De 8 levensfasen, theorie van Erikson

 

Erik Erikson (1902-1994) was een psycholoog die zich met name richtte op de psychoanalyse. Hij werd in Duitsland geboren uit Deense ouders. Hij werd beďnvloed door onder anderen Anna Freud en later door Margaret Mead. In 1938 vluchtte hij voor de nazi's naar de Verenigde Staten, waar hij de Amerikaanse nationaliteit kreeg.
Hij zag onze psychische ontwikkeling als een levenslang proces. In zijn theorie  noemt hij acht fasen. Deze zijn:

1. Vertrouwen versus fundamenteel wantrouwen. Babytijd (0-1,5 jaar)

In de baby-fase ontstaat de hechting met de moeder. In deze fase ontstaat het Basisvertrouwen ('basic trust'). Een vertrouwen dat gedurende het hele leven een basis vormt voor de relatie met je medemens. Psychische beschadiging in deze ontwikkelingsfase leidt tot een fundamenteel wantrouwen gedurende alle latere levensfasen.

 

2. Zelfstandigheid versus schaamte en twijfel. Peuter leeftijd (1,5-3 jaar)

De omgeving moedigt onafhankelijkheid en exploratief gedrag aan van het kind. De ouders kunnen teveel of te weinig beschermend zijn. In beide gevallen wordt de exploratiedrang van het kind geremd en loopt zijn ontwikkeling schade op.

3. Initiatief versus schuldgevoel. Kleuter leeftijd  (3-6 jaar)

Het kind leert zelfactiviteiten ondernemen en taakjes verrichten, zoals het aan- en uitkleden. In deze fase zal hij allerlei activiteiten ondernemen en ondernemingszin aande dag leggen. Het kind heeft plezier met wat hij doet en tot stand brengt. De kleuter kan ook onvoldoende ruimte krijgen zijn ondernemingszin uit te leven, of hij krijgt te weinig veiligheid en structuur aangeboden. In deze gevallen zal het kind zich schuldig gaan voelen in plaats van te genieten van wat het bereikt.

4. Vlijt versus minderwaardigheid. Kindertijd (6-12 jaar)

In deze fase leren we allerlei vaardigheden die we nodig hebben om succesvol te kunnen zijn in de maatschappij; niet alleen basale zaken als lezen en schrijven, maar ook verantwoordelijkheid nemen en sociale vaardigheden.

5. Identiteit versus identiteitsverwarring. Adolescentie (12-18 jaar)

Bij de overgang van kind naar volwassene gaan we door een identiteitscrisis: wie ben ik, wat wil ik? Als we geen duidelijk antwoord vinden op deze vraag, zullen we steeds op zoek blijven naar welke rol we nu eigenlijk hebben in het leven. Het kan resulteren in een goede ontwikkeling van onze identiteit of juist voor verwarring zorgen. In deze fase kan ook een negatief zelfbeeld ontstaan.

6. Intimiteit versus isolement. Vroege volwassenheid (18-35 jaar)

In deze fase gaan we ons betrokken voelen bij ons werk en ontwikkelen we duurzame, intieme relaties. Als we daar niet in slagen, kampen we met gevoelens van eenzaamheid en afzondering of wisselen regelmatig van partner.

7. Openstaan voor verandering versus stagnatie. Middelbare leeftijd (35- 60 ŕ 65)


Dit is ons meest productieve periode. We brengen kinderen groot, maken carričre en helpen anderen. Het is de fase waarin we onze levensdoelen waarmaken. Slagen we daar niet in dan raken we in onszelf gekeerd en stagneren we onze ontwikkeling. Tevens kunnen er dan emotionele problemen en zorgen ontstaan.

8. Tevredenheid versus wanhoop.  Late volwassenheid (vanaf 60 ŕ 65 jaar)

Mensen vragen zich af wat de zin van hun leven is (geweest). Ze brengen onder woorden wat het leven waarden-vol maakt. Het geheel leidt tot een mensbeschouwing, geleefd, besproken en/of op beschouwelijk niveau.
In deze laatste levensfase kijken we terug op ons leven, op de betekenis, en zijn daar in meer of mindere mate tevreden over. Daarmee kunnen ze een naderend levenseinde accepteren. Kijken ze echter terug met spijt en blijven ze treuren om mislukkingen en gemiste kansen, dan zullen ze de dood niet accepteren. Dit veroorzaakt angst.

 

Literatuur: Erik H. Erikson, Het kind en de samenleving; Het Spectrum, Aula 181, 1971, p.238-259.