreeuwse slaven. Deze kreeg een ‘goddelijk’ gewicht.


b. Het Godsbegrip

‘Het boek van de profeet Hosea (ca. 750 v Chr) stelt vast dat het instituut ‘koning’ op alle fronten heeft gefaald’ (pg 75).
De koning trad veel te veel op als een despoot. Een autoritair heerser die met zijn onderdanen kon doen wat hij wilde. In plaats van een koning heeft Hosea als visie: God, oftewel de maatschappelijke basisorde zal niet despotisch over de maatschappijleden beschikken’ (Hosea 2:24ev).

 

Veerkamp leest het ‘Grote Verhaal’ van de bijbel als politiek ontwerp:

‘God’ is voor hem synoniem voor de ‘maatschappelijke basisorde’, een orde van recht en waarheid, vrijheid (autonomie) en gelijkheid.

‘God’ is een begrip voor autoriteit en loyaliteit, een ‘laatste instantie’.

‘God’ is een functiebegrip, geen ‘naam’ voor een wezen. Er bestaat geen wezen ‘God’, zoals er ook geen wezen ‘koning’ bestaat, maar wel de functie van koning.

In Tenach is de ‘laatste instantie’ letterlijk onvoorstelbaar.
Ze is enkel stem, en deze spreekt de Tien Woorden, de maatschappelijke basisorde in extreem geconcentreerde vorm.

Heel concreet komen gelijkheid en autonomie in het Grote Verhaal tot uitdrukking in bijvoorbeeld de regels voor (grond)bezit en in het verzet tegen elke vorm van slavernij.

 

De NAAM (JHWH) staat voor een maatschappelijke orde die tegemoetkomt aan de diepste menselijke behoeften: solidariteit, verbondenheid, geborgenheid in een samenleving waarin niemand de ander veracht, vernedert, uitbuit, onderdrukt. De NAAM is degene die wegleidt uit ‘het slavenhuis’. Datgene wat je uit het slavenhuis wegleidt, moet ‘God’ zijn. (pg 83)


c. Paulus’ messianisme

 

Tegen de Romeinse overheid was militair verzet bij voorbaat uitzichtloos. Paulus was politiek gezien realistischer dan de Jeruzalemse messianisten.
Naar de opvatting van Paulus is er voor de messias geen andere weg dan het Romeinse kruis. Als de messias zelf een keizer zou zijn geworden dan zou het gevolg daarvan verschrikkelijker en duivelser zijn dan al het voorgaande.

De strijd tegen de heersende wereldorde kan niet worden gevoerd met de middelen van diezelfde wereldorde. De gekruisigde overwint door zijn opstanding het wereldsysteem van het Romeinse Rijk. Alle militaire tegenstrategieën zijn gedoemd te falen.

 

De onmogelijkheid voor alle volken om te leven volgens de Tora

 

Paulus was politicus. Zijn messianisme was politiek, zijn politieke doel was de vrede tussen het volk en de volkeren, tussen allen. Onder ‘Rome’ is dat niet mogelijk, zeker niet met de strategie om Rome te bestrijden met Romeinse middelen. Alleen de messias kan deze vrede brengen.
De messiaanse strategie bestaat in het stichten van messiaanse gemeenten van Joden en niet-Joden, van degenen die leven 'onder de Tora' en 'zonder de Tora’.

 

Paulus laat weten dat het onmogelijk is om tegelijkertijd met en zonder de Tora te leven. Toch zullen Joden en niet-Joden vredelievend met elkaar om moeten gaan.

 

Waar Joden en Grieken in messiaanse gemeenten bijeenkwamen, werd als het ware de dood overwonnen. De opstanding blijkt uit het lichaam van de messias, zoals Paulus de messiaanse gemeente noemde. De politieke visie van het messianisme bestond bij Paulus in vrede tussen de verschillende volken.

 

De religieuze en maatschappelijke orde, ooit voor het ene volk Israël bedoeld, zal de orde zijn voor allen. Hierdoor kunnen alle mensen leven zoals ze zijn, de Joden Joden, de Grieken Grieken, verenigd in de messias.


Pas door de revolutie van de messias, die de moordende strijd tussen Joden en Grieken in de steden van het Oosten voorgoed beëindigt, kan het Joodse volk zowel in eigen land als in de diaspora, zijn identiteit behouden en naar zijn eigen orde leven. De eenheid in de Messias Jezus is dus geen eenheidsworst. De mensen zijn anders en blijven anders, maar dit zal niet langer worden vergiftigd door vijandschap. (Hoofdstuk 11.1)Bron: Ton Veerkamp, Deze wereld anders, 2015

 

3.7 Hans Meijer

 

Hans Meijer is degene die als predikant in een protestante gemeente mij tijdens zijn leerhuis informatie heeft gegeven over nieuwe ontwikkelingen binnen de PKN.

Ik kon daarmee mijn oude kennis opfrissen en door verdere studie mijn eigen mensbeschouwelijk denken verdergaand verhelderen.

 

Onderwerpen waren o.a.:

 

- ‘Deze wereld anders’ geschreven door Ton Veerkamp.

 De Tora-republiek (Ezra, Nehemia) en Het Hellenisme.

Lees een samenvatting van de eerste helft van ‘Deze wereld anders’ .

 

- ‘Oude mythes en de bijbel’. Daarover schrijft Hans Meijer:

 

‘Recentelijk verschenen opmerkelijke boeken die ons uitdagen om de traditionele visie op de bijbel grondig te herzien. Bijbelverhalen – het geldt ook voor het evangelie – zijn gestoeld op oude mythen en dragen daarom ook zelf een mythisch karakter.

Een ‘mythe’ is een verhaal over goden en helden in een onbepaald verleden, dat niet werkelijk is gebeurd, maar waarin wel een diepe waarheid wordt verteld over de wereld en het menselijk leven.

 

Het vroege christendom is geënt op ideeën in het Oude Egypte. De ‘Joodse wortels’ van dit christendom zijn van Joods-hellenistische aard.
Dit Jodendom stond op gespannen voet met het monotheïstische, ritueel strikte Jodendom in Jeruzalem. Dit Joods-hellenistische christendom is na de 2de eeuw uit de hoofdstroom van de kerkgeschiedenis verdwenen.
Toch komt het als esoterische (‘geheime kennis’ voor ingewijden) traditie telkens in de kerkgeschiedenis nog voor.’

 

- Oude Mythes en de bijbel. Lees de uitgebreide inhoud


Samenvatting Deel III

 

Hieronder geef ik de hoofdpunten van Deel III

 

- Henk Berkhof

Berkhof is in zijn denken zowel traditioneel als vernieuwend. Hij omschrijft de mens als een wezen dat onderweg is. Met als beginpunt: de oude mens en als eindpunt de nieuwe mens.

‘Onderweg zijn’ houdt in dat hij tijdens zijn hele leven in bewe­ging is.

Hij is steeds in wording, is voo­rtdurend bezig om zijn identiteit.


- Harry Kuitert

Er is geen godsontwerp of het heeft relatie met wat mensen als een tekort in de zingeving van hun leven ervaren. God is daardoor de compensatie, de enige macht die het tekort kan opheffen. Daarom verandert Gods gelaat met de tijd. Dat gaat niet alleen op voor godsdiensten, het gaat vooral en helemaal op voor de varianten van het christelijk geloof in God.

 

- Klaas Hendriks

Hij noemt zichzelf atheïst maar in zijn boeken laat hij zien wat zij echte bedoeling is, namelijk mensen wakker schudden. ‘Jouw God is niet de mijne. Er zijn zo veel goden als er mensen zijn. Als je naar de geschiedenis kijkt of om je heen naar andere geloofsopvattingen, dan zie je dat het idee of het beeld van God van de ene mens voor de andere betekenisloos is’.

 

- Carel ter Linden
God is een geestelijke kracht van barmhartigheid, vergeving, rechtvaardigheid, trouw, woede over onrecht, van bevrijding uit onrecht en bestrijding van onrecht.

- Rochus Zuurmond.
Geloven in God is vasthouden aan de zaak waar deze god voor staat: menselijk, rechtvaardig en liefdevol samenleven, bevrijd van de tirannie van andere goden.

- Ton Veerkamp. De tegenwoordige tekstwetenschap (Hermeneutiek) bestudeert o.a. de manier waarop teksten, ook oude teksten, zoals in de bijbel, moeten worden geïnterpreteerd. Enkele stellingen van hem:
a. God is synoniem voor de maatschappelijke orde van recht en waarheid, vrijheid (autonomie) en gelijkheid; voor autoriteit en loyaliteit;
b. ‘God’ is een functiebegrip, geen ‘naam’ voor een wezen. Er bestaat geen wezen ‘God’, zoals er ook geen wezen ‘koning’ bestaat, maar wel de functie van koning.

-Hans Meijer
Hij geeft in zijn leerhuizen informatie over nieuwe theologische  inzichten. Met daarbij mogelijkheden voor discussie. Gemeenteleden met vraagtekens bij  de inhoud van de bijbel kunnen daardoor een veel beter zicht krijgen op hun persoonlijk ‘Christelijk geloof’.

Deel IV Thema’s

 

Inleiding
Bij deel I, II en III staat de inhoud op naam van de schrijver, hieronder is deze geordend op verschillende thema’s.
Waarom begin ik met aandacht voor liberale theologie? De reden is dat deze vorm van theologie het dichtst bij de inhoud van dit web staat. Hierin staat mijn persoonlijke zoektocht centraal.

4.1 Liberale theologie

 

Wat is liberale theologie?

 

Meerten ter Borg (1946-2017) schreef een helder essay hierover. Een paar punten daaruit.

 

Mens durf te weten

 

Waarom houden gelovigen vaak zo vast aan traditionele, orthodoxe kennis? Ook al is die verouderd. Er is moed nodig om standpunten in te te nemen die afbreuk doet aan datgene wat men gewend is. Het veroorzaakt verwarring en de agressie die daar weer uit voortkomt richt zich op wie deze kennis heeft voortgebracht.
In 18e eeuw, gedurende de Verlichting, werd een omslag gemaakt in de waardering van de traditionele, geruststellende kennis. De traditie bepaalde niet langer wat geldige kennis was. Integendeel: een kritische attitude werd  een middel voor het verwerven van geldige kennis.

We zijn vrij om te geloven en ons geloof te kiezen. Het ‘durf te weten’ impliceert de harde waarheid dat we zelf verantwoordelijk zijn voor ons geloof en onze traditie. Dat is een implicatie van de kritische metakennis: mens durf te geloven. Accepteer dat het geloof van jou afhankelijk is.

Meerten ter Borg, vrijzinnigen hebben de toekomst, 2010, Deel II, Hfdst 5

Lees verder…

 

Liberaal Protestantisme. Wat houdt dit in?

 

a. Het liberalisme is een politiek-maatschappelijke stroming ontstaan in de Verlichting van de 18e eeuw, waarin vrijheid centraal staat. Het brak in de 19e eeuw in Europa en Noord-Amerika door als dominante stroming toen het de burger wilde emanciperen ten koste van het Ancien Régime.
Het liberalisme heeft als uitgangspunt zo veel mogelijk vrijheid van het individu zolang hij de vrijheid van anderen niet beperkt.


b. Het woord protestantisme is afgeleid van het Latijnse woord protestari, wat 'publiekelijk verklaren' of 'getuigen' betekent. Dit verwijst naar een historische gebeurtenis tijdens de Rijksdag van Spiers (1529). De lutherse vorsten en steden verklaarden toen ten overstaan van de keizer van het Heilige Roomse Rijk dat ze het niet eens waren met de besluiten om de godsdienstvrijheid terug te draaien en dat ze deze besluiten niet zouden uitvoeren. Die redevoering werd later bekend als het Protest van Spiers. Dat leidde tot de benaming protestant, die vanaf dat moment de aanduiding werd van alle christenen die zijn voortgekomen uit de Reformatie

Bron: wikipedia

4.2 De Griekse Oudheid

 

Welke invloed heeft de oudheid op het Christendom?

 

De hemel en de aarde
Met Socrates (ca. 430 v Chr) wordt in het Griekse denken de idee van de rede oppermachtig en daarmee ook de illusie van een eeuwige orde die door deze rede zou kunnen worden ontdekt.

Plato (ca. 390 v Chr) gaat daar op door: hij distantieert zich van de aarde en zoekt de ware werkelijkheid in het rijk der ideeën die eeuwig zijn en onveranderlijk, dus onaards. De schrijvers van het Nieuwe Testament hebben volop gebruik gemaakt van deze manier van denken. Nietzsche noemt daarom het Christendom: ‘Platonisme voor het volk’.

 

4.3 Mythologie die onbewust met mensen meegaat

 

Carl Jung ziet een rechtstreeks verband tussen de archetypes die het ervaringsmateriaal vormen van elke religie en mythes. Elk mens heeft daarmee in zijn collectief onbewuste te maken.

 

Lévi-Strauss: je mentale structuur is voorwaarde om je omringende wereld betekenis te geven.  Het zijn godsdienstige mythen die daarvoor een basis leggen. Voor deze stellingname levert hij bewijs door middel van onderzoek in de cultuur van Braziliaanse Indianen en de oude Germanen.

Michel Foucault

Hij stelt vast dat het collectieve onbewuste  leidt tot al het tegenwoordige gedrag en zo de machtigste kracht vormt in de persoonlijkheid.

 

Tjeu van den Berk toont de verwantschap aan tussen de mythes in het oude Egypte - zoals goddelijk zoonschap, maagdelijke geboorte, goddelijke drieëenheid en verrijzenis uit de dood-  en de aanwezigheid daarvan in het Christendom. De belangrijkste inzichten die het vroege christendom omtrent haar eigen identiteit ontwikkelde, blijken bij nader inzien voor een belangrijk deel geënt te zijn op levensbeschouwelijke ideeën van het Oude Egypte

 

De Germaanse mythologie
De Germaanse mythologie kent grotendeels

dezelfde goden en helden als de Egyptische, Griekse, en Romeinse mythologie.

4.4 Ontwikkelingen binnen de filosofie

Het was met name Descartes (1596 - 1650) die brak met de ideeën van Aristoteles. De ontwikkelingen die volgen verdeel ik in drie groepen filosofen.

 

1. Descartes, Kant, Rousseau. Elk van hun richt zich op een bepaald gedeelte van het menselijk brein: ratio of gevoel. Voor ‘God’ hebben ze nog wel een plaats ingeruimd.

 

2. Nietzsche, Sartre. Deze filosofen breken totaal met ‘God’ en maken daarmee de weg vrij voor een totaal andere, vernieuwde filosofie.

3. Heidegger, Lévi-Strauss, Foucault en Ricœur

- Een filosoof in deze stroming kijkt naar de mens die alleen maar kan bestaan ‘als mens-in-een-situatie’. De mens moet nooit worden gezien als een object maar alleen als inbedding binnen zijn bestaan.
- Een mens kan aan zijn omgevingsfactoren weinig veranderen.

- Het Zijn op zichzelf is een gave. Het Zijn 'is' niet, maar het wordt je gegeven.

- Zin is er of is er niet. Je kunt hem niet ‘produceren’ zoals we dat doen met een gebruiksvoorwerp.

 

4.5 Het hiernamaals

 

Hoe wordt in de moderne theologie gedacht over het hiernamaals?

 

1. Henk Berkhof (1914 – 1995) over de begrippen ‘hemel’ en ‘hel’. Hij geeft daaraan niet de gangbare betekenis van ‘ver boven de aarde’ en ‘onderaards’, maar hij omschrijft ze als een ‘hemelse’ of ‘helse’ relatie tussen mensen.


2. Carel ter Linden:
- ‘Ik kan mij een perspectief over de grens van de dood als gelovige niet indenken. En wel omdat God, het levensgeheim, een geestelijke werkelijkheid is. De dragende kracht van deze wereld en van dit leven’.
- 'Leven' betekent: mij in mijn leven voor deze krachten openstellen, om hiermee in verbinding met God te blijven, en mijn roeping als mens te kunnen vervullen. Maar ik kan die krachten niet los denken van ons lichamelijk en geestelijk bestaan op aarde, waarmee ze onverbreekbaar verbonden zijn. Als ik sterf, houdt die verbinding op. Die krachten hebben dan hun werk gedaan.’

 

3. Rochus Zuurmond:
‘Als het over het hiernamaals gaat, moet worden bedacht dat 'leven' en 'dood' in de Bijbel geen primair biologisch gedefinieerde begrippen zijn, maar vooral sociale noties. 'Leven' is het goede, actieve leven, samen met anderen’.

4. En dan de Bijbel zelf. Als je Marcus 12 : 18 – 27 leest dan zie je als stelling van de Sadduceeërs: ‘de mens kan na de dood niet meer levend worden’.

Jezus reageert met: ‘Hij is een God van levende mensen en niet van dode’.

4.6 Hedendaagse godsbeelden

 

Hieronder de omschrijving van ‘God’ door theologen, een filosoof en een psycholoog.

 

Carel ter Linden:
‘God’ is identiek met een geestelijke werkelijkheid. De dragende kracht van deze wereld en van dit leven. De Kern ervan, het Essentiële.
Die kern heeft meerdere gestalten, zoals levenskracht en levensmoed, eerbied voor alle leven, trouw, liefde, zorg voor je medemens, rechtvaardigheid, mededogen en vergeving.


Klaas Hendrikse:

- Bijbelverhalen brengen de ervaringen van een aantal mensen in beeld, een beeld waar wij ons vandaag nog steeds in kunnen herkennen.
- Je kunt beter zeggen dat ‘God gebeurt’ dan dat ‘God bestaat’. Ook de term 'aanwezigheid' zet je op het verkeerde been. Alsof er om je heen of in jezelf iets zit waarvan jij je bewust moet of kunt worden. Het woord 'God' is ook niet afgeleid van een zelfstandig naamwoord, maar van een werkwoord: 'Ga maar, dan ga ik met je mee.' Anders gezegd: God bestaat niet, maar kan ont-staan.
- Jouw God is niet de mijne. Er zijn zo veel goden als er mensen zijn. Het idee of het beeld van God van de ene mens is voor de andere betekenisloos.

 

Harry Kuitert:
Hoe kan Transcendentie (ander woord voor God) in onze werkelijkheid zijn zonder daarvan een onderdeel te worden? Er is maar één deugdelijk antwoord: wij voelen ons aangesproken, en zien (ervaren) daarin de Macht die met het woord 'God' wordt bedoeld. Regie, niet vanuit een hemelse directiekamer, maar van binnen uit, door een besef dat ik benoem.

 

Meerten ter Borg zegt dat mensen beschikken over het vermogen tot transcendentie: ze zijn in staat dingen te zien die er niet zijn. Dat geldt ook voor ‘God’.

Ton Veerkamp:
‘God als naam voor een functie, niet voor een persoon. Zoals ‘koning’ dat ook is’.

‘God’ als een maatschappelijke basisorde. Dat is ‘een orde van recht en waarheid, vrijheid en gelijkheid’.


Ger Groot:
‘Het gaat om het vinden van de eigen weg, die aanvankelijk leidt naar God, vervolgens naar het goede, naar een goed leven en ten slotte naar zelfrealisatie, zoals het aan het eind van de twintigste eeuw zal gaan heten, inmiddels los van iedere religieuze context. Ieder mens heeft de opdracht zijn volstrekt particuliere eigenheid te verwerkelijken: daarin ligt zijn unieke waarde’.

Abraham Maslow:

Een persoon wil zich verder ontwikkelen na het niveau van zelfrealisatie. Hij wil doorgroeien naar zelfoverstijging. Hij wil niet voor niets geleefd hebben. Hij gaat zich afvragen wat de zin is van zijn leven. Hij vraagt zich af wat hem nog kan inspireren.

4.7 Op zoek naar de menselijke geest

 

Mijn zoektocht naar de menselijke geest gaat via een aantal, in dit web besproken, wetenschappers:
De psychiater Jung ontdekt dat het menselijk onbewuste een doorslaggevende rol speelt in zijn leven. Dit persoonlijk onbewuste is verbonden met een collectief onbewuste die invloed heeft op gehele mensheid.
Van den Berk werkt dit thema verder uit. ‘De godsdienstfenomenologen hebben ons geleerd op wat voor wijze de eerste christenen in hun levensbeschouwing aansloten bij de mythen en symbolen van de Oude Egyptenaren, hoe een dergelijk symboliseringsproces in zijn werk ging. Het is niet zo, stellen zij, dat de christenen die beelden bewust ontleenden aan andere culturen, maar dat die beelden zelf, hen onbewust dreven’.


In de psychologie overheerst, zoals Kahneman vaststelt, het irrationele, het onbewuste; meer dan 95% van zijn keuzes maakt een mens via zijn intuïtie. En dus maar 5% d.m.v. een bewuste en doordachte beslissing.


De neurobiologie beschouwt hersenen als een materieel netwerk van neuronen, synapsen en biochemische stofjes. Let wel: ze spreken over de hersenen en niet over de geest.


De historicus Harari, die de prille geschiedenis van de mensheid beschrijft, trekt zijn conclusie: ‘De geest is een stroom van subjectieve ervaringen, zoals pijn, genot, woede en liefde’.

 

De theoloog Harry Kuitert, 2002: ‘Wij zijn onszelf een raadsel, weten niet waar we vandaan komen en waar we heen gaan. Waarom zijn we er maar even, en daarna niet meer? Elk mens is een tijdelijk verschijnsel. Zijn macht, waarde en waardigheid is begrensd door zijn tijdelijkheid.
Geest en adem horen bij elkaar, de samenhang tussen die twee verduidelijkt waarom wij voor een tijd een plaats van god zijn. Doodgaan gaat gepaard met het uitblazen van je laatste adem. Wij zijn voor ons bestaan aangewezen op lucht, op de lucht die we inademen. We zijn 'plaats van god' àf, als we doodgaan.

'Voor een tijd' neemt afscheid van de opvatting dat we uit twee componenten bestaan: een lichamelijk (sterfelijk) en een geestelijk (goddelijk) element. Voor een tijd plaats van god, verder brengen mensen het niet.
Ze zijn niet onsterfelijk, en hebben ook niet een onsterfelijke component. Als de levensgeest is geweken is het over en uit.

Het hiernamaals ruilen we in voor het hiernumaals. Als we het doodgaan aanvaarden als natuurlijk lot, blijven we dicht bij de ervaring van het werkelijke leven’.

De filosoof Ger Groot, 2017: ‘Het gaat om het vinden van de eigen weg, die aanvankelijk leidt naar God, vervolgens naar het goede naar een goed leven, en ten slotte naar zelfrealisatie, zoals het aan het eind van de twintigste eeuw zal gaan heten, inmiddels los van iedere religieuze context. Ieder mens heeft de opdracht zijn volstrekt particuliere eigenheid te verwerkelijken: daarin ligt zijn unieke waarde. Nietzsche zal het tot zijn lijfspreuk maken: Word wie je bent. Het existentialisme zal deze gedachte op zijn beurt centraal stellen. Bij Heidegger wordt het eigenlijkheid (Eigentlichkeit), bij Sartre authenticiteit’.

 

4.8 Je leeft maar een keer, geniet ervan!


Een actueel onderwerp
Het begint te wringen tussen de invloed van de huidige samenleving en een gewenste opvoeding. Waar zit het probleem?

 

Genieten en omgaan met teleurstellingen. Wat gaat er mis?

Inleiding

Het verleden is uit de mode, geschiedenis is oninteressant. Moderne mensen leven in het heden wat als kenmerk heeft dat wensen en behoeften snel worden bevredigd. ‘Vandaag besteld, morgen in huis’. En we bestellen graag, via internet is praktisch alles te koop, we zijn onverzadigbaar. We zijn gewend om onze zin te krijgen, verwend te worden. Onze frustratietolerantie zakt weg naar een nulpunt. En dat kan bij teleurstellingen die mensen in hun leven soms tegen komen extra hard toeslaan.
Hieronder eerst het beeld dat Dirk De Wachter schetst over de hedendaagse mens en daarna dat van Epicurus. Is er verschil?

 

Dirk de Wachter, hedendaags psychiater, in zijn boek ‘Borderline times’:

‘Onze identiteit is niet iets wat is aangeboren, zij is het eindproduct van alle boodschappen die wij van de buitenwereld gekregen hebben. Die buitenwereld verandert heel snel. De laatste 25 jaar zijn alle accenten in onze maatschappij gaan liggen op een economisch model. We zijn zelf verantwoordelijk om het in de wereld te maken. Als we maar ons best doen en genoeg geld verdienen, dan kunnen we alles bereiken. De mens is in een maakbare mens geworden, op alle gebied’.

 

‘De afwezigheid van vertrouwen in de medemens -basic trust- is een kenmerk van de postmoderne, hedendaagse westerse samenleving: de hedendaagse mens gaat zijn gevoel van leegte proberen te compenseren  door prikkels van buiten uit op te zoeken, steeds meer, steeds intenser. Op die manier holt de structuur zichzelf langzaam maar zeker verder uit. Helaas maakt het overmatig zoeken naar impulsen van buitenaf het gevoel van leegte steeds groter’.

‘De afwezigheid van diepte is verbonden met de economie van het genot, die een cultuur lanceert waarin het vluchtige, het nieuwe, het vergankelijke voortdurend als onmiddellijk bereikbaar doel naar voren geschoven wordt. Wij leven in het permanente 'nu': geschiedenis staat voor 'oud' en 'passé', terwijl het 'nu' gezien wordt als 'nieuw' en 'hip'.’

Epicurus, oud griekse filosoof 

De Griekse filosoof Epicurus (ca 300 v Chr) richt zich op genot, vreugde voor mensen tijdens hun leven. Mensen moeten zich hierbij niet te buiten gaan aan een ongezond en onnatuurlijke manier van leven.

Het werk van Epicurus is een lofzang op het genieten. Hij pleit ervoor dat mensen  een zo aangenaam mogelijk leven leiden. Met zo veel mogelijk plezier en zo weinig mogelijk ellende.
Epicurus pleit voor matigheid. Hij wil dat mensen hun driftleven beheersen en verzet zich tegen extreem hedonisme.

 

Een vergelijking tussen Dirk de Wachter en Epicurus.
Wat is het verschil tussen de hedendaagse ervaringen van Dirk de Wachter en de ideeën van Epicurus? Het lijkt mij dat de oud griekse filosoof  een nog veel positiever beeld neerzet van de wijze waarop mensen leven dan datgene wat de psychiater Dirk De Wachter waarneemt.
De boodschap van Epicurus is weliswaar ‘geniet van je leven, want een hiernamaals bestaat niet’, maar hij wijst wel op de noodzaak van matigheid in het leven.
Dirk de Wachter heeft ook een boodschap. Bij hem speelt het hiernamaals ook  geen rol in de kwaliteit van een mensenleven, omdat men immers toch in het nu leeft. We moeten oppassen niet psychisch ten onder te gaan aan extreem hedonisme, een doorgeslagen zoeken naar geluk en genot.

Welke eisen stel je aan een verantwoorde opvoeding?

 

Essentieel voor een goede opvoeding is dat kinderen hun ontwikkelingsfasen goed doorlopen. Als voorbeeld noem ik het ervaren van basic trust die in de baby-fase uitermate belangrijk is. Zonder basisvertrouwen zal het socialiseringsproces gaan haperen, relaties in het latere leven problematisch zijn.
Essentieel is ook de gewetensontwikkeling, een goed besef van goed en kwaad. Daarvoor is vereist dat een kind in een omgeving opgroeit van duidelijke normen en waarden. Het zijn de opvoeders die daarvoor zorgdragen, niet alleen voor duidelijkheid, maar ook voor correctie bij ontsporing.

Opvoeders moeten zelf het goede voorbeeld geven, niet alleen in woorden maar vooral ook in hun gedrag. Kinderen imiteren dat gedrag en identificeren zich ermee.

Het uiteindelijke opvoedingsdoel is dat de jong volwassene zelfverantwoordelijk is over zijn doen en laten. Deze zal gebaseerd moeten zijn op een eigen mensvisie, en eigen mensbeschouwing –meer of minder expliciet. Niet economische waarden zullen daarbij de overhand hebben, al moet je natuurlijke goed met je geld om kunnen gaan. Wat ik als eerste noem zijn ethische en sociale waarden.
In het hoofdstuk ‘Mijn godsbeeld’ kun je lezen hoe ikzelf een waarden-vol leven invul.

Conclusie

De vraag die ik stelde was ‘het begint te wringen tussen de invloed van de huidige samenleving en een gewenste opvoeding. Waar zit het probleem?’
In het bovenstaande heb ik maar enkele aspecten kunnen aanstippen. Opvoeders zullen zich zelf moeten bezinnen op deze hedendaagse urgente problematiek.

Deel V. Mijn persoonlijke interpretatie en eigen visie

 

Mijn eigen visie

Als de centrale vraag in Deel V is om mijn eigen visie te geven, mijn eigen mensbeschouwing onder woorden te brengen, waar kom ik dan uit, kennisnemende van de Delen I t/m IV?

 

5.1 Vragen die mij op een spoor zetten

 

In de puberteit

Wat ik in mijn puberteit om me heen zag was dat bijna iedereen uit het dorp elke zondag, ‘s ochtends  en ’s middags, naar ‘de Gereformeerde kerk’ ging; het leek wel of  dat de gewoonste zaak van de wereld was.
Ik had zelf allerlei vragen waar niemand mij antwoord op kon geven, zoals ‘waar geloven die mensen nu precies in?’ ‘Waar is die God waar het steeds over gaat?’ Geloven die mensen nu echt in een God die je niet ziet en ook niet ervaart? Of is het een grote schijnvertoning?

De preken ’s middags over een onderwerp uit de ‘Heidelbergse Catechismus’ spraken mij totaal niet aan. Waar gaat dit over? Wat moet ik er mee?
In mijn verdere leven zou ik geïnteresseerd blijven in antwoorden op die vragen.

In mijn twintiger jaren

 

Tijdens colleges theoretische pedagogiek, in mijn twintiger jaren, werd als basis de fenomenologie van Heidegger en Langeveld genomen. Deze stroming heeft mijn manier van denken sterk beïnvloed.

Het gaat daarbij om het in kaart brengen van waargenomen verschijnselen en daarbij tot de kern ervan komen, het essentiële. 
Verwant daarmee is mijn psychologische manier van kijken naar mensen. Het zijn steeds mènsen die allerlei soorten van religieus gedrag vertonen. Waarom doen ze zo? Is het een eigen ‘geloof’ dat ze creëren of geloven ze met de groep mee? Doen ze alleen maar zo omdat ze er in opgevoed zijn?

Van Plato naar Levinas

In 1968, op mijn 23e levensjaar, tijdens colleges filosofie, leerde ik het gedachtegoed van Plato kennen. Zijn onderscheid tussen de wereld waarin wij als mensen leven en de hogere voor ons onkenbare werkelijkheid maakte diepe indruk op mij. Wij mensen leven als gevangenen in een grot. We denken dat we op deze aarde in de werkelijkheid leven, maar dit is slechts een schijn-werkelijkheid.
De onkenbare werkelijkheid omvat het absolute GOEDE, WARE en SCHONE. Het zijn waarden waar alleen de goden kennis van hebben, mensen kennen ze alleen maar in een gebrekkige vorm.

Na de filosofie van Plato verschoof mijn voorkeur naar de fenomenologie, o.a. de filosoof Levinas die zegt Het ZIJN is altijd het zijn voor zover dat in het denken en spreken van de mens tot uiting komt.’ Hij denkt fenomenologisch wat inhoudt dat hij zich beperkt tot de verschijnselen die hij kan waarnemen om van daaruit door te dringen naar de kern ervan, het essentiële van de waarneming.

Dus geen onkenbare werkelijkheid meer die ‘eeuwig en onveranderlijk’ is zoals Plato veronderstelt.

 

5.2 Liberaal Protestantisme

 

Nauw aansluitend bij mijn voorkeur voor Liberale Theologie stel ik de vraag welk kerkgenootschap voor mij geschikt is. Omdat mijn persoonlijke geschiedenis zich afspeelde binnen het Protestantisme ligt een keuze voor de PKN (De Protestantse Kerk in Nederland) voor de hand. Het Liberaal Protestantisme legt de nadruk op:

a. vrijheid van meningsuiting.
Deze stroming is gericht op een mentaliteit, een levenshouding. Het gaat niet in de eerste plaats om een kerkelijke leer, dogma’s, niet om een religieuze, politieke of ethische stroming, niet om een vastgelegd programma. Ik neem me voor de uitgangspunten van anderen serieus te nemen en ze, voor zover mogelijk, te verwerken in mijn eigen zingeving.

b. vrijheid van godsdienst.

Dit lijkt zo vanzelfsprekend maar is dat niet. De godsdienstvrijheid is voortgekomen uit de periode van de Reformatie, 16e eeuw. Tegenwoordig bestaan er verschillende protestantse kerken, elk met een eigen signatuur. Je kunt dus kiezen welke richting het meest bij je past. Of je kiest helemaal geen kerk zoals in de huidige tijd veel gebeurt.

 

Zelf kies ik voor de PKN omdat deze haar leden voldoende ruimte geeft in hun denken, in hun eigen opvattingen.
De onderwerpen die ik hieronder bespreek passen binnen het Liberaal Protestantisme.

5.3 Hoe de idee ‘hiernamaals’ is ontstaan


De filosofie van Plato is dualistisch: bovenaan een ideeënwereld waarin 'het goede, ware en schone' bestaan. Daaronder een leven op deze aarde.
‘Mensen kennen een verlangen om goed te doen, hebben een drang naar juiste kennis en zoeken naar schoonheid. De ziel is drijfveer om te streven naar het hogere, het onsterfelijke deel van de mens, het lichaam is een kerker, waaruit de ziel bij de dood ontsnapt’.
Plato distantieert zich daarmee van de aardse leven en zoekt de ware werkelijkheid in het rijk der ideeën die eeuwig zijn en onveranderlijk, dus onaards.


De schrijvers van het Nieuwe Testament gingen door op deze gedachte. Hemel en aarde bleven volstrekt gescheiden. Na zijn dood stijgt de menselijke geest op naar die andere, hogere werkelijkheid.

Wat ik hier zelf van vind? Ik kan me niet vinden in het dualisme van Plato en daarmee is een onderscheid tussen een mensenleven, hier en nu, en een vervolg daarop in een andere werkelijkheid geen theoretische optie. Het past niet bij mijn fenomenologisch denken.
Wat ik wel kan zeggen is dat voor mij het goddelijke - het transcendente - een spirituele werkelijkheid is, een bron van energie gedurende de tijd dat je leeft, hier op deze aarde.
Hoe een mens doorleeft na zijn dood? In zijn kinderen, in zijn familie.

5.4 Egyptische mythes en het vroege Christendom

 

De vraag die ik me altijd stelde was ‘hoe het kon gebeuren dat Jezus van Nazareth drie jaar lang actief was in zijn omgeving en vervolgens zo ongelooflijk veel geloofsinhouden naliet.’

Het boek van Tjeu van de Berk gaf me de nodige duidelijkheid. Daarin lees ik hoe tal van waarheden die men christelijk is gaan noemen, al duizenden jaren eerder in het Nijldal bestonden, zoals goddelijk zoonschap, maagdelijke geboorte, goddelijke drie-eenheid, verrijzenis uit de dood, verblijf in de onderwereld, onsterfelijke ziel, dan is voor mij duidelijk dat  het Christendom een belangrijk deel van haar identiteit heeft geënt op de ideeën van het Oude Egypte.

Deze zijn via het collectief onbewuste, archetypen, in de loop van de eeuwen doorgegeven.

 

5.5 Relatie tussen collectief onbewuste en religiositeit

 

We volgen de route Carl Jung → Lévi-Strauss → Michel Foucault Tjeu van den Berk. Deze wetenschappers zijn eerder op dit web aan de orde geweest. Ze beschrijven allen het belang van het collectief onbewuste. Daar ga ik nu mee verder.

 

Je mentale structuur heeft de potentie om je omringende wereld betekenis te geven. Nu is de vraag op welke wijze er inhoud aan wordt gegeven. Met de woorden van Lévi-Strauss zeg ik dat het de godsdienstige mythen zijn die een basis leggen voor de inhoud.
Deze mythen verschillen per cultuur. Als voorbeeld noem ik de Egyptische, Grieks/Romeinse, Indiaanse, Sumerische, Germaanse en Mesopotamische mythologie.

Het accepteren van een bestaan van een ‘collectief onbewuste’ is de basis voor het begrijpen waarom mensen aan godsdienst doen.

Je kunt in elk geval vaststellen dat de mentale structuur bij elk mens aanwezig is. De vraag is hoe mensen aan inhoud komen. Het antwoord daarop is dat deze wordt overgedragen door je opvoeder(s), maar veel meer door de sociale groep waar je deel van uit maakt, zoals je kerk, dorp, land, politieke partij. In alle tijden hebben mensen gesproken over datgene wat zij een menswaardig bestaan vinden. Ze hebben hun omringende wereld betekenis gegeven en deze doorgegeven aan de leden van hun groep.

 

5.6 The missing link

 

In dit hele web bleef ik staan voor een dilemma:

 

Enerzijds:

Veel mensen zijn spiritueel, ze komen in groepen bij elkaar om hun religie te beleven. Oude mythes in een modern jasje zijn daarbij volop aanwezig, mythes die o.a. via een collectief onbewuste zijn doorgegeven. Ze worden weliswaar verteld aan volgende generaties maar het kan niet anders dan dat het onbewuste daar een niet geringe rol in speelt.

Anderzijds:

Elk mens start zijn leven met als basis de genen die hij via zijn ouders heeft meegekregen. Elk kind begint met een schone lei of toch niet helemaal?

 

Hoe kom ik uit dit dilemma?

Dirk Bakker gaf mij de oplossing met zijn –wetenschappelijke- constatering dat overerving van ouders naar kinderen niet alleen langs genetische weg gaat , maar ook epigenetisch tot stand komt. Epigenetische veranderingen hebben betrekking op het verschijnsel dat genen onder druk van omgevingsfactoren 'aan' of 'uit' kunnen worden gezet.
Omgevingsinvloeden veranderen niet alleen het functioneren, maar ook de structuren van de hersenen. De opvoedings- en leefomgeving kunnen er voor zorgen dat volgende generaties de gevolgen ervan overerven. Dit is voor mij
the missing link!

Voor verdere toelichting, zie deel I bij de naam Dirk Bakker

Met deze epigenetische overerving kan ik een rode draad te trekken door mijn hele website.

 

Daarbij onderscheid ik de volgende stappen.

Fase 1. De cognitieve revolutie van de mensheid (Harari) waarbij mensen aan allerlei verschijnselen, zoals bliksem, hongersnood, het werk van goden zien. Goden die heersen vanuit een gebied dat bestaat boven dit aardse leven.
Fase 2. In culturen ontstaan mythes, verhalen waarin gebeurtenissen beschreven worden uit een onbepaald verleden, en waarbij vaak goden centraal staan. Ik noemde in dit web enkele culturen waarvan mij mythes bekend zijn: Griekse, Romeinse, Egyptische, Germaanse, Braziliaanse.

Fase 3. Mythes worden door epigenetische overerving (Dirk Bakker) doorgegeven van ouders op kinderen.
Fase 4. Carl Jung maakte ons vertrouwd met de aanwezigheid van een collectief onbewuste dat van generatie op generatie met ons mensen meegaat.

Fase 5. In dat collectief onbewust is ook spiritualiteit aanwezig, de menselijke geest.

Fase 6. Hedendaagse spiritualiteit is gebaseerd op mythes uit het verre verleden. Spiritualiteit is nog altijd springlevend bij mensen en zal dat ook blijven. Alle culturen in deze wereld zullen daar hun eigen vorm aangeven.In dit web gaat het over mijn eigen route: via het oude Egypte, het Christendom, met als onderwerpen: evolutie van de mens, mythes, epignese, overdracht via het collectief onbewuste en hedendaagse spiritualiteit.

 

5.7 Mijn godsbeeld

 

Uitgangspunt
Voorafgaand aan onderstaande tekst: ik ga duidelijk maken hoe ik God
ken en hoe ik hem ervaar.

Ik heb hem leren kennen door ‘de bijbel’. Daarbij kan ik niet genoeg accentueren dat bijbelverhalen de ervaringen van sommige mensen in beeld brengen. In het beeld dat deze verhalen oproepen herken ik soms mijzelf –maar het komt ook nogal eens voor dat ik ze helemaal niet herken. De verschillende bijbelboeken gaan steeds over de relatie tussen mens en God. Naar mijn mening is God geen werkelijkheid buiten onze menselijke werkelijkheid.

Hoe omschrijf ik God?

‘God’ omschrijf ik door verschillende eigenschappen aan hem toe te kennen:

- De woorden ‘God’ of ‘Goddelijk’ hebben voor mij dezelfde betekenis. Afhankelijk van de situatie waarin je ze gebruikt.

- ‘God’ is voor mij gelijk aan transcendentie, d.w.z. datgene wat mij overstijgt. Wat mijn leven diepere betekenis geeft.
- Bij ‘God’ denk ik niet aan een drager, een persoon of welk wezen dan ook.
- Je kunt beter zeggen dat ‘God gebeurt’ - of ‘kan gebeuren’- dan dat ‘God bestaat’. Dit laatste zet je op het verkeerde been. Alsof er om je heen -of in jezelf- iets zit waarvan jij je bewust bent of kunt worden.
- ‘God’ is voor mij een
geestelijke kracht die mij stimuleert tot waarden-vol leven zoals medemenselijkheid, vergevingsgezindheid, trouw en gerechtigheid. Deze zelfde geestelijke kracht zal er hopelijk voor mij zijn in tijden van diepgaand verdriet.
- De goddelijke geest kun je alleen maar een plaats geven in
‘het religieuze verhaal’. In de concreet menselijke wereld ontbreekt daarvoor de mogelijkheid.

Elk mens is uniek

- Jouw God is niet de mijne. Er zijn zo veel goden als er mensen zijn. Het godsbeeld dat de ene mens heeft kan voor een ander betekenisloos zijn. Wind je dus niet op en maak je niet boos als een vriend of kennis ‘God’ of ‘het transcendente’ anders zegt te ervaren dan jij.

 

5.8 Wanneer is je leven zinvol?

 

Wanneer is je leven zinvol? Een vraag die moeilijk is te beantwoorden, zeker als het over jezelf gaat.
Maslow geeft in zijn theorie voor zelfontplooiing van de nodige ondersteunig. Hij geeft de volgende opeenvolgend zes niveau’s waarbinnen je jezelf ontwikkelt: 1. fysiek, 2. een veilige omgeving, 3. sociale inbedding, 4. waardering door anderen en zelfwaardering, 5. zelfrealisatie, 6. zelfoverstijging.


Opvallend is de toevoeging ‘zelf’ in de fasen 5 en 6. Maslow bedoelt daarmee dat een mens zichzelf moet optillen in een gebied waarvan hij niet weet hoe het eruit ziet. Vooral je
ZELF overstijgen lijkt me moeilijk realiseerbaar, zo niet onmogelijk. Daarmee ga ik hieronder verder.
Allereerst maak ik onderscheid tussen twee wereldbeelden.
a. dat van een
maakbare wereld en
b. dat van het
leven als een geschenk.
Een toelichting op beide wereldbeelden:


a. De maakbare wereld
Het beeld van een ‘maakbare wereld’ is actueel. Logisch, mensen kunnen tegenwoordig ook veel, met name op het gebied van de techniek, economie en psycho-wetenschappen. Voor datgene wat hieruit voortvloeit zijn de woorden van
Dirk De Wachter interessant: ‘In onze geseculariseerde wereld leggen we ons lot niet meer in de handen van God, maar van onszelf. Ons tijdperk is er een van individuele verantwoordelijkheid. We zijn ondernemer van onze zelfontplooiing, de manager van ons geluk. We willen een zinvol leven leiden, iets betekenen.’

 

b. Het leven als een geschenk
Als inleiding geef ik de zienswijze van de fenomenoloog
Heidegger ‘We leven ons bestaan in de modus van het geschenk. Wie of wat 'geeft' dat geschenk? Niet God, een echte gever is er niet. Ger Groot gaat hierop verder ‘De wereld waarin ons bestaan zinvol kan zijn, wordt niet van begin af aan door onszelf ingericht. De verlegenheid van de moderniteit met dat hinderlijke gebrek aan zelfbeschikking weerspiegelt zich in de discussie rond wat vandaag de dag met een onthullend woord het ‘zingevingvraagstuk’ heet.
‘Zin’ geef je niet aan je leven. Zin is er of is er niet. Je kunt hem niet ‘produceren’ zoals we dat doen met een gebruiksvoorwerp’.

 

Klaas Hendrikse zegt het nog concreter:
‘Je leven is geen eigen fabricaat, je hebt jezelf niet gemaakt, en datgene waar je gelukkig van wordt ook niet. Dat wél willen weten, noem ik 'volwassen afhankelijkheid'.


De tijdgeest stelt de mens voor als een onafhankelijk, autonoom individu dat zelf verantwoordelijk is voor het uitstippelen van de route naar een geslaagd leven. Of het nu gaat om succesvol zijn, er jonger uitzien dan je bent, veiligheid, welstand, geluk of bewondering, er leeft of heerst in onze samenleving een collectieve veronderstelling dat we ons leven in eigen hand hebben. Het ideaal is de vrije mens die heer en meester is over zijn eigen leven.

Noem dat maar 'infantiele onafhankelijkheid'. Of gewoon onzin: jij kunt wel zelf bepalen dat je morgen op reis gaat, maar niet dat je levend terugkomt. Iedereen is afhankelijk van omstandigheden die niet beheersbaar zijn. Je leven is maar ten dele maakbaar, het is vooral kwetsbaar: het komt zoals het komt, met gebreken, mislukkingen en teleurstellingen. Tragiek ligt altijd op de loer en er bestaat geen God die je behoedt voor tegenslag en verdriet.’

5.9 Het verschil tussen zelfoverstijging en transcendentie

- Zelfoverstijging past binnen het model van een maakbare wereld. Maslow gebruikt dit omdat hij van mening is dat een mens zelf invloed heeft op het bereiken van zijn hoogste ontwikkelingsniveau.

- In de filosofie van Heidegger, het leven als een geschenk, is dat niet het geval. Daarom spreek ik  binnen deze visie over transcendentie. Deze term verwijst naar een werkelijkheid die op de een of andere manier boven de alledaagse werkelijkheid is gesitueerd. De toevoeging ‘zelf’ past daar beslist niet bij.

Transcendentie is synoniem met ‘goddelijke geest’, ‘spiritualiteit’.

 

5.10 Persoonlijke spirituele momenten

Een eerste pinksterdag

 

Hieronder beschrijf ik enkele persoonlijke belevingen.

 

In de Jacobikerk te Utrecht tijdens Pinksteren 2019 deed onze kleindochter belijdenis van haar geloof. Uit de brief van Paulus aan de Galaten, vers 5:23, werd gelezen: ‘Maar de Heilige Geest brengt ons tot betere dingen: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, mildheid, trouw, tederheid en zelfbeheersing’.

Voor mij sloot dit helemaal aan bij mijn eigen godsbeeld. Het ontroerde me.

 

Later werd een lied gezongen dat opnieuw geheel aansloot bij datgene wat in dit web is te lezen. Onder andere bij de filosoof Heidegger ‘Ons bestaan als geschenk’.
Het lied dat klonk was het gezang Iona, 36:

Zie ik ben met je, welke weg je ook gaat.

Zie ik ben met je als de liefde veel vraagt.

Zie ik ben met je als er tegenspoed dreigt.

Zie ik ben met je tot het eind van de tijd.

Het ontroerde me opnieuw.

Op deze pinksterdag beleefde ik een stukje van de geestelijke werkelijkheid.


In de tekst hieronder kun je lezen dat die geestelijke werkelijkheid niet is gebaseerd op verstand of gevoel. Het raakt je onbewuste, een gebied waar ook spiritualiteit thuis hoort.

 

Religie en muziek

 

In zijn boek ‘Hetzelfde anders zien’ inspireerde Harry Kuitert mij om allerlei religieuze begrippen een plaats te geven waar ze thuishoren, namelijk in het verhaal van de religieuze wereld. Het gaat daarbij om begrippen als God, paradijs, engelen, hemel, e.d.

 

Het verhaal van die religieuze wereld is op verschillende wijzen te benaderen: via literatuur, schilderkunst en klassieke muziek. Met dit laatste ga ik hieronder verder.

Waarom brengt de klassieke muziek mij het dichtst bij religie? Ik kan het niet verklaren. Het is zoals het is. Het is een wereld zoals ik die beleef, een wereld waar mijn gedachten vrij zijn. Of overweldigd worden door schoonheid. 


Met een variatie op Kuiterts woorden:
God is van muzikale taal, de hemel is van muzikale taal, het paradijs waar de engelen je naar toe mogen dragen, is ook van muzikale taal.
Het is alles van taal en moet van taal blijven, wil het zijn betekenis houden.

 

Religie en kunst

 

Waarom bezoek ik - samen met mijn vrouw - tijdens vakanties zo graag musea, kathedralen, kerken en kloosters?

Net als bij het beluisteren van klassieke muziek, ervaar ik ook daar - plotseling - een schoonheid die mij dicht brengt bij het religieuze.

Ook hier een variatie op Kuiterts woorden.
God is van esthetische taal, de hemel is van esthetische taal, het paradijs waar de engelen je naar toe mogen dragen, is ook van esthetische taal.
Het is alles van taal en moet van taal blijven, wil het zijn betekenis houden.

Zie als voorbeeld de
kathedraal San Fermo in Verona.

Deel VI Beantwoording van de kernvragen

 

Onderstaand de vragen waarmee ik dit web ben gestart, nu daarbij mijn beantwoording.

- Wat is de zin van het leven?

- Wie ben ik gezien vanuit de psycho-wetenschappen,de  filosofie en de theologie?


De literatuurkeuze die ik heb gemaakt  in de delen I t/m IV  gaven mij een goede theoretische basis om vervolgens deel V te schrijven, het deel waarin ik mijn eigen visie weergeef.

Mijn vertrekpunt voor een beschrijving van een betekenisvol leven is  fenomenologisch, d.w.z. ik zie mijzelf niet ontkoppeld van de mijn omringende wereld. Ik geef zelf betekenis aan datgene wat ik ervaar en waarneem.
Het zijn de psycho-wetenschappen, de filosofie en de theologie die mij inzicht geven in de zin van het leven.

Een ontdekking voor mij is dat de vraag over ‘de zin van het leven’ niet te beantwoorden is. Deze vraag past wel bij het mensbeeld ‘we leven in een maakbare wereld’ maar totaal niet bij ‘het leven als geschenk’ waarbij de kernwoorden zijn:
‘Zin’ geef je niet aan je leven. Zin is er of is er niet.

 

En dat laatste brengt de hele zoektocht naar de zin van je leven op de helling.

Met de filosoof  
Heidegger zeg ik ‘De wereld waarin ons bestaan zinvol kan zijn, wordt niet van begin af aan door onszelf ingericht’.
‘De verlegenheid van de moderniteit met dat hinderlijke gebrek aan zelfbeschikking weerspiegelt zich in de discussie rond wat vandaag de dag met een onthullend woord het ‘zingevingvraagstuk’ heet.’

Tot slot

Mijn gedachten vormen zich voortdurend onder invloed van zinvolle informatie, intuïtieve gedachten, spirituele belevingen e.d.
Hiermee sluit ik aan bij een uitspraak van de Griekse filosoof Heraclitus (ca. 500 v Chr).


‘alles stroomt, niets is blijvend’

‘Wat er is, kun je vergelijken met de stroom van een rivier:
je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen’.

 

Opsteller van dit web over zingeving

Bernard Sietses

studie doctoraal pedagogische wetenschappen

loopbaan docent Prot. Chr. Pedagogische Academie