Carl Jung

 

Zijn theorie over bewuste, onbewuste, collectief onbewuste en archetypen

 

Carl Jung (1875-1961) werkte in 1913 als psychiater. Hij had een grote particuliere praktijk en een lectoraat aan de Universiteit van Zürich in Zwitserland.

 

Meer dan enige andere theoreticus legde Jung een sterke nadruk op het onbewuste. Hij  gaf een diepere dimensie aan dat verborgen, innerlijke leven dat wij allen bezitten. Jung rekende als deel van het onbewuste niet alleen de ervaringen mee die ieder van ons in zijn leven opstapelt, maar ook de ervaringen die alle leden van de menselijke soort en hun dierlijke voorouders opgestapeld hebben. In een heel werkelijke zin bezitten we ieder een ingebouwde erfenis, samengesteld uit alle ervaringen van alle mensen in alle tijden.

 

Door observaties van zijn patiënten, gretig lezen van mythen en legenden van oude beschavingen (hun symbolen, rituelen en religies) en onderzoekingen van zulke uiteenlopende thema's als alchemie, astrologie en helderziendheid, bracht Jung de natuur van het almachtige, verreikende onbewuste in kaart. Zijn ervaringen van veel van zijn patiënten overtuigden hem van de noodzaak om weer contact te krijgen met de symbolen, rituelen en mythen van de menselijke geschiedenis, zoals die besloten liggen in het onbewuste.

 

Veel menselijke ellende en wanhoop en gevoelens van zinloosheid, doelloosheid en betekenisloosheid resulteren, zo betoogde Jung, uit gebrek aan contact met de onbewuste fundamenten van de persoonlijkheid. Hij geloofde, dat veel van dat verloren contact te wijten is aan ons toenemend geloof in wetenschap en rede als richtlijnen voor het leven. We zijn te eenzijdig geworden, zei hij, door de nadruk te leggen op het bewuste, rationele zijn ten koste van het onbewuste.

 

We hebben onszelf bevrijd van bijgelovige opvattingen (of daarvan trachten we onszelf te overtuigen), maar in dat proces hebben we onze geestelijke waarden en onze vereenzelviging met de natuur verloren; met andere woorden, we zijn ontmenselijkt geraakt. En zo hebben we het gevoel, dat we geen betekenis of binding hebben en zijn we overmand door nutteloosheid en leegheid. Deze 'algemene neurose van onze tijd' is een rechtstreeks gevolg van het verlies van onze geestelijke binding met ons verleden. Het is een ziekte van dissociatie en desorganisatie en er is maar een remedie: een hernieuwing van het contact met de onbewuste krachten van onze persoonlijkheid. Zo is Jungs voorschrift voor de mensheid precies wat het was voor hemzelf - een confrontatie met het onbewuste.

Jung pleitte niet voor de overheersing of controle van de persoonlijkheid door het onbewuste, maar juist het tegendeel daarvan; zijn ideaal van psychologische gezondheid was bewuste leiding en begeleiding van de onbewuste krachten. De werelden van het bewuste en het onbewuste moeten geïntegreerd worden; beide zijden moeten worden toegestaan zich vrij te ontwikkelen.

 

Het proces volgens welk deze integratie van de persoonlijkheid plaatsvindt is de individuatie of zelfverwerkelijking. Dit proces van 'tot individualiteit komen' is een natuurlijk proces. Het is zelfs zo'n sterke tendens, dat Jung deze als een instinct beschouwde. Toch zijn er vele obstakels bij het bereiken van individuatie en Jung was niet optimistisch over de vraag, of iedereen ertoe in staat was. Degenen die er wel toe in staat zijn kunnen het uiterste bereiken in individualiteit, begrip, psychische rijpheid en gezondheid, heelheid en volledige menselijkheid. Naar dit doel van het menselijk bestaan moet worden gestreefd.

 

 

 

Structuur van de persoonlijkheid

 

1. Het bewuste

Het bewuste, hoewel belangrijk, werd door Jung als van veel minder belang beschouwd in de persoonlijkheid dan het onbewuste. Het onbewuste heeft twee niveaus: het persoonlijke onbewuste en het collectieve onbewuste. Het hogere en meer aan de oppervlakte liggend niveau is het

 

2. Het persoonlijke onbewuste

Het persoonlijke onbewuste is in wezen een opslagplaats of reservoir van materiaal dat niet meer bewust is, maar dat gemakkelijk tot het bewuste kan opstijgen. Dit materiaal bestaat uit herinneringen en gedachten die uit het bewuste zijn gestoten, omdat zij onbelangrijk of bedreigend zijn.

 

Er is een grens aan de hoeveelheid ervaringen waar we ons op enig gegeven moment van bewust kunnen zijn. We kunnen slechts aandacht schenken of denken aan een of een paar ideeën en ervaringen op welk moment ook. Andere herinneringen en gedachten moeten opzij geduwd worden om ruimte te maken voor het materiaal dat thans onder onze aandacht is.

We dragen bijvoorbeeld allemaal een massa informatie met ons mee: adressen, namen, beelden, herinneringen aan gebeurtenissen uit ons verleden. Wanneer we het nodig hebben, kunnen we iets onmiddellijk in ons bewustzijn terugroepen.

Zo is er een aanzienlijk verkeer dat op en neer gaat tussen het bewuste en het persoonlijk onbewuste. Je aandacht kan verschuiven van de inhoud van dit artikel naar de herinnering aan wat je de afgelopen nacht gedaan hebt of naar de plannen voor wat je morgen zult doen. We kunnen het persoonlijke onbewuste vergelijken met een opbergkast die al onze gevoelens, gedachten en herinneringen bevat. Het kost weinig moeite om er een bepaalde herinnering uit te halen, deze een poos te onderzoeken en vervolgens weer terug te leggen en te vergeten, totdat we er de volgende keer weer aan worden herinnerd.

 

Een belangrijk aspect van het persoonlijke onbewuste wordt gevormd door wat Jung complexen noemde, groepen van emoties, herinneringen en gedachten rond een gemeenschappelijk thema. In zekere zin zijn complexen kleinere persoonlijkheden binnen de totale persoonlijkheid en zij worden gekenmerkt door een sterke vooringenomenheid met iets. Als we bijvoorbeeld zeggen, dat iemand een minderwaardigheidscomplex of een machtscomplex heeft, bedoelen we, dat hij of zij geheel in beslag genomen is door minderwaardigheid of macht en dat deze gerichtheid zijn of haar gedrag sterk beïnvloedt.

De persoon met een complex is er zich echter niet van bewust hoe sterk hij of zij erdoor beheerst wordt, omdat het geen deel vormt van het bewuste; het complex bevindt zich in het persoonlijke onbewuste. Complexen bepalen eigenlijk alles aan ons - hoe we de wereld waarnemen en welke waarden, belangstellingen en motivaties we erop nahouden.

 

Jung geloofde aanvankelijk, dat de complexen hun oorsprong vinden in traumatische gebeurtenissen uit de vroege jeugd, maar later begon hij zich te realiseren, dat zij afkomstig zijn van veel diepere ervaringen. Hij meende, dat complexen worden beïnvloed door bepaalde ervaringen in de evolutionaire geschiedenis van de soort, ervaringen die worden doorgegeven van de ene generatie naar de volgende door middel van erfelijkheidsmechanismen. Juist zoals ieder van ons zijn vroegere ervaringen heeft opeengestapeld en opgeborgen, zo heeft ook de menselijke soort dat gedaan. De opslagplaats van deze universele evolutionaire ervaringen vormt het diepste en meest ontoegankelijke niveau van de persoonlijkheid, het collectieve onbewuste en het wordt de basis van de persoonlijkheid van een individu.

 

3. Het collectieve onbewuste leidt al het tegenwoordige gedrag en vormt zo de machtigste kracht in de persoonlijkheid.

We moeten er echter aan denken, dat deze vroege menselijke ervaringen onbewust zijn; we zijn ons er niet van bewust. We kunnen ze ons niet bewust herinneren of voorstellen (zoals dat het geval is met de inhouden van het persoonlijke onbewuste die eens bewust waren). In plaats daarvan bestaan deze ervaringen in ieder van ons als neigingen of tendensen om waar te nemen, te denken en te voelen op dezelfde manier als onze voorouders.

 

Of deze tendensen verwezenlijkt of gerealiseerd worden in ons gedrag hangt af van specifieke ervaringen die we zouden kunnen hebben. Onze primitieve voorouders vreesden bijvoorbeeld de duisternis en zo erven wij een geneigdheid om ons op dezelfde manier te gedragen. Dit betekent niet, dat ieder van ons automatisch opgroeit met een vrees voor het donker. Het betekent, dat het gemakkelijker voor ons is om te leren de duisternis te vrezen dan het daglicht. De tendens bestaat en heeft alleen de juiste ervaring nodig (laten we zeggen, het wakker worden uit een nachtmerrie in het donker) om de geneigdheid tot werkelijkheid te maken. Jung schreef: ‘De vorm van de wereld waarin hij geboren is, is hem reeds aangeboren als een feitelijk beeld.’ Daarom zijn we geneigd om op de wereld te reageren op de manier waarop onze voorouders op de wereld reageerden.

 

Om nog een voorbeeld te noemen: we worden volgens Jungs theorie geboren met een geneigdheid om onze moeder op een bepaalde manier waar te nemen. Aangenomen dat zij zich over het algemeen gedraagt, zoals moeders zich in de voorbije generaties gedroegen, zal onze geneigdheid corresponderen met de werkelijkheid die we ervaren. Het karakter van onze wereld, zoals ons aangeboren, predisponeert de manier waarop we onze ervaringen waarnemen en op hen reageren.

 

Jung ontdekte deze gedeelde ervaringen en gelijksoortige thema's en symbolen in zijn onderzoek van diverse culturen uit alle delen van de wereld door alle tijden. Hij ontdekte ook, dat deze thema's weer voorkwamen in de fantasieën en dromen van zijn patiënten. Deze overeenkomst tussen het oude en het tegenwoordige is wat hem ertoe bracht te geloven, dat bepaalde ervaringen in de geest ingeprent zijn, omdat zij zich over zo vele generaties herhaald hebben.

Deze universele ervaringen manifesteren zich of drukken zich in ons uit als beelden, welke Jung archetypen noemde.

 

Archetype

Per definitie is een archetype het oorspronkelijke patroon waarnaar een ding gemaakt wordt. Het is een model of prototype voor het vormen van latere beelden. Jung identificeerde en besprak vele archetypen in de loop van zijn werk; bijvoorbeeld geboorte, dood, macht, god, de duivel en de aardmoeder. Er zijn even veel archetypen als er typische, zich herhalende ervaringen zijn in de menselijke geschiedenis.

Er is een punt dat beklemtoond moet worden met betrekking tot archetypen: het zijn geen volledig ontwikkelde herinneringen of beelden in onze geest die we duidelijk kunnen 'zien'. We zijn ons niet van hen bewust. Zij beïnvloeden ons als tendensen, neigingen die bestaan op een onbewust niveau.

 

Tjeu van den Berk:

Het collectief onbewuste is de bron van waaruit de archetypen stromen. In het oude Egypte is het een fenomeen, even machtig en oorspronkelijk als de samenleving zelf.

Net als alle religie is ook de christelijke boodschap gebaseerd op universeel aanwezige ‘archetypen’ (symbolen uit een ‘oer-begin’, ontsproten uit de menselijke psyche). De ‘materie’ van de christelijke leer is oeroud; het ‘format’ is jong en eigentijds. Elementen als een goddelijk zoonschap, incarnatie, theogamie, maagdelijke geboorte, goddelijke drieëenheid, verrijzenis uit de dood, verblijf in de onderwereld, onsterfelijke ziel, mysterie-inwijding, rituele wassing, heilige maaltijd, geboortefeesten, paasfeesten, een moedergodin, zijn in beginsel oermenselijk en universeel.

 

Bronnen:

Duane Schultz, Groeipsychologie, Haarlem 1979

Carl G. Jung, Archetypen, Katwijk aan Zee

Tjeu van den Berk, Het oude Egypte: bakermat van het jonge Christendom, Zoetermeer, 2011.