Xavier de Montépin,  Dokter van de Armen

 

 

 

Inhoud

1. Het geslacht Champ d'Hivers 01. 3

2. Pierre Prost, de dokter van de armen 18. 20

3. Champagnole, 1638, achttien jaar na die geheimzinnige nacht 31. 33

4. Het kleine huis in Longchaumois 40. 42

5. Wie is toch de man met het zwarte masker? 51. 53

6. De bergbewoners grijpen in 75. 77

7. Het dorp Saint Laurent 100. 102

8. Wat gebeurt er in die wagen met koren? 125. 126

9. Magui krijgt een opdracht 150. 151

10.   Tristan de Champ d'Hivers 175. 174

11.   Monniken uit het klooster van Cuzeau 200. 200

12.   Antide de Montaigu is op zijn hoede 225. 224

13.   Op weg naar Champ-Sarrazin 250. 249

 

 

 

 

 

Gepubliceerd in het dagblad ‘TROUW’ . Het stripverhaal verscheen in de periode van 9 juli 1956 tot ca. 30 mei 1957.

Uitgeknipt en verzameld door de (toen) 11/12 jarige Bernard Sietses.

Later door hem gedigitaliseerd en op deze website gezet.

De auteur / tekenaar van deze strip is onbekend. Het verhaal is gebaseerd op het boek van  Xavier de Montépin, Le médecin des pauvres, Bourg-en-Bresse, 1990.

Interview met een journalist van “TROUW” in juli 2004. Het artikel is die maand in die krant gepubliceerd.

 


Samenvatting van het verhaal  ‘Dokter van de Armen’

 

image002

De jonge baron Tristan de Champ d’Hiver wordt verliefd op Blanche de Mirebel. Zij beantwoordt zijn liefde en verbreekt haar belofte om te gaan trouwen met sire Antide de Montaigu. De wraak van Antide is kwaadaardig: hij ontvoert Blanche en sluit haar op in een toren van zijn kasteel.

image004

2. De baby die Blanche krijgt (de vader is Antide de Montaigu) wordt van haar afgenomen en gegeven aan de ‘Dokter van de Armen’ de bijnaam van Pierre Prost. De man met het zwarte masker, d.i. Antide de Montaigu, geeft hem geld om de baby te verzorgen

3. Een hoofdpersoon in het verhaal is: Lacuzon. Hij is de held van de vrijheidsstrijd in de Franche Comté in de 1. Het verhaal begint in het jaar 1611. Plaats: Franche Comté. 17e eeuw.

 

4. Raoul is de zoon van Tristan de Champ d’Hiver. Hij ontmoet Lacuzon en doet met hem mee in de strijd om de vrijheid

5. Raoul hoort van de oude gouvernante, Magui, die vroeger in dienst was op het kasteel de Champ d’Hiver de waarheid over alles wat er is gebeurd.  Magui levert ook een grote bijdrage aan de vrijheidsstrijd.

 

6. Op het moment dat ‘De dokter van de Armen’als ter dood veroordeelde in zijn gevangeniscel wacht, vertelt hij een groot geheim aan Lacuzon: de baby die hij heeft groot gebracht is niet zijn eigen dochter, maar het kind van Blanche de Mirebel. Zij gaf hem bij de bevalling deze edelsteen.

 

7. De man met het zwarte masker heeft ook Tristan de Champ d’Hiver gevangen genomen en opgesloten in het onderaardse gewelf van zijn kasteel. Na twintig jaar wordt hij bevrijd door Lacuzon. Op de tekening hier rechts ontmoet de oude Tristan zijn zoon Raoul.

 

8. Antide de Montaigu wordt gevangen genomen, zijn kasteel de l’Aigle (de Arend) wordt verwoest. Antide wordt ter dood veroordeeld voor zijn wandaden.

 

 


Begin van het hele stripverhaal

 

 

Het geslacht Champ d'Hivers 01

 

1. Het is in het jaar 1611. Aan het hof van de Spaanse koning leeft de jonge, elegante baron Tristan de Champ d’Hivers uit De Franche-Comté, ongeveer 26 jaar oud, het vrolijke en gemakkelijke leventje dat de meeste jongemannen van zijn stand leven.

Sinds Karel de Vijfde is De Franche-Comté reeds Spaans gebied. Tristan heeft al geruime tijd een regiment onder zijn commando en hij geldt als één van de beste ruiters van zijn tijd.

Zijn successen zijn altijd groot, evenals trouwens zijn geldvoorraad.

Nog nooit heeft Tristan’s hart in vuur en vlam gestaan voor een meisje. Toch denkt hij wel over een huwelijk.

Niet zozeer omdat hij een vrouw liefheeft als wel omdat hij zijn geslacht in stand wil houden. Het edele en nobele geslacht Champ d’Hivers.

Op een keer, juist als Tristan staat te praten met een knap Spaans meisje, komt een bediende naar hem toe met een brief die hij Tristan op een zilveren blad aanbiedt. Tristans hart slaat wild. Hij vermoedt slecht nieuws. De brief is afkomstig uit zijn geboortestreek, uit de Franche-Comté. Een vriend schrijft hem dat zijn vader ernstig ziek is. Ieder moment kan de grijsaard overlijden.

Tristan besluit onmiddellijk naar zijn geboorteland terug te keren om nog afscheid van zijn vader te kunnen nemen.

 

 

 

 

 

 


 

De oude baron

 

2. Tristan de Champ d’Hivers keert terug naar zijn land. Zijn trouwe knecht die indertijd met hem was meegegaan naar Spanje, vergezelt hem ook nu.

De weg is lang. Hoewel hij blij is in het vooruitzicht dat bij spoedig Frankrijk terug zal zien, is de jongeman somber gestemd. Zal zijn vader nog leven als hij aankomt? Zal bij hem nog vaarwel kunnen zeggen?

Na een lange en vermoeiende reis komen de twee reizigers op hun plaats van bestemming aan.

Tristan durft de woonplaats van zijn vader bijna niet binnen te gaan uit angst dat hij slecht nieuws zal vernemen.Het kasteel waarin zijn vader woont is anders dan de meeste Franse kastelen, maar toch is het een mooie bezitting en goed en comfortabel gebouwd.

Tristan’s ongerustheid blijkt echter ongegrond te zijn. Zijn vader is inderdaad ernstig ziek geweest, maar niet zo ziek dat hij ieder ogenblijk zou kunnen sterven, zoals zijn zoon dacht.

De vader is blij zijn zoon weer te zien. Ze vertellen elkaar uitvoerig hun belevenissen van de laatste tijd.

 

 

 

 

 

 


 

Het op hol geslagen paard

 

3. Nauwelijks is Tristan op het kasteel in de Franche-Comté aangekomen of de toestand van zijn vader verbetert zienderogen. Het gaat zelfs zo goed dat Tristan na niet al te lange tijd kleine wandelingen kan maken met zijn vader in de omgeving van het kasteel.

Tristan besluit van het korte verblijf in zijn geboorteland te genieten. Iedere morgen gaat hij op jacht en steeds gaan enkele vrienden die ook in die streek wonen met hem mee.

Op een dag echter, juist als Tristan en zijn vrienden achter een groot hert aanjagen, gebeurt er iets. Tristan hoort niet ver achter zich vandaan kreten en hij weet haast zeker dat ze afkomstig zijn van een vrouw. Hij laat zijn vrienden achter het ongelukkige dier aanjagen en houdt de teugels in.

In wilde galop komt een meisje op een paard aangerend. Achter haar komen twee ruiters die roepen. ‘Houdt haar tegen! Pak het paard vast. Het is op hol geslagen!’

 

 


 

Blanche de Mirebel

 

4. Tristan profiteert nu van de kwaliteiten van zijn volbloed Arabische hengst die hij uit Spanje heeft meegenomen. Hij geeft het dier de sporen en zet de achtervolging van het meisje in. De afstand tussen hem en het op hol geslagen paard wordt steeds kleiner…

Al gauw komt het paard langszij. Hij pakt de teugels en trekt de kop van het paard naar achteren. Hij komt juist op tijd.

Het meisje staat op het punt haar bewustzijn te verliezen. Trillend blijft het paard naast hem staan. Het meisje laat zich uit het zadel vallen. Tristan vangt haar in zijn armen op. Dan verliest ze het bewustzijn.

Achter hen klinkt nu hoefgetrappel. De twee lakeien die het meisje tijdens de gevaarlijke rit vergezelden, komen hijgend aan. Angstig kijken ze naar hun meesteres.

 

 

 

 

 

 


 

Waarom gaat u weg?

 

5. De jonge baron legt het meisje in het gras. Nu kan hij beter zien wie hij gered heeft.

Het is nog een kind van ongeveer zestien jaar. Ze is blank als een lelie. Het lange, golvende haar is goudblond. De kostbare kleding, de edele vormen van het paard en de livrei van haar bedienden doen vermoeden dat het meisje van voorname afkomst is.

De oudste van de twee lakeien buigt zich nu over het meisje heen en roept uit: ‘Gelukkig! Onze meesteres is alleen maar geschrokken. Verder heeft zij geen ernstig letsel gekregen.’

‘En dit dankzij u, meneer de baron’

‘Kent u mij?’ vraagt de jongeman verbaasd.

‘Hoe zou ik u niet kennen, meneer de baron? Mijn meester woont dichtbij.’

‘Hoe heet uw meester?’

‘De hertog van Mirebel.’

 ‘Ah’, zegt Tristan en gooit plotseling het hoofd trots naar achteren. ‘De hertog van Mirebel!’ En na korte tijd: ‘En wie is dit jonge meisje?’

‘Dat is juffrouw Blanche, de enige dochter van de hertog.’

‘Ik hoop dat deze gebeurtenis geen nadelige gevolgen voor het meisje zal hebben,’ zegt Tristan koel en hij loopt naar zijn paard.

‘Waar gaat u heen?’ roept de oude lakei. ‘Ik hoopte dat U even zou blijven tot het meisje weer bij kennis is gekomen.

‘Je vergist je, goede man, juffrouw Mirebel heeft geen behoefte aan mijn zorgen en ook niet aan mijn aanwezigheid.’

 

 

 

 

 


 

Weer bij bewustzijn

 

6. Al sinds eeuwen zijn de baronnen de Champ d’Hivers en de hertogen van Mirebel buren. Sedert jaren woedt tussen hen een ononderbroken strijd om de macht. Dat is dan ook de reden dat de eerste reactie van Tristan was om op zijn paard te springen en weg te rijden.

Maar juist op het moment dat hij zijn voet in de stijgbeugels zet, opent het meisje de ogen. Tristan draait zich om. Het meisje schrikt als ze de vreemde ziet. Ze kijkt Tristan strak aan en omklemt de hand van de oude lakei. ‘Wat is er toch gebeurd?’ vraagt Blanche met trillende stem. De oude dienaar vertelt in enkele woorden wat er is voorgevallen. Hij vertelt ook over Tristans moed die haar het leven heeft gered.

Ze strekt haar hand naar hem uit en na een korte aarzeling neemt Tristan die aan. ‘Meneer’, stamelt ze. ‘Wat is er van uw dienst, mejuffrouw?’ vraagt Tristan. Hij probeert kalm te doen en zijn stem vast te doen klinken. Zijn hart klopt echter onstuimig. ‘Meneer’, zegt Blanche nog eens en met een simpel, gracieus gebaar steekt ze haar hand nog eens uit naar Tristan. ‘U hebt me het leven gered’. Tristan neemt haar hand aan en brengt die naar zijn lippen. Hij doet dat echter zo heftig dat het meisje deze direct terugtrekt en een kreet slaakt. Na enkele ogenblikken zegt ze: ‘Zeg me uw naam, zodat ik die aan mijn vader kan vertellen. Wij zullen nooit vergeten wat er gebeurd is’.

 

 

 

 

 


 

Tristan’s liefde voor Blanche

 

7. Nog nooit heeft iemand zo’n diepe indruk op Tristan gemaakt als deze Blanche de Mirebel. ’s Nachts moet hij voortdurend aan haar denken. Hij voelt dat dit het meisje is waarvan hij houdt en waarnaar hij heeft gezocht. Maar dan weer denkt hij aan de strijd die tussen zijn geslacht en het hare al jarenlang woedt. Soms denkt hij: ik ga naar haar toe. Maar dan weer lijkt het hem weer het verstandigste zo spoedig mogelijk de Franche-Comté te verlaten en voor altijd weg te vluchten.

Tristan probeert zichzelf in te prenten dat hij niets om Blanche geeft, maar als het middag wordt, bestijgt hij zijn paard. Geheel alleen rijdt hij naar de plaats waar hij de dag daarvoor Blanche de Mirebel ontmoette en inderdaad lukt het hem een glimp van haar op te vangen. Enkele maanden gaan voorbij, zonder dat Tristan zijn liefde aan Blanche de Mirebel kenbaar durft te maken.

Op zekere dag echter als Blanche aan het bloemen plukken is en wanneer de oude lakei juist iets verder van haar vandaan wandelt dan gewoonlijk, besluit Tristan naar het meisje toe te gaan. Hij wil haar spreken.

Als Blanche plotseling de jongeman ziet, schrikt ze ‘U hier, meneer?’ ‘Wat ik u te zeggen heb …’ zo begint Tristan, maar Blanche laat hem niet verder spreken. Met een vlug gebaar legt ze hem het zwijgen op. ‘Genoeg, meneer’, zegt ze. ‘Ik weet al wat u zeggen wilt en kan verder niet naar u luisteren’.

Wat doen de  woorden van Blanche ertoe? Tristan ziet dat zijn liefde beantwoord wordt.

‘Mag ik u niet nog eens ontmoeten?’ vraagt hij.

‘Regel eerst alle moeilijkheden. Daarna zou ik in aanwezigheid van mijn vader kunnen antwoorden…

 

 

 

 


 

De vete met het geslacht van Mirebel

 

8. De volgende morgen gaat Tristan naar zijn vader. Hij heeft zijn uniform van Spaans kolonel aangetrokken. De oude man zit in een diepe fauteuil weggedoken. Aan één van de muren van  het vertrek hangt een kaart waarop de stamboom van het geslacht Champ d'Hivers staat aangegeven. Aan de andere muur hangen grote familieportretten. ‘Ik ben blij je te zien, mijn zoon, maar waarom dat uniform?’ ‘Ik kom u iets belangrijks vertellen, vader’.

Het gesprek neemt spoedig een minder vriendschappelijke wending.  Tristan vertelt de oude baron van zijn vurige liefde voor de dochter van de hertog van Mirebel.

‘Je spreekt van liefde?’ roept de grijsaard uit. ‘Maar dat is vreselijk en oneervol voor ons’.

‘Oneervol? Maar vader…. ‘ Tristan's lippen worden bleek.

‘En wat wil je nu?’

‘Trouwen met mejuffrouw Mirebel’

‘Wat? Je wilt je naam geven aan de kleindochter van het Zwarte Zwijn?’

De oude man bedaart plotseling. Hij staat moeizaam op en neemt Tristan's arm. Hij brengt hem naar de muur waar de familieportretten hangen.

‘Ik geloof dat ik je al vaak het één en ander over onze voorouders heb verteld, maar misschien ben je 't vergeten’

‘Heb je de rode stipjes op onze stamboom wel eens geteld?’

‘Ja, het zijn er tien, vader. En ik weet waarom dat bloed gevloeid heeft’. ‘Juist. Ik wilde het je nog eens vertellen.’ En de baron herinnert aan de lange reeks misdaden en kleine oorlogen die plaats vonden tussen de beide geslachten. De vete begon met de schandelijke daad van de hertog Fudovic de Mirebel, bijgenaamd het Zwarte Zwijn die Bathilde Champ d'Hivers schaakte om haar enkele uren later onbehoorlijk weg te zenden.

 

 

 

 

 

 


 

Gaat de oude baron akkoord?

 

9. Tristan moet wel het hele verhaal van de vete die tussen beide geslachten sinds vele jaren bestaat, aanhoren. Tevergeefs probeert hij Blanche te verdedigen.

‘Ik begrijp niet dat u het een kind van zestien jaar aanrekent dat haar voorouders niet leefden, zoals u dat wilde’, zegt hij ten slotte.

De baron is nu aan het eind van zijn geduld gekomen en woedend roept hij uit: ‘Waarom praat je steeds over die zaak?’

‘Omdat die zaak mijn hart beroert’, zegt Tristan.

Tristan bereikt niets. Hij probeert zijn vader nog te kalmeren, maar het is al te laat.

‘Op grond van mijn rechten als vader gebied ik je vandaag nog het kasteel te verlaten en terug te gaan naar je regiment.

Ik gebied je die dwaze dromen die alleen maar kunnen opkomen in een zieke geest uit je hoofd te zetten. Als  je ongehoorzaam bent zal ik je niet langer als mijn zoon beschouwen.’

Tristan, wit en geschokt, valt op zijn knieën. ‘Geef uw zegen, vader. Ik zal gehoorzamen en direct vertrekken!’

Even glijdt er een glimlach over het oude gezicht. ‘Je moet zelf weten wat je daar gaat doen. Ga nu, mijn zoon’.

Tristan grijpt de hand van zijn vader en dringt met alle macht zijn tranen terug.

 

 

 

 

 


 

Blanche verliefd

 

10. Een jaar is voorbijgegaan. De oude baron van Champ d'Hivers is gestorven, zijn zoon zijn titel, een enorm fortuin en - wat belangrijker is - zijn vrijheid van handelen nalatend. Tristan, van wie de liefde voor Blanche groter is dan ooit, keert direct terug naar de Franche-Comté.

Ongelukkigerwijs heeft de hertog van Mirebel juist een verschrikkelijke beslissing genomen: tijdens de afwezigheid van Tristan heeft hij de hand van zijn dochter beloofd aan sire Antide de Montaigu, meester van het kasteel De Arend en één van de rijkste en invloedrijkste mannen.

De Montaigu’s zijn, omdat ze familie zijn van de Vaudrey’s, doodsvijanden van de Champ d'Hivers, want de geschiedenis verhaalt hoe een heer van Champ d'Hivers eens in de grote zaal van het kasteel De Arend, een baron van Vaudrey doodde. 

Hoe het ook zij, Tristan die er zeker van is dat Blanche nog steeds van hem houdt, vraagt de hertog van Mirebel om de hand van zijn dochter. De hertog weigert echter.

Blanche wil de beslissing van haar vader ongedaan maken en zij heeft hiertoe een machtig wapen gevonden. De hertog houdt van zijn dochter en hij doet alles om haar gelukkig te maken. Het jonge meisje gaat helemaal op in haar verdriet. Ze eet niet meer, ze drinkt niet meer. Ze wordt hoe langer hoe bleker en kijkt altijd bedroefd. De hertog weet niet wat te doen. Wat zal er als hij zijn weigering volhoudt, met zijn liefste kind gebeuren?

 

 

 

 

 


 

Antide de Montaigu krijgt een brief

 

11. De hertog van Mirebel heeft zo lang als maar enigszins mogelijk was weerstand geboden. Maar door de oprechte  liefde die hij zijn dochter toedraagt, is die weerstand nu gebroken. Er  wordt een brief geschreven aan sire Antide de Montaigu, waarin de vader van Blanche het eens gegeven woord terugvraagt. De heer van het kasteel De Arend wordt doodsbleek wanneer hij deze belediging leest. Dan verschijnt er een wrede grijns op zijn gezicht. Zijn wraak zal vreselijk zijn!

 

Enkele dagen later wordt de verloving van Tristan en Blanche bekend gemaakt. Het lijkt alsof hun geluk volmaakt is.

 

De datum voor het huwelijk is al vastgesteld en de jongelui hebben duizend en één dingen te regelen. Toch blijft er nog wel tijd over om lange wandelingen te maken in het bos en in de omgeving van het kasteel. Blanche de Mirebel is natuurlijk weer geheel gezond.

Tristan die zijn bruid de mooiste geschenken wil geven die hij kan vinden, besluit naar Besançon te gaan, de grootste en belangrijkste plaats van de provincie. Er zijn prachtige winkels en de jongeman bezoekt alle bijouterie zaken in de stad, voor hij de verlovingsring voor Blanche uitkiest. Hij zal een week wegblijven, maar deze tijd zal juist te lang blijken te zijn…

 

 

 

 

 


 

De wraak

 

12.  Als Tristan in Besançon is, hebben Blanche en haar vader het druk met de voorbereidingen voor het huwelijk. Als het avond wordt, gaan ze iedere dag een wandeling maken of ze maken een rijtoer te paard door het bos. Het meisje is vrolijk als vroeger en de hertog is blij dat hij de moed heeft gehad het woord dat hij had gegeven aan sire Antide, terug te vragen. Op een dag echter, juist als ze één van hun wandelingen maken, komt een groep mannen naar hen toe die hen omsingelt. Ze dragen fluwelen mantels en grote capuchons overschaduwen hun gezichten. Een grote man voert de troep aan.

Hij is gekleed als de anderen, maar in plaats van een capuchon draagt hij een zwart masker.

De hertog van Mirebel neemt zijn zwaard uit de schede zich voornemend zich te verdedigen tot het bittere einde. Maar een schot uit een pistool weerklinkt en de hertog laat het zwaard vallen. Hij is dodelijk gewond.

Eén van de mannen tilt Blanche die is flauwgevallen uit het zadel en legt haar in de armen van de man met het zwarte masker. De ontvoerders galopperen weg, de baron op de weg achterlatend. 

Een drama heeft zich voltrokken. Zal Blanche haar Tristan ooit weerzien?

 

 

 

 

 


 

Wie is de dader?

 

13 Als Tristan hoort wat er gebeurd is, gaat hij direct naar het gerechtshof en omdat hij instinctief voelt wie deze dubbele misdaad moet hebben gepleegd, beschuldigt hij de sire de Montaigu. Deze durft na de openbare aanklaging niet te vluchten, maar hij kan zijn woede niet verbergen en hij slingert Tristan de grofste beledigingen naar het hoofd.  Het hof beveelt een huiszoeking op het kasteel De Arend. De huiszoeking staat onder leiding van kolonel Varroz, één van Tristans beste vrienden. Alles blijkt echter tevergeefs. Blanche blijft  onvindbaar en de moord wordt niet opgehelderd.

De sire van Montaigu kan wegens gebrek aan bewijs naar zijn bezittingen terugkeren. Hij leidt daar enkele maanden een kloosterleven in de hoop dat het voorgevallene dat onwillekeurig een nieuwe smet op zijn niet al te beste reputatie werpt, zo spoedig mogelijk zal zijn vergeten.

Tristan sluit zich op in een kamer. Hij wil alleen zijn met zijn verdriet. Zelfs zijn beste vrienden wil hij niet ontvangen. Hij begrijpt dat langs gerechtelijke weg niets tegen de sire van Montaigu is te beginnen.

 

 

 

 

 


 

De geboorte van Raoul

 

14. De tijd doet Tristan zijn verdriet vergeten. Zijn wanhopigheid na de ontvoering van Blanche heeft plaatsgemaakt voor een zachte melancholie. Drie jaar na de verdwijning van Blanche trouwt Tristan met een goed en lief meisje: Odette de Vaubecourt.

Deze verbintenis zal echter niet gelukkig blijken. Na elf maanden schenkt de nieuwe barones de Camp d'Hivers het leven aan een zoon. Ze sterft echter zelf. De jongen krijgt de naam Raoul.

Twee jaren zijn voorbijgegaan. De kleine Raoul heeft als beste vriend een veertigjarige man uitgekozen:

Marcel Clement, de rentmeester van zijn vader. Deze draagt de zoon van zijn meester een warme en oprechte liefde toe.

 

Op een avond als Marcel terugkomt van een bezoek, ziet hij in de verte één van de knechten met een verdachte man staan praten. Hij verschuilt zich achter een boom, maar kan niet horen waar de mannen over spreken. Wel ziet hij dat de vreemdeling de knecht iets in zijn hand duwt bij het uit elkaar gaan. Uit de verte lijkt het een beurs.

 

 

 

 

 

 


 

Wat is er gaande?

 

15.  Als de vreemde man verdwenen is, gaat Marcel Clément naar de knecht toe en vraagt hem wat de vreemde daar deed en waarover hij met de knecht heeft gesproken. De knecht wil echter niet antwoorden en hij blijft onverschillig staan kijken. Marcel krijgt geen woord uit de man en hij wordt hoe langer hoe ongeruster. Wordt zijn meester bedreigd? En wellicht ook diens zoon?

Marcel doet een laatste poging: ‘Morgenochtend kun je je geld komen halen. Je bent ontslagen als je weigert te zeggen wat de man hier deed’.

Maar de knecht blijft onverschillig en hij zegt: Er zijn hier in de omtrek meer kastelen. Ik heb één meester te verliezen maar er wel tien andere voor in de plaats krijgen!’ Jammer genoeg schenkt Marcel geen aandacht aan deze woorden die een grote dreiging inhouden... 

Op een avond als Marcel juist zijn ronde door het kasteel maakt, wordt een deur op een kier geopend. Marcel merkt het niet. Het is middernacht en een geweldig onweer breekt los boven het kasteel. Het hemelvuur is niet van de lucht.

 

 

 

 

 

 


 

Het kasteel Champ d'Hivers brandt

 

16. Marcel Clément is wakker geworden door het lawaai. Hij kijkt uit het venster en ziet plotseling een rode gloed.

Rookwolken stijgen omhoog. Marcel begrijpt dat de bliksem het kasteel in brand heeft gezet en hij gaat onmiddellijk op onderzoek uit.

Hij gaat naar het gedeelte van het kasteel dat in brand staat, maar in één van de gangen ziet hij plotseling een aantal mannen staan met flambouwen in de handen en zwarte maskers voor hun gezichten. Nee, het was niet het een onweer dat het kasteel in vlam zette.

Marcel weet nu dat zijn meester en diens zoon in groot gevaar zijn en hij heeft maar één doel: hen te redden. Dankzij een geheime trap weet hij de kamer van Tristan te bereiken. Een vreselijk schouwspel ontrolt daar voor zijn ogen.

De moordenaars zijn al in de kamer van Tristan geweest en lieten hem achter, badend in bloed. De dood heeft zich reeds over hem ontfermd. Gordijnen en meubelen zijn in brand gestoken en Marcel moet de kamer snel verlaten.

Hij wil proberen de zoon en het fortuin van zijn gestorven meester nog te redden.

 

 

 

 

 


 

De redding van Raoul

 

17. Met zijn jachtmes breekt Marcel een kist open. Daarin bevindt zich een kleine koffer. Tristan heeft hem vroeger verteld dat daar de meest waardevolle bezittingen in verborgen zijn. Marcel steekt de schatten bij zich en snelt dan naar de kamer waarin de kleine Raoul slaapt. De moordenaars hebben noch steeds niet bemerkt dat de trouwe knecht in de kamer van zijn meester is.

De moordenaars hebben de kamer van Raoul nog niet bereikt. Het kind ligt rustig te slapen, onwetend van het grote gevaar dat hem bedreigt.

Marcel neemt het kind uit bed en wikkelt het in de lakens. Dan hoort hij vlugge voetstappen naderen.

Hij aarzelt niet en springt met kind uit het raam. In het park weet hij in de duisternis te ontkomen.

Een seconde later en het geslacht Champs d'Hivers zou zijn uitgestorven.... Marcel verbergt zich in het park achter een boom. Hij kijkt naar het kasteel dat langzaam maar zeker prooi van de vlammen wordt.

 

Dan ziet Marcel opeens het silhouet van een grote man te paard. Hij draagt een zwart masker. Met onmiskenbaar plezier slaat hij de verwoesting van het kasteel Champ d'Hivers gade....

 

 

 

 

 


 

Pierre Prost, de dokter van de armen 18

 

18. Het is in het jaar 1618, enkele maanden na de verschrikkelijke gebeurtenissen op het kasteel Champ d'Hivers.

In het gehucht Longchaumois staat een eenvoudige woning. Pierre Prost, een in Longchaumois populair man, is de bewoner ervan. Pierre heeft vier jaar medicijnen gestudeerd.

Hoewel zijn kennis van de medicijnen maar beperkt is, gaat Pierre in de omstreken door voor een zeer bekwaam dokter. Zijn belangstelling voor iedereen en zijn toewijding hebben hem in de loop van de tijden de naam ‘Dokter van de armen’ bezorgd.

Op 14 januari 1618 trouwde Pierre met Tienette Levillain, een charmant meisje uit Saint-Claude.

Een jaar lang woonde in het huis van Pierre en Tienette het geluk. Dat geluk werd bijna volmaakt, toen Tienette haar man vertelde dat ze een kind verwachtte.

Helaas, aan een te groot geluk komt vaak een einde. De veertiende januari van het jaar 1620 sterft Tienette, nadat zij het leven aan een meisje heeft geschonken.

De volgende dag komen de dorpelingen. Het nieuws van Tienette's dood heeft zich als een lopend vuurtje verspreid. Pierre wil tegen de gewoonte in de begrafenis bijwonen.

Zijn verdriet is echter zo groot dat vriendenarmen de sterke Pierre moeten ondersteunen.

 

 

 

 

 


 

Wat willen die gemaskerde mannen?

 

19. Een wiegje blijft voor Pierre over in het huis waarin hij nog enkele dagen geleden zo gelukkig was. En wie weet zal het wiegje ook spoedig leeg zijn! Want het meisje is zwak en teer. Nacht en dag waakt Pierre bij zijn kind, om zo mogelijk deze laatste herinnering van zijn geliefde Tienette te behouden.

Drie dagen zijn voorbijgegaan. Een geweldige sneeuwstorm woedt in de Jura. Het huis kraakt. Pierre zit bij zijn kind. Het kleine borstje hijgt. Dan opent het meisje haar mondje voor een laatste schreeuw. Het lichaampje ligt stil en er is geen ademhaling meer. De dood is gekomen.

Nadat Pierre voor het laatst de kleine lippen heeft gekust, valt hij op zijn knieën en bidt God hem bij te staan in de eenzame tijd die voor hem ligt.

Als Pierre nog in gebed is, wordt opeens de deur geopend.

Pierre draait het hoofd om en ziet drie mannen, gehuld in donkere fluwelen mantels en met zwarte maskers voor hun gezichten.

Eén van de mannen is groter dan de anderen en hoewel uiterlijk niets hem onderscheidt van de anderen, begrijpt Pierre dat hij de heer is en de anderen zijn knechten.

 

 

 

 

 


 

De opdracht voor Pierre Prost

 

20. ‘Wij zoeken Pierre Prost’, zegt één van de onbekenden.

‘Dat ben ik. Wat wenst u van mij?’ antwoordt de Dokter van de armen vlak.

‘Ik weet’, gaat de ander verder, ‘dat u een bekwaam dokter bent. Men heeft u nodig! Ik verzoek u mij direct te volgen!’

‘Vannacht nog?’

‘Ja, nu meteen’.

‘Maar dat kan niet’ zegt Pierre Prost. Hij kijkt naar de wieg. Mijn kind is zojuist gestorven, nog geen vijf minuten geleden. Ik kan niet met u meegaan. Ik heb er geen kracht en geen moed voor’.

De man met het zwarte masker loopt naar de wieg en kijkt erin. ‘Hebt u vannacht iemand gezien?’ vraagt hij.

‘Niemand dan u’.

‘Dus niemand weet dat dit kind is gestorven?’

‘Niemand’.

‘Dat is goed’.

‘Maar’, mompelt Pierre Prost verwonderd, ‘wat bedoelt u daarmee?’ De man antwoordt niet.

Pierre geeft zich weer aan zijn droefheid over en hij schijnt te vergeten dat hij niet alleen is.

De man met het masker geeft een sein aan één van de mannen. Deze draagt een lantaarn in de hand. De man komt dichterbij en de ander wisselt op fluisterende toon een paar woorden met hem.

Dan wendt deze zich tot Pierre. ‘Geef mij een houweel en die man een schop of een ander tuingereedschap, zodat we de grond kunnen openbreken’.

‘Wat wilt u toch?’.

De man antwoordt niet op deze vraag.

Hij geeft de mannen een teken de gereedschappen die Pierre heeft aangewezen, te halen.

Buiten stormt en sneeuwt het. Een lantaarn belicht even later een vreemd schouwspel. Twee mannen graven eerst de sneeuw opzij en beginnen daarna een gat van één voet breed, twee voet lang en drie voet diep te maken. Van achter één van de ramen van het huis  houdt de man met het zwarte masker toezicht op het werk.

 

 

 

 

 


 

De baby

 

21. Als het werk klaar is, komen de mannen het huis weer binnen. De man met het zwarte masker wordt ongeduldig. Hij keert zich naar de wieg en zegt tegen Pierre: ‘Wilt u uw kind zelf begraven of moet een van mijn mannen het doen?’ ‘Mijn kind begraven?’ roept de dokter uit, ‘ik wil nog niet scheiden van dit lichaampje’.

‘Over vijf minuten’ zegt de onbekende, ‘zal uw kind onder de grond rusten, begraven door mijn mannen’.

‘Als u het zelf niet wilt doen, moeten wij het wel doen’.

De dokter aarzelt.

Een van de mannen loopt naar de wieg toe en wil de dokter van het kind scheiden. Een rauwe kreet ontsnapt aan Pierre's borst en hij werpt zich op de man.

Een gebiedend gebaar van de man met het zwarte masker verbiedt de knecht die de hand al aan zijn riem heeft om zijn jachtmes eruit te trekken, daarvan gebruik te maken.

Pierre Prost heeft het lichaampje in zijn armen genomen.

 ‘Waarom’, mompelt hij, ‘waarom wilt u het me nu reeds afnemen?’

De man met het zwarte masker haalt de schouders op en ruw zegt hij: ‘Denkt u dat ik me op kan houden met uw familieaffaires als een zeer belangrijke zaak - u hoeft niet te weten welke die zaak is - drijft tot handelen? Dit kind moet nu verdwijnen!’

Pierre Prost begrijpt dat hij geen weerstand meer kan bieden. Hij buigt het hoofd en volgt de twee mannen naar buiten.

Deze brengen hem bij het pas gegraven graf en Pierre legt het kind daarin. Enkele ogenblikken later wordt het gat dichtgegooid en alleen een kleine heuvel verraadt wat hier is gebeurd.

Het onweer woedt nog steeds en de sneeuw blijft vallen. Morgen zal alles bedekt zijn onder een koude witte laag.

 

 

 

 

 


 

Pierre wordt geblinddoekt

 

22. Nog één keer komen de vier mannen in het huis samen en nog éénmaal geeft de man met het zwarte masker zijn instructies.

‘Indien u mij gehoorzaamt, zal er niets met u gebeuren. Over enkele uren zult u hier weer gezond en wel zijn. Maar als u ooit een woord mocht uiten over hetgeen gebeurt, zal ik u breken, zoals men een onnuttig en gevaarlijk werktuig breekt. Vergeet dat nooit!’

‘Als u met mijn hulp een misdaad wilt begaan, meneer, dood me dan meteen. Ik zal u dan nooit gehoorzamen.’

Bij deze woorden lichten de ogen achter het zwarte masker even op. ‘U bent dwaas’, roept hij dan uit. ‘U moet heel iets beters doen dan een misdaad begaan. Het gaat om een vrouw die op het punt staat een kind ter wereld te brengen en om het kind dat straks zal worden geboren!’

Pierre aarzelt nu niet meer. Hij haalt enkele voorwerpen uit een kast en doet ze in een fluwelen etui.

‘Is dat alles wat u nodig hebt?’ vraagt de man met het masker.

‘Ja’.

‘U bent dus klaar om ons te volgen?'

‘Ik ben klaar’.

 ‘Dan moet ik nu nog één voorzorgsmaatregel nemen’.

Hij geeft een van zijn knechten een teken en bindt de dokter een zwarte lap voor de ogen.

‘Ik zal zonder dat ik kan zien niet kunnen doen wat u mij opdraagt’, zegt deze. Maar de man met het masker zegt: ‘Als u uw ogen nodig hebt, zult u ze kunnen gebruiken. Laten we gaan!’

De man neemt Pierre's hand en leidt hem naar buiten waar de  storm raast. Pierre denkt weer aan zijn verdriet en hij voelt de twee diepe wonden die in zijn hart zijn gekomen. Hij realiseert zich daardoor niet het gevaar waarin hij zich bevindt, ondanks de  verzekering van de man met het masker dat hem niets zal gebeuren.

 

 

 

 

 


 

Van Longchaumois naar een onbekend kasteel

 

23. Vlak bij het huis van Pierre op de weg van Longchaumois, wacht een vreemd rijtuig met de vier mannen. Twee prachtige zwarte paarden zijn gespannen voor een soort boerenwagen waarvan de wielen zijn vervangen door sleden. Een ongemaskerde man probeert de paarden die schichtig zijn geworden door het onweer, in bedwang te houden. De vier mannen nemen plaats in de slede.

Pierre kent de omgeving van zijn huis als geen ander en hij probeert uit te vinden waar de slee heengaat. Hij heeft echter geen enkel herkenningspunt en hij weet niet  welke richting de slee genomen heeft bij zijn vertrek. Brengt men hem naar Clairvaux, Saint-Claude of Campaniles?

Deze fantastische rit duurt ongeveer twee uur. Dan mindert de slee vaart. De hoeven van de paarden glijden over de sneeuw. De zweepslagen worden minder. Dan staat de slee even stil voor een groot huis dat op hoogte is gelegen. Welk huis is dit?

 

Er zijn tientallen van deze kastelen in Franche-Comtois. Pierre Prost kan het huis dan ook niet herkennen. Er wordt een teken gegeven met een stoot op de jachthoorn waarop Pierre een geluid van kettingen hoort een ophaalbrug die wordt neergelaten. Dan hoort hij een zware ijzeren deur knarsen in haar hengsels.

 

 

 

 

 

 


 

Een bevel om te zwijgen

 

24. De slee glijdt over de brug en zwenkt de deur binnen. Pierre bedenkt dat dit kasteel bijzonder sterk moet zijn. De slee staat stil.

‘We zijn er,’ zegt de man met het zwarte masker. Hij neemt Pierre's hand en helpt hem bij het uitstappen. De wind blaast door Pierre's kleren en de sneeuw slaat in zijn gezicht. Pierre concludeert hieruit dat ze op een soort onoverdekte binnenplaats moeten zijn.

De man met het zwarte masker leidt Pierre over het plein. Hun voetstappen zijn in de sneeuw niet te horen. Eindelijk voelt de dokter steen onder zijn voeten. Een poortje gaat open.

De toegang is zo laag dat de man met het zwarte masker waarschuwt: ‘Buk u!’

Pierre gehoorzaamt en houdt de hand boven het hoofd om zijn gezicht te beschermen. Hij voelt daardoor de rondingen van een gewelf. Op een trap houdt Pierre's begeleider even stil.

‘Over enkele seconden gaat uw taak beginnen,’ zegt hij. U herinnert u alles wat ik heb gezegd?’

‘Ik herinner me alles en ik weet ook nog wat ik daarop heb geantwoord.’ ‘Vergeet dan niet dat je geen woord tegen de vrouw mag zeggen: het zal je dood zijn!’

De twee mannen gaan een steile trap op, hand in hand.

 

 

 

 

 


 

De geboorte van Eglantine

 

25. Een deur gaat dicht. Pierre Post kan weer zien, want een helper heeft de doek van zijn gezicht weggenomen. Ze zijn in een kleine kamer waar als enig meubelstuk een lelijk zwart bed staat. Alle voorzorgsmaatregelen zijn ook hier genomen en Pierre kan direct aan zijn werk beginnen. Maar eerst spreekt de man met het zwarte masker met de vrouw die veel pijn lijdt. ‘Mevrouw, zegt hij zacht, hier is een dokter die u zal helpen’.

‘U weet wat ik u heb gezegd: U zult geen woord tegen deze man spreken, want dat zou uw dood en de zijne betekenen. Deze man zal ook geen woord tegen u zeggen’ en zich tot Pierre wendend: ‘U kunt uw werk beginnen’.

Pierre gaat naar de vrouw. Haar gezicht is bedekt met een soort monnikskap.

Ondanks dat, ziet Pierre dat het een zeer jonge vrouw moet zijn. Een uur later klinkt het gehuil van een pasgeboren kind door de kamer.

‘Is het een jongen of een meisje?’ vraagt de man met het zwarte masker.

‘Een meisje’, antwoordt de dokter. De moeder valt buiten kennis terug in het kussen. Pierre Prost neemt haar pols. De man met het zwarte masker vraagt ongeduldig: ‘Is zij dood of leeft ze?’

‘Ze leeft nog, maar ik ben bang dat het bloed niet weer terug zal vloeien naar de hersenen en dat zou de dood betekenen’.

‘Wat te doen?’

‘Een aderlating. Dan moet ik echter het gezicht van de vrouw kunnen zien’. ‘Nooit!’

 

 

 

 

 


 

Mag de moeder haar baby zien?

 

26. De man met het zwarte masker blijft volharden in zijn weigering: Pierre Prost mag het gezicht van de vrouw niet zien en hij kan dus niet nagaan of door de aderlating het bloed weer naar de hersenen stroomt. Hij wil het echter toch proberen. Hij prikt in de ader en er begint bloed in een leren bak te druppelen. De druppels worden groter en volgen elkaar sneller op.

Na een korte tijd zucht de vrouw. ‘Mijn kind…. waar is mijn kind?’ stamelt ze.

De man met het zwarte masker komt naar voren en beduidt Pierre dat hij niets moet zeggen. ‘Uw dochter leeft, mevrouw, maar u zult het voorbestemmen voor de dood als u zult proberen het weer te zien’.

‘Het weerzien… . het zien… . U gaat het dus van mij  afnemen?’

‘Ja, mevrouw’.

‘En ik zal het nooit terugzien?’ ‘Nooit!’

‘Sta mij dan tenminste toe, het eenmaal in mijn armen te houden. Ik weet dat u geen mededogen kent, meneer, maar weiger me niet éénmaal mijn eigen kind te voelen. 

‘Neem het in uw armen’, zegt de man met het zwarte masker, ‘maar denk erom: spreek geen woord!’ En zich tot Pierre wendend: ‘Geef haar het kind!’

De dokter gehoorzaamt. De moeder sluit het kind dat zij nooit zal zien in haar armen. De man met het zwarte masker staat geduldig toe te zien.

Juist als hij zijn lippen wil openen, om een einde maken aan het afscheid, klinkt een geweldige donderslag. Stukken glas vallen rinkelend in de kamer en de wind heeft vrij spel in het vertrek. Wild wapperen de gordijnen naar binnen.

 

 

 

 

 


 

Toch contact?

 

27. De lamp is plotseling uitgegaan, de kamer in duisternis hullend. Even is de man met het zwarte masker zijn bezigheden vergeten. Hij snelt, gelijk met de man die steeds heeft geassisteerd, naar een gordijn dat langs een brandend stuk hout is gestreken en in brand is geraakt. Pierre maakt van deze gelegenheid gebruik.

Bij buigt zich over het bed heen en fluistert bij het oor van de vrouw ‘Wees niet ongerust, mevrouw. Ik zal over u waken en de zorg over uw kind op mij nemen’. De vrouw die niet eens kan zien wie tot haar spreekt, antwoordt niet. Zij weet nu dat deze vreemde dokter haar goedgezind is.

Haar hand grijpt die van Pierre Prost en laat er een klein voorwerp in glijden. Een ogenblik later staat hij op zijn plaats. Niemand heeft iets van het gesprek gemerkt.

Even later gebiedt de man met het zwarte masker de bediende om de zwarte doek weer voor Pierre’s gezicht te binden.

‘Neem het kind en ga naar beneden. Wij volgen je’. De dokter van de armen heeft niets kunnen ontdekken dat de arme vrouw zou kunnen helpen. Hij heeft haar stem niet eens gehoord! Alleen het kleine voorwerp dat ze hem gaf zal misschien een aanwijzing kunnen geven.

 

 

 

 

 


 

In de gangen van het kasteel

 

28. Plotseling krijgt Pierre een idee. Hij weet dat de bak met bloed vlak voor zijn voeten staat en als bij toeval, loopt hij tegen deze bak aan. Hij doet alsof hij zijn evenwicht verliest en grijpt naar de bak. Hij ziet kans zijn hand in het bloed te dopen.

De man met het zwarte masker ziet Pierre wel struikelen en hij ziet ook dat zijn hand in het bloed terecht komt, maar hij hecht geen enkele waarde aan het incident. Hij gebiedt Pierre zelfs niet het bloed van zijn handen te vegen.

Even later lopen de man met het zwarte masker en Pierre Prost op de trap.

De man met het kind in armen wacht hen daar op. De dokter telt, evenals bij het heengaan, de 22 treden in de hoop dat dit kleine detail zal kunnen meewerken aan de oplossing van dit duistere mysterie.

Als de kleine stoet beneden komt, moet Pierre zich weer bukken om door het poortje te gaan. Hoewel dat nu eigenlijk niet meer nodig is, strijkt Pierre met zijn bebloede hand over de bovenkant van de poort. De man het zwarte masker merkt dit gebaar niet op.

 

 

 

 


 

De opdracht voor Pierre Prost

 

29. Pierre Prost en de man met het zwarte masker zijn nu op de onoverdekte binnenplaats aangekomen. De bediende met het pasgeboren kind in de armen loopt voor hen uit. Het stormweer is nog steeds niet bedaard en het sneeuwt zo mogelijk nog harder dan tijdens de heenweg.

Dan wendt de man met het zwarte masker zich plotseling tot Pierre Prost: ‘Ik zal u een beurs met geld geven voor de opvoeding van uw kind’.

‘Helaas, u weet even goed als ik dat mijn kind dood is.’

‘Uw kind leeft!’ antwoordt de man met het zwarte masker vastberaden.

De slee staat weer voor de poort. Pierre neemt erin plaats met het kind dat de bediende hem gaf, in de armen.

De man met het zwarte masker geeft hem een beurs vol goudstukken en zegt: ‘Onthoudt dat de gebeurtenissen van deze nacht een droom zijn geweest die je aan niemand mag vertellen.

Over enkele uren ben je weer terug in je huis en in de wieg ligt een klein kind. Begrijp je wat ik bedoel?’

‘Ja, ik begrijp het.’

‘Je gaat dit kind dus opvoeden, zoals je het je eigen kind zou doen en niemand weet dat het niet je eigen kind is. Maar vergeet niet: Eén woord over dit alles en het zal je dood zijn....’

De paarden voor de slee trekken aan. De man met het zwarte masker blijft enkele ogenblikken in gedachten verzonken het vreemde rijtuig nakijken. Wat denkt de man op het ogenblik? Wat zijn de drijfveren voor zijn vreemde houding? Zal de man, aan wie hij het kind vertrouwde het grote geheim kunnen bewaren?

De slee glijdt over de sneeuw. Pierre zit in gedachten verzonken. Voor hem is het voorgevallene één groot mysterie waarin geen enkel lichtpuntje is te zien. Nooit tevoren had hij deze man met zijn zwarte masker gezien en de gedachte aan de jonge vrouw die hij niet heeft kunnen zien en die hij niet heeft kunnen helpen, maakt hem oneindig moe.

 

 

 

 

 


 

Eglantine

 

30. Als de slee in Longchaumois aankomt, begint het al dag te worden. Het onweer is een beetje gestild, maar nog steeds sneeuwt het. Pierre Prost die in de war is gebracht door de snelheid waarmee het traject werd afgelegd, weet niet beter of de slee is nu op de helft van de route.

‘Waar zijn we?’ vraagt hij zijn begeleiders.

‘Dat zult u over enkele minuten zien.’

De dokter wordt met het kind de woning binnengeleid.

‘U mag de doek pas van uw gezicht doen, nadat u twintig Ave Maria's hebt gebeden,’ zegt een van mannen.

Pierre doet wat hem is opgedragen. Onbeweeglijk staat hij in het huis. Terwijl hij bidt, hoort hij paardenhoeven en hij weet dat dit het geluid is van de vertrekkende slee.

Dan is het volkomen stil om hem heen. Tegen zijn borst voelt hij het hart van het kind kloppen. Als Pierre zijn masker afdoet, bemerkt hij dat hij in zijn eigen huisje is. Hij legt het meisje in het lege wiegje. Dan, als hij naast het wiegje zit, haalt hij het voorwerp voor de dag dat de arme vrouw hem gaf. Het is een prachtig medaillon van puur goud waarop een kleine wilde roos, een Egelantier, is afgebeeld, gezet in diamantjes. En in de beurs die de man met het zwarte masker hem gaf, vindt Pierre tot zijn verbazing 10.000 goudstukken!

Pierre's vrienden die het kleine meisje na de geboorte zwak en teer hadden gezien, zijn verbaasd als ze de blozende baby zien. Hun verrassing wordt echter nog groter, wanneer Pierre hun vertelt dat hij zijn dochter Eglantine (Egelantier) zal noemen.

 

 

 

 


 

Champagnole, 1638, achttien jaar na die geheimzinnige nacht 31

 

31. Het  is in het jaar 1638, achttien jaar na de geheimzinnige nacht van 17 januari 1620, de nacht waarop Pierre Prost thuiskwam met een kind dat niet het zijne was.

 

De lezer zal verbaasd zijn over deze grote sprong in de tijd, maar hij moet dan bedenken dat wat hiervoor werd verteld, slechts een inleiding was tot de tragische historie die nu volgt.

 

Champagnole is een gehucht, zoals er zoveel zijn in De Franche-Comté. Op deze koude en donkere dag in december is de hoofdstraat leeg en verlaten. Alleen een paar boeren haasten zich naar huis waar de kachel haar warmte verspreidt.

De stilte wordt plotseling verbroken door de komst van een ruiter die, gehuld in een bruine mantel, de hoofdstraat inrijdt. Zijn paard is vermoeid.

In deze tijd behoort De Franche-Comté aan Spanje. Drie jaar geleden nog was De Franche-Comté een welvarende provincie, maar nu moet men zich allang met heldenmoed verdedigen tegen de binnentrekkende vijanden: De Fransen die worden aangevoerd door Condé, Villeroy en de hertog van Longueville.

Bovendien moeten de inwoners van De Franche-Comté vechten tegen een Zweeds leger dat wordt aangevoerd door Bernard van Saxen-Weimar en dat het noordelijke deel van het land verwoestte.

Toch zijn er in De Franche-Comté enkele groepen die worden aangevoerd door ware helden en die met doodsverachting hun land verdedigen. Deze groepen worden gesteund door de rijken.

Daartegenover telden de Fransen echter grote roversbenden die de inwoners van De Franche-Comté ‘De Grijzen’ noemen. Deze Grijzen worden aangevoerd door twee beruchte mannen, de kapiteins Lespinassou en Brunet.

Ziedaar, in welke droevige toestand de arme provincie zich bevindt, nu we ons verhaal hervatten.

De ruiter en zijn paard komen weldra aan bij een huis dat er iets groter en beter verzorgd uitziet dan de huizen die het omringen.

Op de witte muur staan enkele woorden die de aandacht van de ruiter trekken.

 

 

 

 

 


 

Het gesprek met de herbergier

 

32. De ruiter stijgt van zijn paard. Het is een knappe jongeman van een ca. 24 jaar. Zijn gezicht is regelmatig gevormd en zijn ogen hebben een vastberaden uitdrukking. Alles aan deze jongeman verraadt dat hij van goede afkomst is. Als hij aan de deur klopt, komt een man met een joviaal gezicht, van ongeveer 55 jaar, naar buiten. ‘Wilt u uw paard in de stal hebben, meneer?’

‘Ja, en ik wil dat het even goed wordt verzorgd als ikzelf.’

‘Het is goed dat u uw paard goed laat verzorgen. Het is een kostbaar dier van bijzonder ras.’

‘Hebt U verstand van paarden?’

Al pratend brengen de twee mannen het paard naar de stal.

‘Of ik er verstand van heb’, zegt de herbergier. ‘Ik heb vijftien jaar bij de cavalerie gediend. Vraag maar eens aan kolonel Varroz hoe hij denkt over Jacques Vernier. En wie weet.

Misschien zal er eens een dag komen dat ik, al ben ik 58 jaar, nog op mijn paard stijg! En leve kapitein Lacuzon. Dat is nog eens een man! Die ziet er niet tegenop te sterven voor de vrijheid!’

Al pratend  lopen de mannen verder. De herbergier brengt de jongeman naar de keuken. Deze gaat aan een tafel zitten en hoeft niet lang op zijn maal te wachten. Een jong meisje bedient hem en de herbergier die blij is dat hij tegen iemand kan praten, houdt hem gezelschap.

‘Wie is toch die kolonel Varroz, over wie u zo-even sprak?’

De herbergier kijkt de jongeman op deze vraag stomverbaasd aan.

‘Ik geloof dat u hier volkomen vreemd bent, meneer...’                       

‘Inderdaad, ik ben hier vreemd en ik kom van ver...’ antwoordt de reiziger.

 

 

 

 

 


 

De aanvoerders van het vrijheidsleger

 

33. ‘U bent toch hoop ik geen Fransman?’ vraagt de herbergier aan zijn jonge gast.

‘Nee.’

‘En ook geen Zweed?’

‘Ook dat niet.’ ‘Gelukkig! Wel, kolonel Varroz is een van de leden van ons grote driemanschap.’

‘Van welk driemanschap spreekt u?’ ‘Ik bedoel hiermee Varroz, Jean-Claude Prost en pastoor Marquis, onze drie grote helden!’

‘En die kapitein Lacuzon, over wie u zo-even sprak?’ ‘Lacuzon en Jean-Claude Prost zijn één en dezelfde man. Lacuzon is een bijnaam. Maar bent u werkelijk helemaal niet op de hoogte van de situatie hier?’

‘Ja, ik weet dat De Franche-Comté een moedige strijd voert voor zijn onafhankelijkheid en dat de inwoners sinds drie jaar strijden tegen de Fransen...’

‘En tegen de Zweden, meneer!’

‘En de drie mannen, over wie u het had: wat doen die?’

‘Wel, toen de Zweden over de bergen trokken en ons land plunderden, kinderen en grijsaards doodden en de huizen in brand staken, stonden de boeren op.

Zij vormden een leger en hoewel geen enkele soldaat soldij ontving, vocht men tot het uiterste voor het behoud van het land en nog steeds vecht dit leger!’

‘En natuurlijk,’ onderbreekt de reiziger dit verhaal, ‘natuurlijk zijn Varroz, Lacuzon en Marquis de aanvoerders van dat leger!’

‘Inderdaad, dit driemanschap voert ons leger aan!’

‘Jean-Claude Prost was eerst Varroz’ rechterhand, maar nu is hij zijn gelijke. Hij is nauwelijks 22 jaar, maar wat een man! Iedereen vereert hem en de soldaten willen voor hem sterven.’

‘Hoe komt men aan die naam Lacuzon?’

Wel, La cuzon is in dialect: de bron, begrijpt u?’

‘Ik begrijp het. En de derde man, pastoor Marquis?’

‘Dat is de pastoor van het kleine dorpje Saint-Lupicin. Een groot prediker en een groot soldaat! Hij strijdt met het gebed en het zwaard. Als hij vecht draagt hij een rode mantel. Hij heeft verder niets om zich te verdedigen.’

 

 

 

 


 

Waarom raakt de jongeman van streek?

 

34. ‘Op de gezondheid van kapitein Lacuzon’, roept Jacques Vernier in vervoering uit en hij stoot zijn glas tegen dat van de reiziger.

‘Waar is kapitein Lacuzon geboren?’ vraagt deze.

‘Hij komt uit Longchaumois. Dat ligt hier een paar kilometer vandaan’.

‘Heeft hij veel familie?’

‘Nee, op het ogenblik is hij bijna alleen op de wereld.’

‘Wat? Geen broer of zuster?’ vraagt de jongeman en zijn stem trilt licht.

‘Nee, zijn enige familielid is de broer van zijn vader, Pierre Prost die bekend staat als de Dokter van de armen. Ja, dat is een droevige geschiedenis met Pierre, een geleerde en een goed man!’

‘Een trieste geschiedenis?’

‘Wat is er dan met hem gebeurd?’ vraagt de jongeman. Hij is bleek geworden. ‘Zijn vrouw stierf bij de geboorte van haar dochtertje en Pierre werd bijna gek van verdriet. Hij noemde zijn dochtertje Eglantine in plaats van Jeanne-Antoine, of Jeanne-Marie, zoals alle mensen hier in de buurt doen.

Twee of drie jaar daarna verdween Pierre met zijn dochtertje. Zelfs zijn eigen broer wist niet waar hij heen was gegaan’.

‘En toen?’

‘Vijftien of zestien jaar gingen voorbij zonder dat iemand iets van hem hoorde. ‘En daarna?’ vraagt de jongeman. ‘Vorig jaar kwam Pierre Prost in het land terug’.

‘Met zijn dochter?’

‘Nee, meneer. Hij kwam alleen. Het schijnt dat zijn dochter dood is’.

‘Dood’, mompelt de jongeman voor zich uit en in zijn ogen verschijnt een oneindig droevige uitdrukking.

‘Maar hoe kan dat?’

‘Niemand weet het en misschien is het ook wel niet waar. De mensen praten veel en men kan zich vergissen ...’ De herbergier ziet dat zijn verhaal de jongeman van streek heeft gemaakt en hoewel hij hiervan niets begrijpt, gaat hij stil de kamer uit, de jongeman alleen achterlatend ...

 

 

 

 

 

 

 

Door de Morez-vallei

 

35. Een kwartier later als de jongeman zijn gevoelens weer kan verbergen, gaat hij naar de herbergier toe. ‘Ik wil u graag betalen en dan ga ik weer op weg’, zegt hij eenvoudig.

De herbergier kan zijn verbazing niet verbergen. ‘Wat? Bent u ontevreden over mijn herberg?’

‘O nee dat niet. Maar ik móét nu weggaan. Ik wil u nog één dienst vragen: kunt u me helpen aan een gids?’

‘Waar wilt u heengaan, meneer?’ ‘Naar Saint-Claude!’

 ‘Lieve help! Naar Saint-CIaude?’

‘Ja, is dat zo iets verbazingwekkends?’

‘Maar u zult er niet levend aankomen. U zult vermoord worden door de Grijzen of door de Zweden. U tekent uw eigen doodvonnis door te gaan’.

‘Het is jammer’, zegt de jongeman, ‘maar dan zal ik toch alleen vertrekken’.
De herbergier probeert de jongeman tevergeefs van zijn plan af te brengen. Als hij echter inziet dat niets hem kan weerhouden, zegt hij: ‘U hebt een gids nodig! U vergeet dat u dit land helemaal niet kent’.

‘Dat hindert niet. U volgt  steeds de weg die hier langs mijn herberg loopt. Het is nog een heel eind en u zult moeten klimmen en dalen. Maar zo komt u in Saint-Claude’.

En is er geen andere weg?’

‘Ja, er is nog een weg, maar die is slecht begaanbaar en die gaat door de Morez-vallei en langs Longchaumois.’

‘Dan neem ik die weg. Als u me tenminste kunt helpen aan een gids…’ 

‘Het is goed, het is goed’, mompelt de herbergier, ‘u zult uw zin hebben ... ‘

Als de vreemdeling alleen in de kamer is gebleven, laat hij zijn gedachten de vrije loop.

‘Dood,’ mompelt bij. ‘Ze is dood en ik zal haar nooit weerzien. Wat doe ik op deze wereld als Eglantine er niet meer is?’

En als hij even in gedachten verzonken heeft gestaan: ‘Nee, het is niet mogelijk! Eglantine is niet dood, ze leeft. Dat voel ik. Is mijn hele bestaan niet aan haar verbonden? Ik moet vertrekken en zoeken. Ik moet kapitein Lacuzon vinden. Hij alleen kan me de waarheid vertellen!’

 

 

 

 

 

De weg door bossen en bergen

 

36. Jacques Vernier komt al gauw terug met de aangekondigde gids. Het is een boerenjongen van een jaar of 13, 14 en hij is groot voor zijn leeftijd. ‘Het is een pientere knaap’, prijst de herbergier zijn gids aan, ‘En als hij een paar jaar ouder was, zou hij een geweldig soldaat in ons vrijheidsleger zijn. Ik verzeker u dat u deze jongen volkomen kunt vertrouwen.’

‘Ik ben tevreden’, zegt de vreemdeling. ‘Het lijkt me een flinke en sympathieke jongen en in plaats van één daalder, geef ik hem er twee.’

Vijf minuten later verlaat de jongeman vergezeld van de gids Champagnole.

Het paard loopt heel langzaam, om de jonge gids niet te vermoeien. Deze loopt echter, bij in het vooruitzicht aan de twee beloofde daalders, flink door.

Een lichte nevel daalt over de bergen. Het geluid van de paardenhoeven op de stenen klinkt in de stilte doordringend. De jongen fluit een wijsje.

Na twee uur lopen door het bos komen Nicolas Paget, de gids en de onbekende bij zeer dicht kreupelhout aan. De jongen raadt de man aan van zijn paard te stappen. Het is gaan sneeuwen. De twee mannen lopen zwijgend verder.

 

 

 

 

 


 

Moet de reiziger alleen verder?

 

37.  De nacht valt. Een ijzige wind striemt de gezichten van de reiziger en zijn gids. Ondanks zijn dikke mantel is de vreemdeling doornat. Als de weg heel slecht wordt, zegt hij: ‘Noemen ze dat bij jullie een weg? Komt hier dan nooit iemand langs?’

‘Alleen een paar houthakkers en sprokkelaars, verder niemand. De mensen uit Champagnole die naar Saint-Claude moeten, gaan over Clairvaux, maar Jacques Vernier zei me dat u deze weg wilde volgen’.

Eindelijk komt het eind van dit vermoeiende gedeelte van de reis in zicht. Er zijn steeds minder bomen en het wordt iets lichter. De twee reizigers zijn nu aan het eind van het woud gekomen. Ze staan op het uiterste punt van een steile helling die uitloopt in een diepe kloof. Het is nu middernacht, maar het is volle maan.

Een  blauwachtig licht verlicht de besneeuwde bergtoppen van de Jura en het plateau waarop de onbekende en zijn gids staan.

Door de verlichte toppen lijkt de diepte aan de voeten de reizigers nog donkerder en angstwekkender, dan die reeds is. De helling die steil is als het schuine dak van een huis, is bedekt met sneeuw.

‘Meneer’, zegt jongen plotseling, ‘ik ga u hier verlaten!’

‘Waarom?’ roept de reiziger verbaasd uit. ‘Ga je weg? En waarom?’

‘Omdat we nu d'Orsières naderen en dat is een heksennest’ antwoordt Nicolas Paget met trillende stem.

De vreemdeling die het bijgeloof van deze mensen kent, glimlacht.

 

 

 

 

 


 

De val van de reiziger

 

38. De onbekende is echter niet erg blij met het vooruitzicht de rest van de tocht alleen te moeten ondernemen. En de jonge Nicolas Paget is vastbesloten geen stap verder te gaan.

‘Wat moet ik zonder gids beginnen?’ vraagt de reiziger hem.

‘Meneer’, zegt de jongen, ‘de weg is heel gemakkelijk te vinden. Ik zal u zeggen  hoe u verder moet gaan’ en hij geeft alle nodige aanwijzingen.

De reiziger geeft zijn gewezen gids de twee beloofde daalders en daarna haast de jongen zich terug.

De vreemdeling is nu helemaal aangewezen op zichzelf en zijn paard. De tocht naar beneden begint. Het  paard is angstig en het verzet zich in het begin. De tocht is zeer gevaarlijk en de vreemdeling herinnert zich opeens de waarschuwingen van de herbergier.

Zijn paard glijdt uit en zijn val is niet meer te stuiten. De sneeuw is glad en met het paard glijdt de reiziger naar beneden. Hij betreurt het ogenblik waarop hij deze weg verkoos boven de betere.

 

 

 

 

 


 

Wat is dat voor een huisje?

 

39 Als door een wonder komen ruiter en paard na een langdurige glijpartij behouden beneden aan. Na even verdoofd op de grond gelegen te hebben, staat de jongeman op. Hij betast zijn paard en merkt dat het niets mankeert. Hijzelf heeft een paar  onbeduidende schrammen opgelopen. Vrolijk fluit de reiziger een wijsje, terwijl hij zijn kleren afklopt en even later bestijgt hij zijn paard.

Hij bereikt de molen die Nicolas Paget hem had aangeduid en korte tijd later komt hij bij het snel stromende water van de Bienne aan. De inlichtingen die de gids hem gaf, kloppen precies! De vreemdeling drijft zijn paard het water in dat niet hoog staat. Het reikt nauwelijks tot de knieën van het dier dat zijn kalmte heeft hervonden.

De doortocht gebeurt zonder incidenten en dat lijkt de reiziger een goed voorteken.

Als de jongeman en zijn paard de Bienne doorgewaad zijn, beklimmen zij de helling waarover de weg verder loopt. Een uur lang rijdt de man verder. Als hij eindelijk op een iets hoger gelegen punt komt, ziet hij tussen de bomen door in het licht van de maan de huizen van een klein dorp aan de voet van een bergketen. Dat dorp heet Longchaumois.

Enkele minuten later komt de ruiter bij het begin van het gehucht. Iets verder staat een huisje dat er uit ziet als alle huisjes in Longchaumois: alleen een benedenverdieping en alle deuren en ramen kijken uit op de weg.

 

 

 

 


 

Het kleine huis in Longchaumois 40

 

40  De reiziger stopt in de schaduw van enkele bomen. Hij staat doodstil en luistert. Hij hoort een zacht geluid van stemmen en daar doorheen het kletteren van sabels. Daartussendoor klinkt gesteun en een zacht gekerm. Het lijkt of al deze geluiden uit het huisje komen.

De jongeman aarzelt even, niet wetend wat te doen. Maar plotseling ziet hij vlak bij het huis een lange jongeman. Zijn zwarte haar golft tot op zijn schouders en de reiziger ziet in het maanlicht dat het gezicht van de nieuwaangekomene een edele en nobele uitdrukking heeft.  Langzaam en geen geluid makend loopt de man om het huis heen.

Zijn donkere ogen fonkelen verontwaardigd. Het lijkt of de man zich verschrikkelijk opwindt over hetgeen hij door het venster in het huis ziet gebeuren.

De man loopt nog een paar keer om het huis heen en dan blijft hij staan bij het venster. Onbeweeglijk volgt hij alles wat er daar binnen gebeurt. Hij heeft er geen idee van dat hij zelf bespied wordt. Wat zich daarbinnen afspeelt, schijnt vreselijk te zijn.

De man staat zich te verbijten en het lijkt erop of hij zo dadelijk zal ingrijpen.

 

 

 

 

 


 

Opent hij de deur?

 

41. Wat gebeurt er ondertussen in dat geheimzinnige huisje?

Wij gaan ongeveer een half uur terug vóórdat de onbekende reiziger bij het huis zal arriveren.

In één van de twee vertrekken van het huis dat toebehoort aan Jean Claude Prost (zoals we weten niemand anders dan kapitein Lacuzon) zit een kleine man van een jaar of veertig uit te rusten van zijn dagtaak. Zijn koude voeten warmt hij bij het vuur van de haard. Het is de bediende en vertrouwensman van kapitein Lacuzon.

Dan is er plotseling een klop op de deur. Buiten staan acht mannen met stuurse gezichten. Ze zijn tot aan de tanden gewapend. Eén van de mannen is bijna een hoofd groter dan de anderen en hij blijkt de aanvoerder van de troep te zijn.

Hij heeft een onbetrouwbaar gezicht en een groot litteken loopt dwars over zijn ene wang en eindigt bij de lip waaruit een stukje is weggerukt. Daarom lijkt het of de man voortdurend een scheve grijns op zijn gezicht heeft. ‘Wie bent u?’ vraagt de bediende niet erg zelfverzekerd.

‘Een vriend’, zegt de man met het litteken, ‘wij zijn van jullie partij. Ik kom van de kapitein.’

‘Van mijn meester? Dan moet u het wachtwoord noemen.’

‘Ja.... de kapitein heeft het me gezegd.... maar ik ben het vergeten. Je moet ons allen echter binnenlaten en de deur achter ons sluiten. We hebben een boodschap. Je meester is in groot gevaar!’

Dit alles klinkt zo zelfverzekerd dat de man de deur opent. Eerst neemt hij echter van de muur een oud geweer…

 

 

 

 

 


 

De verschrikkelijke Lespinassou

 

42. Zodra de deur achter hen is gesloten, is ieder spoortje van vriendelijkheid bij de acht mannen verdwenen. Drie van hen werpen zich op de bediende en binnen enkele seconden hebben ze hem het oude geweer ontfutseld en de handen op de rug gebonden.

‘De Grijzen!’ mompelt de bediende angstig voor zich heen. ‘Het zijn de Grijzen!’ Hij werpt een blik op de grote man die zich in een stoel heeft laten vallen en opeens begrijpt hij wie dit moet zijn: ‘Lespinassou!’ schreeuwt hij uit.

Het is inderdaad de verschrikkelijke Lespinassou, het monster zonder gezicht dat met niemand medelijden heeft. Nu trekt hij met zijn geschonden lip en lacht ruw: ‘Ha, je vergemakkelijkt de gang van zaken een beetje.’ Hij gaat nog een beetje luier zitten en werpt zijn hoed op de tafel.

De ongelukkige bediende wordt voor Lespinassou geleid. Eén van de mannen zet de punt van zijn zwaard op de borst van de knecht en vraagt: ‘Waar is Lacuzon?’

‘Ik weet het niet’, mompelt de bediende met een dodelijk verschrikte stem.

‘Waar is Varroz?’ ‘Ik weet het niet.’

‘En Marquis?’…..

‘Wel’, zei Lespinassou met een afschuwelijk vriendelijke stem die lijkt op de streling van een tijger: ‘Je weet dus niets?’

‘Niets, niets. Ik weet niets.’ De Grijzen zien echter wel dat zij met deze man weinig moeite zullen hebben: Hij is zo bang als een wezel.

 

 

 

 

 


 

De donkere jongeman schiet te hulp

 

43. We zijn nu weer buiten het huis waarin de arme knecht wordt bedreigd door de infame Lespinassou. Nog steeds verscholen achter enkele bomen volgt de reiziger de bewegingen van de man met de lange zwarte haren. Deze wordt hoe langer hoe meer opgewonden bij het zien van wat er daarbinnen voorvalt.

Dan klinkt vanuit het huis een luide schreeuw. Na deze sinistere kreet blijft het enkele seconden doodstil.

Maar de jongeman met het zwarte haar heeft nu partij gekozen. Hij heeft in zijn linkerhand een pistool en in zijn rechter een zwaard. De reiziger beweegt zich niet, hoewel hij zich graag bij deze man zou voegen.

Want hoewel hij hem niet kent, voelt hij een onberedeneerbare sympathie voor de donkere jongeman die zich moedig, geweldig moedig toont.

Want hij neemt een korte aanloop en springt even later door het raam het huis binnen. Er volgt een hevig gekraak. Dan is de man verdwenen.

De reiziger ziet niets meer van hem. Hij hoort dat het even stil wordt in het huis, maar dan breekt een tumult los dat nog groter is dan het vorige....

 

 

 

 

 


 

Het gevecht

 

44. Dat is juist het moment waarop de bediende, Pelerin, zwicht voor de overmacht. Doe dat zwaard weg, ik zal jullie alles zeggen. Waar Lacuzon is weet ik niet, maar Varroz en Marquis zijn in …’

Hij heeft geen tijd om zijn zin af te maken, want op dat moment stormt een donkere man door het raam. Hij staat plotseling tussen de Grijzen die zo gauw niet weten wat te doen.

Direct begint de jongeling te vuren en één, twee Grijzen vallen neer. Een grote verwarring ontstaat. Wie is deze onbesuisde jongeman die letterlijk en figuurlijk zomaar het huis komt binnenvallen? De onbekende maakt echter gebruik van de verwarring. Nog een Grijze valt op de grond.

De man gaat naar de muur en blijft met zijn rug ertegen staan om zeker te zijn dat hij niet van achter zal worden aangevallen.

Een vierde man sneuvelt. De andere drie beginnen nu radeloos te worden. Lespinassou overziet de toestand echter en als hij merkt dat hij slechts met één tegenstander te doen heeft, roept hij: ‘Hij is alleen en wij zijn met ons vieren. We moeten hem doden.’ En hij vuurt met zijn twee pistolen. Maar zijn handen trillen en hij mist zijn doel.

De onbekende vecht door. ‘Verrader!’ zegt hij. ‘O, denk maar niet dat ik je niet ken. Je bent het beest Lespinassou. Wees een kerel en laten we vechten, man tegen man.

 

 

 

 

 


 

Kan hij de strijd wel winnen?

 

45. Als Lespinassou voorzichtig een paar passen in de richting van de jongeman doet, springt deze op hem toe en een geweldige strijd begint. Hoewel de nieuw aangekomene groot is, steekt Lespinassou nog wel een hoofd boven hem uit. De ander is echter vlug en behendig en Lespinassou begrijpt dat hij het gevecht van man tegen man zal verliezen. Hij heeft echter nog drie helpers en tegen hen schreeuwt hij: ‘Lafaards! Kunnen jullie me niet helpen? Je ziet toch dat hij alleen is…. !’

Na deze woorden verzamelen de overgebleven Grijzen weer moed en ze mengen zich in de strijd die nu zeer ongelijk wordt.

De jongeman staat met zijn rug tegen de muur en hij kan niet anders doen dan met de grootst mogelijke behendigheid de vier zwaardpunten van zich afhouden.

Van een aanval is voor hem geen sprake meer!

Hij wordt moe. Het bloed gonst hem in de oren. Hij verzamelt nog éénmaal al zijn kracht en weet nog één van de aanvallers neer te slaan. Even deinzen Lespinassou en zijn twee helpers terug, maar dan herstellen zij zich en de strijd zal op deze manier niet lang meer duren.

De drie bandieten zien dat de krachten van hun tegenstander afnemen. Ze zien dat hij begint te wankelen en dat hij nog slechts automatisch hun slagen afweert.

 

 

 

 

 


 

De jongeman krijgt hulp

 

46. Lespinassou en zijn twee helpers zijn in de aanval en ze voelen dat ze in deze ongelijke strijd overwinnaar zullen worden. De dappere jongeman is doodmoe. Hij kan zijn arm bijna niet meer opheffen om de slagen af te weren en zijn benen kunnen hem nauwelijks dragen. Hij besluit de strijd op te geven. Hij laat zijn armen hangen en de drie mannen heffen hun zwaard al op. De jongeman buigt zijn hoofd en wacht op de dood.

Maar in plaats van de dood daagt er plotseling hulp op. Buiten klinkt een stem: ‘Houd nog even vol. Ik kom helpen!’ Een jongeman springt door het geopende venster en vuurt uit zijn twee pistolen. Eén van de Grijzen valt neer.

De nieuwaangekomene is niemand anders dan de jongeman met wie we reeds kennis hebben gemaakt in de herberg van Jacques Vernier en die we hebben vergezeld op zijn tocht naar Longchaumois.

Hij gaat naast de jongeman met het donkere haar staan en neemt zijn zwaard in de hand. ‘Nu spelen we gelijk spel!’ schreeuwt hij tegen Lespinassou. ‘Twee tegen twee.’ Laat nu eens zien hoe moedig je bent.’

Meteen gaat hij tot de aanval over en de donkere jongeman die zich door deze onverwachte hulp gesterkt voelt, grijpt opnieuw naar zijn zwaard en vecht verder.

 

 

 

 

 


 

Lacuzon

 

47. Lespinassou toont nu hoe laf hij eigenlijk is. Hij begrijpt dat hij deze strijd zal verliezen en hij ziet in het raam dat nog steeds geopend is, een kans om te ontsnappen. Hij neemt een sprong en verdwijnt tussen de bomen, gevolgd door zijn moedige helper. Een moment wil de vreemde jongeman de twee vluchtenden achterna gaan, om hen hun gerechte straf te geven, maar als hij ziet hoe zwak de donkere man is, besluit hij hem gezelschap te blijven houden.

Deze neemt de hand van zijn redder en zegt eenvoudig: ‘Wat u ook mag zijn, meneer, Fransman, Spanjaard of Zweed, kapitein Lacuzon zal voor het leven uw vriend zijn!’

‘Lacuzon…..’, herhaalt de ander, ‘u bent Lacuzon?’

‘Jazeker’. Het is een gelukkig toeval dat ik u hier vindt!’

 ‘Een gelukkig toeval? Maar meneer, ik ken u niet en hoe kent u mij?’

‘Ik heb iets belangrijks met u te bespreken, kapitein en ik ben vanuit Champagnole hierheen gereisd in de hoop u hier te zullen ontmoeten!’

‘Wat hebt u mij dan te zeggen?’ vraagt Lacuzon.

‘Dat is een lange geschiedenis, kapitein en de plaats waar we nu zijn...’ 

‘U hebt gelijk’, zegt de kapitein, ‘we moeten hier weggaan.’  De twee mannen kijken nog even om zich heen: het huis is een toonbeeld van wanorde. Snel gaan zij naar buiten.

 

 

 

 

 


 

Nadere kennismaking

 

48. Kapitein Lacuzon en de jonge reiziger verlaten het sombere huis.

‘Ik vind dat u nu maar eens moet vertellen waarom u die lange reis hebt gemaakt en waarom u mij wilt spreken’, begint Lacuzon.

‘Ik zal het u vertellen’, zegt de jongeman en – zichzelf onderbrekend – ‘maar u bent toch niet te voet, kapitein?’

‘Natuurlijk niet’, zegt de kapitein. ‘Maar ik heb een zeer bijzonder paard dat ik nooit hoef vast te binden’. En om dat te bewijzen zet hij twee vingers aan zijn lippen en laat een schrille fluittoon horen.

In de verte klinkt het geluid van een galopperend paard en even later komt een prachtige Barbarijnse merrie te voorschijn.

‘Wat een prachtig dier!’ roept de onbekende uit.

‘Het is een geschenk van Charles de Lorraine’, zegt de kapitein, de hals van het dier strelend.

‘Ze kent me, ze houdt van mij en ze gehoorzaamt mij en niemand anders’. De reiziger wil het dier strelen, maar woedend gooit de merrie haar hals naar achteren.

‘Pas op!’ roept Lacuzon, aan de teugels van het paard trekkend, ‘voor wie het niet kent is dit paard gevaarlijk!’  De twee mannen stijgen op de paarden en rijden enkele minuten zwijgend naast elkaar voort. Beiden zijn in gedachten verdiept. De een bewondert de jonge kapitein van twee en twintig jaar en neemt hem van opzij tersluiks op. De ander verbreekt het eerst de stilte.

‘U hebt me nog steeds niet verteld waarvoor u bent gekomen. Over enkele uren komen we in een streek waar het niet al te rustig is. Het is dus beter, wanneer u nu spreekt. Ik luister en beloof u bij voorbaat alles te zullen doen wat mogelijk is om u te helpen.’

 

 

 

 

 


 

De liefde voor Eglantine

 

49. De jonge reiziger begint zijn verhaal. ‘Kapitein’, zegt hij, met een van emotie trillende stem, ‘ik verkeer in een moeilijke en vreemde situatie. En voor ik u alles ga vertellen, moet u mij beloven mijn geheim te bewaren. Ik wil niet dat iemand iets weet van hetgeen ik u ga vertellen.’

‘U verbaast me!’ roept Lacuzon uit. ‘Ik ken u nauwelijks een paar uur en nu vertelt u me geheimen. Maar goed, ik zal naar u luisteren.’

‘Kapitein’, gaat de ander verder, ‘u hebt een nicht die vroeger met haar vader in een klein huisje woonde dicht bij Dole. De vader is vertrokken en kort geleden is hij weer teruggekomen, maar.... alleen. Men zegt dat Eglantine dood is. Is dat waar?’

Lacuzon staart voor zich uit en zegt niets. De ander verklaart dit stilzwijgen op zijn manier.’

‘Vreselijk’, mompelt hij. ‘Zij is dood, ik voel het ......

De wanhopige klank in de stem van de jongeman doet de kapitein opkijken en het is duidelijk dat hij zich in grote verlegenheid bevindt.

‘U kent haar dus?’ vraagt hij.

‘Ik ken haar heel goed!’

‘En u houdt misschien van haar?’

‘Ja, ik houd van haar. Met mijn hele hart’.

Even valt er een diepe stilte. Dan zegt Lacuzon moeilijk: ‘En zij .... houdt zij ook van u?’

‘Zij was lief en zacht en goed voor mij.’

De kapitein wendt het hoofd af. Er komen tranen in zijn ogen en enkele ogenblikken is deze sterke, heldhaftige man als een kind…

 

 

 

 

 


 

Raoul de Champ d'Hivers

 

50. De woorden van de onbekende hebben een grote verandering bij de kapitein teweeggebracht. Het lijkt alsof een masker van zijn gezicht is gerukt. Ook hij houdt van Eglantine. Hij heeft deze liefde echter nooit kenbaar gemaakt, maar in een verborgen plekje van zijn hart gekoesterd. Dan richt hij plotseling weer fier zijn hoofd op: Hij is weer de dappere kapitein Lacuzon. ‘U hebt mij het leven gered’, zegt hij, ‘en ik zou u daarvoor al heel slecht belonen als ik u nu langer in onzekerheid liet. Eglantine is niet dood!’

Na deze woorden beginnen de ogen van de jongeman te stralen. Even rijden zij zwijgend verder, maar dan verbreekt de kapitein de stilte. ‘Na de vertrouwelijkheden die u mij zojuist hebt verteld, heb ik er recht op uw geschiedenis te horen en te weten wat uw verdere plannen zijn….’

En de jongeman die voor de kapitein niets te verbergen heeft, begint het verhaal dat wij reeds kennen.

Inderdaad: de vreemde reiziger is niemand anders dan Raoul de Champ d'Hivers, de zoon van de baron de Champ d'Hivers, waarvan we het tragische levenseinde kennen.

 

Raoul vertelt nauwkeurig zijn geschiedenis: de ongelukkige liefde van zijn vader voor Blanche de Mirebel, de moord op de hertog van Mirebel en de schaking van zijn dochter.

Dan het huwelijk van Tristan de Champ d'Hivers, zijn vader, met Odette de Vaubécourt, de geboorte van Raoul, tegelijk met de dood van zijn moeder en ten slotte de tragische nacht waarin misdadige handen zijn vaders kasteel in brand staken en van de trouwe Marcel Clément die met Raoul in de armen het kasteel uitvluchtte, nadat hij had gezien dat hij niets meer voor de oude heer de Champ d'Hivers kon doen: hij was vermoord!

 

 

 

 

 


 

Wie is toch de man met het zwarte masker? 51

 

51. Lacuzon heeft het verhaal van Raoul de Champ d’Hivers nauwlettend gevolgd. Zijn gezicht staat ernstig en uit alles blijkt dat hij groot belang stelt in hetgeen zijn pas verworven vriend hem vertelt. Zo nu en dan valt hij Raoul in de rede om iets dat hij niet begrijpt, nader te laten verklaren.

Raoul blijft doorvertellen. Hij probeert zo volledig mogelijk te zijn in zijn verhaal. Uitvoerig vertelt hij ook over die vreselijke nacht waarin het kasteel in brand werd gestoken. ‘Mijn vader stierf in die nacht geen natuurlijke dood. Hij werd vermoord!’

‘Vermoord?’ vraagt Lacuzon verbaasd. ‘En door wie?’

‘De man met het zwarte masker!’

‘En u denkt dat de man met het zwarte masker….’

‘Ik weet dat de man met het zwarte masker niemand anders is dan Antide de Montaigu en ik hoop dat er nog eens een dag komt waarop ik u dit kan bewijzen.

Marcel Clement heeft hem die nacht herkend aan zijn stem, zijn houding en zijn manier van bewegen.…’

De laatste woorden van Raoul de Champ d’Hivers hebben diepe indruk gemaakt op Lacuzon. Hij kan bijna niet geloven dat wat zijn metgezel zegt waar is.

‘Dat is niet mogelijk’, zegt hij. ‘Antide de Montaigu is een van onze grootste medestrijders voor de vrijheid van De Franche-Comté. In zijn kasteel worden altijd de plannen beraamd en de voorbereidingen getroffen. Hij voorziet ons ook van geld en van  levensmiddelen. U ziet het: ik kán niet geloven dat wat u zegt waar is.’

‘Ik begrijp het, maar ik zal geduldig wachten. Een moordenaar kan geen waarachtig medestrijder zijn!’

 

 

 

 

 


 

Is Pierre Prost, de dokter van de armen, te redden?

 

52. Lacuzon kent nu de hele geschiedenis van Raoul de Champ d'Hivers. Hij weet dat hij uit een oud adellijk geslacht stamt en dat hij werd opgevoed door een trouwe knecht die hem uit het brandende kasteel van zijn vader redde. Lacuzon weet ook dat Raoul Eglantine leerde kennen toen hij deel uitmaakte van het leger van de maarschalk Van Villeroy die destijds dicht bij Dôle was gelegerd. Raoul heeft hem ook verteld dat tijdens zijn gesprekken met Eglantine de naam Lacuzon dikwijls werd genoemd.

‘Je bent mijn vriend’, verklaart Lacuzon aan het eind van het verhaal eenvoudig en hij reikt hem de hand.

De vrienden vervolgen hun weg die over steile hellingen leidt. Als ze een top hebben bereikt, van waaraf ze een prachtig uitzicht hebben op de omstreken, begint Lacuzon weer te spreken. ‘Je hebt me nog niet verteld wat je verdere plannen zijn en wat je met Eglantine wilt doen zegt hij.

‘Maar begrijp je dat niet?’ roept Raoul uit, ‘ik wil van haar een baronesse de Champ d'Hivers maken, indien jij daarin toestemt.

‘Je vraagt mij om de hand van mijn nicht?

‘Natuurlijk! En zodra we haar vader zullen zien, vraag ik het hem ook.’

‘Helaas, zegt Lacuzon, bedroefd.

‘Je zult haar vader nooit zien, want morgen zal hij sterven.’

Raoul is te verbaasd om te antwoorden en Lacuzon gaat verder: ‘Je weet dat de graaf van Guébriant met zijn Zweden Saint-Claude heeft bezet?’

‘Ja ... maar Pierre Prost?’

‘Mijn oom is met een aantal andere inwoners gearresteerd, verdacht van spionage.

En hij is de eerlijkheid zelf! Zodra de dag aanbreekt, zal hij ter dood gebracht worden.’

‘Maar dat zullen ze niet durven!’

‘Je vergist je, ze durven alles. Ze denken de bergbewoners te kunnen intimideren door mijn oom te vermoorden.

‘Maar is er dan geen enkel middel om hem te helpen?’ vraagt Raoul terneergeslagen.

‘Denk je dat ik hier zo kalm zou zit te praten als ik geen hoop had op zijn redding?’ stelt Lacuzon een wedervraag. De mannen rijden verder. Ze komen aan in een klein dichtbegroeid bos en nauwelijks hebben ze de eerste bomen achter zich gelaten of er springt een man achter een van de bomen vandaan. Hij heeft een geweer in zijn hand .

‘Wie bent u? vraagt hij.

‘Saint-Claude en  Lacuzon’ antwoordt de kapitein.

 

 

 

 

 

 

Hoe komen ze de stad binnen?

 

53. De man die zich midden op de weg heeft opgesteld en zodoende de doortocht van de mannen belemmert, is een boer uit de Franche Comté.

‘Ah, u bent het zelf, kapitein!’ roept de man uit als hij Lacuzon herkent.

‘Laten we van ons paard stappen, Raoul’, zegt Lacuzon en zich tot de man wendend: ‘Is hier nog iets nieuws gebeurd?’

‘Niets, kapitein!’

‘En in het dorp?’

‘De Zweden en de Grijzen hebben een groot aantal kelders geplunderd, onder andere die van het klooster. Ze gooiden het aardewerk kapot en waren aan het eind van de plundering dronken’.

‘Het is goed. Dank je’. De boer gaat weg met de twee paarden.

De kapitein en Raoul gaan te voet verder langs de weg naar Saint-Claude.

Als ze aan het eind van een bos komen, zegt Lacuzon tegen zijn metgezel:  ‘En nu, Raoul: verder geen woord! We mogen geen enkel geluid maken. De vijand is voor ons, achter ons en opzij van ons, overal! Het minste geluid zou ons verraden en een gevecht uitlokken waarvan wij het slachtoffer zouden worden. We gaan nu langs de rivier verder. Dan profiteren we van de schaduw van de bomen’.

De twee mannen nemen alle voorzorgsmaatregelen die Lacuzon nodig acht. Na enige tijd komen ze aan bij een plaats waar de Bienne een bocht maakt en waar het water sneller stroomt. Enkele tientallen meters verder verheffen zich de muren van de stad. ‘Stop!’ fluistert de kapitein, zich verbergend achter de dikke stam van een boom. Na enkele seconden goed om zich heen te hebben gekeken, zet hij zijn handen aan de mond en bootst het geluid van een uil na. Een paar seconden later klinkt vanuit de stad hetzelfde geluid.

 

 

 

 


 

 

De schildwacht

 

54. De maan verlicht juist dat gedeelte van de muur dat de mannen kunnen zien. Ze zien een grote, zware toren en verder een stuk muur waarop een Zweedse schildwacht heen en weer loopt. Hij draagt een geweer op de schouder. De loop glinstert zwak in het maanlicht. Alles is rustig. De man loopt in het volle licht, alleen als hij in de schaduw van de toren komt, kunnen de twee vrienden hem nauwelijks zien. Langer dan een kwartier slaan zij de schildwacht gade. Dan verschijnt een nieuwe figuur op de muur. Hij loopt in het volle licht, alsof hij nadrukkelijk de aandacht op zich wil vestigen. De schildwacht loopt met zijn rug naar de nieuwaangekomene toe. 

 

Deze loopt achter de schildwacht aan en begint, tot grote verbazing van Raoul met galmende stem een bekend vrijheidslied uit de Franche Comté te zingen. De schildwacht die gewend is aan dergelijke demonstraties door dronken jongemannen keurt de zanger geen blik waardig.

Maar als de man het couplet bijna heeft beëindigd, wordt het de Zweed blijkbaar te bar. Met snelle pas loopt hij op de zanger toe. De wind brengt nu verschillende geluiden over naar Lacuzon en Raoul. Ze horen eerst flarden van een gesprek, dan het rammelen van staal en steen, gevolgd door nog enkele ondefinieerbare geluiden. Dit alles gebeurt in enkele minuten. Ze zien nog juist de arm van de nieuwaangekomene omhoog gaan.

 

 

 

 

 


 

Hoe komen ze over de stadsmuur?

 

55. Wat op de muur gebeurde laat zich niet moeilijk raden. Profiterend van de verrassing die de plotselinge aanval op de schildwacht veroorzaakte, heeft de zanger deze overmeesterd en in enkele minuten tijd ziet hij kans de Zweed van zijn uniform te ontdoen en het zelf aan te trekken. Enkele minuten later zien Raoul en Lacuzon opnieuw het hoofd van de schildwacht tussen de kantelen van de muur verschijnen. Hij is iets dikker en groter dan zijn voorganger.

De man gaat op de muur heen en weer lopen. Eenmaal, tweemaal loopt hij terug, juist zoals de vorige schildwacht deed.

En dan begint de zanger aan het tweede couplet van het vrijheidslied dat hij een kwartier daarvoor had onderbroken.

Het lied begint zo: ‘Hertog Jean, ik wacht waarom kom je niet?’

‘Het is Gerbas’, zegt Lacuzon zachtjes tegen Raoul. ‘Als we vlug zijn kunnen we zonder tegenstand binnen de muren van St-Claude komen. Kom, Raoul!’ De mannen komen van achter hun boom vandaan en waden door het water van de Bienne dat niet hoog staat. Het komt nog niet tot hun knieën. Dan staan ze onderaan de muur, klaar om met behulp van de boer die de wacht onschadelijk maakte, de stad binnen te dringen.

 

 

 

 

 


 

Het huis in de Grote Straat

 

56. Bij de grote toren gekomen, staan de mannen stil. Lacuzon fluit zachtjes. Dan valt een touwladdertje over de muur.

‘Ik ken de weg en ik zal voorgaan’, zegt Lacuzon, de ladder grijpend en naar boven klauterend. ‘Volg me maar’.

Zo vlug ze kunnen, klimmen de mannen naar boven. Ze zeggen geen woord en houden met één hand hun sabels vast, zodat deze niet tegen de muur kunnen kletteren.

Raoul en de kapitein weten zonder hindernissen boven te komen. Daar staat de zogenaamde schildwacht hen op te wachten.

‘Wat is dat daar?’ vraagt Lacuzon.

‘Dat is de Zweedse schildwacht die men wilde beletten te zingen’, zegt Gerbas.

‘Is er nog iets nieuws over de gevangenis?’

‘Nee, niets. Er is nog steeds een zeer strenge bewaking en de brandstapel is al opgericht.

Alleen het vuur en de veroordeelde ontbreken nog’.

‘En onze mannen?’

‘Ze zijn allemaal hier. De kolonel en de priester wachten op u’.

‘Loop maar voor ons uit, Gerbas’, zegt Lacuzon. ‘We willen naar het huis in de Grote Straat’.

De drie mannen lopen het verlaten stadje door zonder een woord te zeggen. Iedereen slaapt, behalve de vele schildwachten die op strategische punten zijn opgesteld. Saint-Claude is een arm stadje dat slechts één schat heeft: het klooster. Maar het klooster van Saint-Claude -Saint Lupicin- is in deze tijd het rijkste van Europa en dat is de reden waarom de Zweden zo graag in deze stad blijven.

 

 

 

 


 

 

 

 

De kolonel en de priester

 

57. Aan het einde van de Grote Straat in Saint Claude, niet ver van het Lodewijk XI-plein, staat een klein eenvoudig huis. Beneden is een zeer sober gemeubileerde kamer. Voor de schoorsteen zitten twee mannen met bezorgde gezichten. De een is een man van ongeveer zestig jaar, naar zijn kleding te oordelen een priester. Zijn metgezel draagt een militair uniform dat bijna gelijk is aan dat van Lacuzon. Het is een man van middelbare leeftijd. Zijn gestalte is atletisch en jong. Zijn witte, korte haar verraadt echter zijn leeftijd. De man trommelt met zijn vingers op de tafel en roept uit: ‘Het is al twee uur!’

‘Kolonel’, vraagt de priester, ‘u bent ongerust, nietwaar?’

‘Ja. Hij zou hier allang moeten zijn. Hij had het mij beloofd en hij weet dat de tijd dringt. Er moet hem iets zijn overkomen. En er mag op het ogenblik niets gebeuren! Dat zou al onze plannen in de war sturen en de Zweden en Grijzen vrij spel geven!’

‘En hij is alleen’, voegt de priester aan deze woorden toe. En even later mompelt hij: ‘We kunnen alleen voor hem bidden’.

Nauwelijks heeft hij dit gezegd of er wordt op de deur geklopt. Even kijken de mannen elkaar aan.

Dan loopt de kolonel naar de deur en vraagt zacht: ‘Wie is daar?’

‘Saint-Claude en Lacuzon’, klinkt het antwoord van buiten af.

‘Wees welkom, Jean-Claude!’ roepen de kolonel en de priester gelijktijdig uit als ze hun vriend hebben herkend.

‘Ik ben te laat, is het niet’, vraagt deze.

‘Meer dan twee uur. We vreesden al dat je iets zou zijn overkomen!’

‘Daarin hadden jullie gelijk. Ik ben aan een groot gevaar ontsnapt. Ik zal jullie later alles vertellen. Weet alleen dat ik hier nooit zou zijn gekomen als deze jongeman mij niet te hulp was gekomen. Ik stel hem dan ook aan jullie voor als mijn redder.’ Hij schuift Raoul naar voren die tot dan toe nog niet was opgemerkt en die zijn breedgerande hoed op zijn hoofd houdt, zodat de mannen zijn gezicht niet kunnen zien.

 

 

 

 

 

 


 

Raoul de Champ d'Hivers

 

58. Lacuzon heeft nog steeds de identiteit van zijn metgezel niet onthuld. ‘Raoul’, zegt Lacuzon nu, ‘dit zijn de twee helden, over wie je al dikwijls hebt horen spreken: dit is kolonel Varroz en dit priester Marquis. En nu jij weet wie zij zijn, moet je hun ook vertellen wie jij bent. Toon hun eerst je gezicht’.

Raoul neemt zijn hoed af. Varroz bestudeert de gelaatstrekken van de jongeman en dan komt er een verwonderde blik in zijn ogen. Hij grijpt zich vast aan de arm van de priester en zegt zacht: ‘Is dat mogelijk? Hoe kan dat mogelijk zijn?’

Even valt er een doodse stilte in het huis. ‘Hoe bestaat het’, mompelt de kolonel. Daar staat een dubbelganger of de geest van mijn gestorven vriend Tristan de Champ d'Hivers!’

De priester weet niet wat hij hierop moet antwoorden: hij heeft de baron nooit gekend.

Raoul neemt nu zelf het woord. ‘Kolonel Varroz’, zegt bij, ‘uw ogen bedriegen u niet. U ziet hier inderdaad een Champ d'Hivers voor u. Het is echter niet uw oude vriend, maar zijn zoon. Ik ben Raoul de Champ d'Hivers’.

‘En ik’, zegt Lacuzon, ‘ik bevestig dat deze woorden waar zijn’. De oude kolonel kan zijn ontroering nu niet langer verbergen. Hij drukt Raoul tegen zijn borst en tranen rollen over zijn gebronsde wangen.

Enkele ogenblikken later is er nog maar één onderwerp dat de vier mannen kan interesseren: Pierre Prost. Hoe zullen zij hem voor de terechtstelling kunnen bevrijden?

‘Om acht uur moet mijn oom bevrijd zijn, of ik zal met hem sterven’, zegt Lacuzon.

‘De Zweden zijn op hun hoede’, antwoordt de priester. ‘De terechtstelling van de oom van Lacuzon betekent voor hen een overwinning. En gisteren heeft men in het dorp de man met het zwarte masker gezien, die zoals jullie weten altijd de voorbode is van het een of ander ongeluk’.

Raoul wil na deze woorden iets zeggen, maar Lacuzon geeft hem daartoe geen kans: ‘Wat doen de Zweden, de Grijzen en de man met het zwarte masker ertoe? Ik zeg jullie dat Pierre Prost zal worden gered!’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De monnikspij

 

59. ‘De Zweden zijn talrijk’, merkt de priester op, bevreesd door de zelfverzekerde bewering van Lacuzon dat hij zijn oom zal redden.

‘Heb je me ooit mijn vijanden zien tellen?’ vraagt Lacuzon. ‘Ieder van mijn boeren telt voor tien mannen en ik kan op mijn bergbewoners rekenen!’

‘Hoe zullen zij de stad binnenkomen?’

‘Ze zijn er al sinds gisteren’.

‘Allemaal?’

‘Genoeg om ons bij onze plannen te kunnen helpen. Gerbas die ons hier bracht, brengt hun op het ogenblik mijn orders’.

‘Hij heeft gelijk’, mengt Varroz zich in het gesprek. ‘De Zweden mogen een aanvoerder hebben; de boeren hebben er drie!’

Lacuzon is opgestaan, hij moet weg. Hij schudt de handen van de kolonel en de priester lang en innig. Raoul kan een gevoel van grote bewondering voor dit drietal niet onderdrukken.

Dan klinken buiten snelle voetstappen. Bij het huis staat de late wandelaar stil. De mannen luisteren.... Dan wordt er driemaal op de deur geklopt.

‘Wie is dat?’ vraagt Varroz.

Een stem antwoordt: ‘Saint-Claude en Lacuzon’. De oude soldaat opent de deur.

De nieuw aangekomene draagt een monnikspij. Hij werpt de kap die zijn gezicht bijna geheel bedekt achterover.

‘Broeder Malo’ roept Varroz verrast uit.

De priester kijkt echter bezorgd: ‘Wat kom je zo laat in de nacht doen?’ vraagt hij.

‘We hebben niets meer te vertellen’ mompelt de monnik. ‘De Zweden hebben ons verjaagd en in onze plaats hebben zij de hertog van Guébriand benoemd. Ze hebben onze schatten meegenomen en onze kelders zijn totaal leeggeplunderd!’

 








 

Wat is het geheim van Pierre Prost?

 

60.  ‘Ik denk niet dat je voor deze verhalen hierheen gekomen bent zo laat in de nacht’, valt priester Marquis de monnik scherp in de rede.

Een beetje in de war gebracht door deze terechtwijzing, stottert de monnik. ‘Natuurlijk niet, ik.... ik wilde....’ Even is het stil, dan zegt de monnik: ‘Ik moet Pierre Prost bijstaan in zijn laatste uren. Ik ben naar u toegekomen om u te vragen wat ik tegen de ongelukkige Pierre Prost moet zeggen om zijn lijden iets te verzachten. Ik ontmoette Gerbas en die zei me dat u hier was’, besluit hij aarzelend.

Lacuzon die tot nu toe nog niets gezegd heeft en die ogenschijnlijk niet eens naar het gesprek heeft geluisterd, begint nu plotseling belangstelling te tonen. ‘Men verwacht u in de gevangenis?’ vraagt hij. ‘Inderdaad’, zegt de monnik. ‘Hebt u een legitimatiebewijs waarop staat dat u tot de gevangenis moet worden toegelaten?’ vraagt Lacuzon verder.

‘Nog meer dan dat’, is het antwoord. ‘Ik heb een bewijs waarop staat dat de toonder van dit bewijs - en hij trekt een stuk papier te voorschijn - moet worden toegelaten tot de veroordeelde Pierre Prost. Een uur lang mag ik met hem alleen zijn ...... Dit toegangsbewijs dat is getekend door de graaf van Guébriant brengt Lacuzon op een idee.

‘Ik moet vertrekken’, zegt broeder Malo, ‘Mag ik mijn toegangskaart terug?’

‘U zult het niet nodig hebben, want ik zal in uw plaats gaan’.

Tevergeefs verzet de monnik zich tegen dit gevaarlijke plan. Lacuzon zegt: ‘Dit is het enige middel dat mijn oom nog zou kunnen redden. Pierre Prost heeft eens tegen mij gezegd: Als ik ooit in gevaar mocht zijn, kom dan bij mij. Want voor ik sterf wil ik je een verschrikkelijk geheim toevertrouwen’.

Op deze woorden weten de aanwezigen niets meer te zeggen. De monnik begint zijn pij uit te trekken.

 

 

 

 

 




 

De monnik

 

61. Binnen enkele minuten heeft kapitein Lacuzon kans gezien zich in een monnik te veranderen. Hij slaat de kap ver over zijn hoofd en vraagt: ‘Kan men mij zo nog herkennen?’

‘Nee’, antwoordt de pater, ‘als de Zweden tenminste niet gaan onderzoeken of ze wel de goede monnik voor zich hebben .... ’

Lacuzon lacht. ‘Over een uur ben ik terug dat verzeker ik jullie’.

‘Neem je geen pistolen mee?’

‘Nee die zijn meer lastig dan nuttig’.

‘Neem dan toch in ieder geval deze dolk’.

‘Graag. Die kan ik in de mouw van mijn pij verbergen. En nu: tot over een uur!’

 

Waarom is de Dokter van de armen gearresteerd? Een verklaring is hier op zijn plaats. Kort nadat de Zweden zich meester hadden gemaakt van Saint-Claude, verliet een groep Grijzen, die werd aangevoerd door de verschrikkelijke Lespinassou, de stad.

Doordat iemand zijn mond had voorbijgepraat had Lespinassou gehoord van de terugkeer van Pierre Prost. De man met het zwarte masker had horen vertellen dat zijn dochter Eglantine dood was. Dit nieuws leek hem bijzonder goed te doen. De man met het zwarte masker die niemand nog ooit had kunnen identificeren.

Pierre Prost die enkele dagen later door enkele mannen werd verrast, bood geen enkele tegenstand, hoewel hij de man die hem een groot aantal jaren geleden om zijn diensten kwam vragen wel kon herkennen. Pierre Prost berustte geheel in zijn ter dood veroordeling. Hij was rustig in zijn cel en mompelde zo nu en dan.

‘Heer, laat dat verschrikkelijk geheim niet met mij sterven!’

Een dag voor zijn terechtstelling vroeg hij om geestelijke bijstand. Tegen drie uur in de daarop volgende nacht hoort hij geluid bij zijn cel en even later komt een monnik binnen, vergezeld van twee soldaten. Eén van hen draagt een lantaarn.

 

 

 

 

 


 

De nacht van 17 januari 1620

 

62. ‘U hebt een uur,’ zegt een van de soldaten, voor zij zich verwijderen.

‘0 wat heb ik op u gewacht’ roept Pierre Prost uit, zodra ze alleen zijn. ‘Ik heb u geroepen als een gevangene die de dood voor ogen ziet, maar die toch hoopt op de vrijheid’.

‘Inderdaad, het zijn de vrijheid en het leven die ik u breng!’ antwoordt de monnik met een zachte stem die de ter dood veroordeelde licht doet beven.

‘Wie bent u?’ vraagt deze. De kapitein doet nu de kap af.

‘Jean-Claude’, stottert Pierre Prost. ‘Mijn jongen! Jij hier?’

Over enkele uren zullen de mensen die u ten val brengen zelf gevallen zijn, oom!’

‘Maar hoe?’

‘Laten we daarover niet spreken. Ik kan u alleen zeggen: hoop. Hoop zelfs als de vlammen al om u heen zijn. Maar ik ben hier gekomen om naar u te luisteren. Wat is uw verschrikkelijke geheim?’

‘Luister naar mij en gebruik wat ik je nu zeg als een wapen tegen de man die een van de verschrikkelijkste vijanden is van de Franche-Comté’.

‘Wie is die man?’

‘De man met het zwarte masker!’

‘Wat!’ roept de jongeman uit.

‘De man met het zwarte masker speelt een rol in uw leven?’

‘Ik zal je alles vertellen. Eerst moet ik je vertellen dat Eglantine niet mijn eigen dochter is’. En dan hoort Lacuzon het verhaal van de gebeurtenissen in de nacht van 17 januari 1620; de dood van zijn zwakke dochtertje en het ingrijpen van de man met het zwarte masker. Van de vrouw die de moeder van het kind is en van de man die hem een groot bedrag aan geld gaf om Eglantine op te kunnen voeden. Lacuzon kan het verhaal nauwelijks geloven. Maar de tijd dringt en buiten klinken alweer voetstappen van de soldaten. Met een snel gebaar haalt Pierre Prost het medaillon te voorschijn en geeft het Lacuzon.

 

 

 

 

 


 

De brandstapel op het Lodewijk XI-plein

 

63. Het uur van vertrek is voor de monnik aangebroken en de twee Zweedse soldaten komen hem halen.

‘Vaarwel voor altijd, wellicht!’ zegt Pierre Prost.

‘Tot spoedig weerziens’, zegt Lacuzon die zijn kap weer diep over zijn ogen heeft getrokken.

‘En blijf vooral hopen!’ Als de twee soldaten binnen komen zegt hij: ‘Blijf hopen, broeder. Dat de vrede Gods bij u zij’.

En de monnik volgt de bewakers van  zijn oom. Het is vijf uur in de morgen en daar het in december is, is het nog donker.

Ondanks het vroege uur is er al veel volk op de been. Allen begeven zich naar het Lodewijk XI-plein waar reeds een grote brandstapel staat. De mensen beschouwen deze terechtstelling als een schouwspel en ze zijn vroeg opgestaan om zich van een goede plaats te verzekeren.

Lacuzon loopt snel tussen de menigte door. Hij geeft zijn ogen echter goed de kost en hij ziet verscheidene groepjes die worden gevormd door zijn mannen. Ze hebben zich min of meer verdekt opgesteld en Lacuzon ziet dat zij goed bewapend zijn.

Als de kapitein het huis in de Grote Straat opnieuw binnenkomt kunnen zijn vrienden hun vreugde om deze terugkomst nauwelijks verbergen.

‘En, Jean-Claude?’ vraagt pater Marquis.

Lacuzon legt een vinger op zijn mond en werpt een waarschuwende blik op de monnik Malo. Dan wendt hij zich tot de monnik: ‘Ik dank u nogmaals, broeder! U hebt me een grote dienst bewezen!’

 

 

 

 

 


 

De verrader

 

64. Lacuzon kan bijna niet wachten het grote geheim te vertellen aan zijn vrienden. Maar hij begrijpt dat de aanwezigheid van de broeder daarbij kan worden gemist en daarom wendt hij zich direct tot hem: ‘Neem je pij maar weer broeder Malo. En ga dan zo snel je kunt terug, want het mag niet gebeuren dat je superieur zich gaat verwonderen over je lange wegblijven. Maar eerst wil ik je nog een goede raad geven.’

‘Ik luister, kapitein.’

‘Welnu, verberg je zoveel mogelijk en ga vanmorgen vooral niet assisteren bij de terechtstelling van Pierre Prost op het Lodewijk XI-plein.’

‘Begrepen, kapitein. Uw raad zal worden opgevolgd.’

Broeder Malo heeft zijn pij weer aangetrokken en verzekert nogmaals: ‘Ik zal geen voet buiten de deur zetten, maar zodra de zaken ten goede mogen keren, zal ik de eerste zijn die met zijn gehele hart het ‘Gaudeamus igitur’ aanheft!’

Nadat hij afscheid heeft genomen van Lacuzon, Varroz, Marquis en Raoul, gaat hij weg, blij dat hij zo'n belangrijke rol heeft gespeeld in een zo stoutmoedig avontuur. In werkelijkheid begrijpt hij echter totaal niet wat Lacuzons wezenlijke bedoelingen zijn...

Als de deur eenmaal dicht is, neemt Lacuzon het woord: ‘Het geheim van mijn oom zal jullie stuk voor stuk bijzonder interesseren en ik geloof dat het ons op het spoor brengt van een groot verrader.’

‘Een verrader?’ herhaalt Marquis.

‘Ja, en eens zullen we ontdekken wie zich achter het zwarte masker verbergt.’

‘Heeft je oom gesproken over de man met het zwarte masker?’

Lacuzon vertelt nu het hele verhaal en hij toont zijn vrienden het medaillon waarop de eglantier staat afgebeeld.

Pierre Prost heeft met zijn bebloede handen de muur van het kasteel bestreken. ‘Ik zal het vinden.’

Raoul die tot dan toe niets heeft gezegd, zegt nu zacht: ‘Laten we dan naar het kasteel De Arend gaan!’

 

 

 


 

 

 

Raouls ontroering

 

65. Nog steeds is Raoul ervan overtuigd dat de man met het zwarte masker en Antide de Montaigu één en dezelfde persoon zijn. Zijn vrienden kunnen dit echter niet geloven. Voorlopig is echter slechts één onderwerp van belang en dat is Pierre Prost. Het driemanschap besluit Eglantine niets te vertellen over haar geboorte.

‘Hebt u eraan gedacht,’ vraagt Lacuzon dan plotseling, ‘dat als onze opzet mislukt, Eglantine alleen op de wereld zal zijn?’ De kapitein acht nu ook het moment gekomen waarop hij van Raouls liefde voor Eglantine kan vertellen. Ondanks hun verrassing kunnen Varroz en Marquis hun vreugde over dit nieuws niet verbergen.

Raoul voelt zich warm en verlegen worden, wanneer de kapitein verder gaat: ‘En lijkt het u niet het beste dat terwijl wij naar de gevaarlijke plaats gaan, we Eglantine overlaten aan de zorg van haar toegewijde verloofde?’

‘Ja,’ zegt Marquis, ‘dat zou de beste oplossing zijn.

‘En terwijl hij ziet dat Raoul ook met het plan instemt, zegt hij: ‘Roep Eglantine maar.’

Raoul die tot dan toe niet weet dat Eglantine ook in het huis is, verbleekt van emotie. Hij kijkt van de oude kolonel naar de priester. Zij glimlachen tegen hem.

Lacuzon gaat naar de deur die toegang geeft tot het aangrenzende vertrek. Hij klopt zachtjes: ‘Eglantine?’

‘Neef?’ antwoordt een zachte stem.

‘Slaap je?’

‘Nee, hoe zou ik kunnen slapen in zo'n nacht?’

‘Kom dan hier, meisje. Pater Marquis, de kolonel en ik hebben iets met je te bespreken.’

Raouls ontroering wordt te groot. Hij verbergt zich achter zijn vrienden. Dit geluk kan hij niet begrijpen. Hij kan dan ook aan niets anders meer denken dan aan het meisje dat hij zo dadelijk weer zal ontmoeten.

 

 

 

 

 


 

Onverwacht weerzien

 

66. De deur gaat open en Eglantine komt binnen. Zij is een bijzonder mooi meisje geworden en haar verschijning heeft iets koninklijks. Overigens ziet ze eruit als alle meisjes uit deze streek: ze draagt een eenvoudige japon en een klein kapje op het donkere, krullende haar. Twee grote, blauwe ogen geven iets zachtmoedigs aan het bleke melancholieke gezichtje.

‘Mijn kind,’ zegt de priester, ‘we hebben goed nieuws voor je: over enkele uren zal je vader als vrij man hier bij ons zijn!’

‘Vrij,’ herhaalt het meisje bedroefd, ‘dat durf ik niet te geloven!’

‘Je moet vertrouwen hebben,’ zegt de priester en hij vertelt dat Lacuzon bij haar vader is geweest. ‘En dan heb ik nog ander nieuws voor je en ik geloof dat ook dit nieuws je welkom zal zijn.’

‘Wat bedoelt u?’ vraagt het meisje.

‘Heb je niet in het bos bij Chaud een lieve herinnering, een genegenheid achtergelaten?’ vraagt de priester.

En Lacuzon voegt daaraan toe: ‘Lieve nicht, probeer voor ons de geheimen van je hart niet te verbergen, want wij kennen ze!’ Hij schuift Raoul naar voren.

Als Eglantine Raoul herkent, uit zij een kreet van vreugde en geluk. De jongeman weet door het onverwachte weerzien niet goed wat te zeggen en een beetje onzeker zegt bij: ‘Lacuzon zal je vertellen waarom ik hier ben.’

‘Maar hoe kan ik van je houden. Van een Fransman, Raoul?’ vraagt Eglantine. Lacuzon geeft op deze vraag antwoord.

‘Hij is geen Fransman, maar een Franche-Comtois, hij is een heer, een van ons!’

Eglantine neemt de hand van de kapitein als om hem te bedanken voor deze woorden.

 

 

 

 

 


 

Eglantine in veiligheid?

 

67. Een zwak licht begint in de kamer door te dringen.

‘Het uur van de veroordeling breekt aan,’ zegt de kolonel, de riem waaraan zijn zwaard hangt vastmakend.

‘Wij zijn klaar,’ antwoordt Lacuzon. Hij opent de deur die naar buiten leidt, op een kier en slaat een blik op de stroom mensen die zich in de richting van het Lodewijk XI-plein beweegt. De kapitein laat een zacht gefluit horen; het wordt niet beantwoord. Maar al spoedig maakt zich een man los uit de menigte die zich in de richting van het huis begeeft.

Het is Gerbes, de man die er de vorige avond voor heeft gezorgd dat de twee vrienden de stad konden binnenkomen.

‘Ken je het huis De IJzeren Voet?’ vraagt de kapitein hem.

‘Ja, kapitein, helemaal beneden tegenover de fontein.’

‘Daar moet je deze heer en mijn nicht heenbrengen.

Daarna moet je terugkeren en je bij ons voegen.’

Raoul toont zich na deze woorden teleurgesteld. ‘Ik eis mijn deel van het gevaar op, kapitein. Ik zou het een belediging vinden, indien u mij dat weigerde.’

‘Kerel,’ zegt Lacuzon alleen. ‘Ik weet dat je moedig bent,’ vervolgt hij na een korte tijd stilte. ‘Maar heb je eraan gedacht dat Eglantine in gevaar is, zolang er niemand bij haar is? Ze zal alleen zijn en zich niet kunnen verdedigen tegen dronken soldaten.’

Raoul buigt het hoofd, ‘Kapitein, u hebt gelijk!’ zegt hij, zijn hoed en mantel pakkend. Eglantine is in een warme mantel gehuld. Dan gaan de twee jonge mensen op weg, voorafgegaan door Gerbas.

 

 

 

 

 

 


 

De terechtstelling van Pierre Prost

 

68. De dag is aangebroken. Het Lodewijk XI-plein is omgebouwd tot een enorm plein voor een terechtstelling. Honderden mensen staan er te wachten.

Aan de ene kant staan Zweedse soldaten, Grijzen en Fransen, maar er zijn ook veel vrienden aanwezig van degene die straks terechtgesteld zal worden. Ze staren somber en onheilspellend voor zich uit....

Er zijn veel huilende vrouwen en zelfs sterke mannen kunnen hun gevoelens niet verbergen. Het is een van hun die straks zal worden terechtgesteld en dit ongeluk kan ieder van de  toeschouwers vandaag of morgen ook gebeuren.

De klok van de kerk slaat acht uur. Bij de eerste slag komt er beweging in de menigte. Bij de tweede slag klinkt tromgeroffel, gevolgd door een stoot op de trompetten.

 

De stoet zet zich in beweging; de burgers zien deze komen uit een van de monumentale deuren van de abdij die aan het plein staat. Voor de deur is een stenen bordes van waaraf de veroordeelde een blik op het plein kan werpen. Een detachement Zweedse soldaten, geweer op de schouder, posteert zich rondom de brandstapel. Als nieuwsgierige burgers te veel naar voren dringen, moeten de soldaten maatregelen nemen. Zij duwen de menigte terug en de jonge bergbewoners, de volgelingen van Lacuzon, weten in het gedrang naar voren te komen, zonder dat de Zweedse soldaten het merken. Pierre Prost komt met vaste tred het plein opgelopen. Zijn handen zijn op de rug gebonden. Twee detachementen soldaten, aangevoerd door Lespinassou, marcheren naast hem. Links en rechts lopen executeurs, brandende fakkels dragend.

 

 

 

 

 


 

Raoul en Eglantine in het huis ‘De IJzeren Voet’

 

69. Terwijl op het Lodewijk XI-plein Pierre Prost op zijn dood wacht, vertoeven Raoul en Eglantine in het huis ‘De IJzeren Voet’ waar zij in angstige spanning de loop van de gebeurtenissen afwachten. De twee jonge mensen spreken weinig. Eglantine, bleek en somber, huilt zachtjes. Zij weet dat haar vrienden hun leven zullen wagen om dat van haar vader te redden. Wat Raoul betreft: Hij denkt er slechts aan dat er straks zal worden gevochten zonder hem, terwijl hij zich met een jong meisje verbergt in een armzalig huis, veilig achter dikke grendels. Dan trekt een geluid buiten zijn aandacht. Er wordt hard gelachen. Raoul schuift een gordijn opzij en kijkt naar buiten.

Hij ziet vier mensen op de weg: drie soldaten en een vrouw.

Het zijn soldaten van Lespinassou en het is duidelijk dat zij weinig goeds voorhebben met de vrouw die 55 à 60 jaar oud is.

Op het gezicht van deze ongelukkige staat grote angst te lezen. Zij ligt op haar knieën voor de soldaten en smeekt hen haar vrij te laten.  

De Grijzen hebben op haar tranen slechts één antwoord: een bulderend hoongelach.

Een van de  Grijzen maakt zich van het troepje los. Hij haalt een dik stuk touw uit zijn zak en bekijkt de bomen die om hem heen staan. Al spoedig vindt hij een tak die hem geschikt lijkt voor zijn plan.  Hij klimt in de boom en maakt het uiteinde van het touw aan de tak vast. Aan het andere uiteinde maakt hij een lus.

Hij lacht en zegt: ‘Lespinassou mag zijn brandstapel hebben, wij hebben een galgje dat minstens even goed werkt!’

 

 

 

 

 


 

Raoul grijpt in

 

70. Terwijl hun kameraad in de boom bezig is de strop te bevestigen, gaan de anderen door met het plagen van de oude vrouw die nog steeds op haar knieën ligt en de mannen smeekt haar vrij te laten. Als zij echter inziet dat niets haar meer kan helpen, vouwt zij haar handen voor een laatste gebed.

‘Vooruit!’ zegt een van de mannen.

‘Nu wordt het tijd dat ze aan de galg gaat’. De man die het touw in de boom vastmaakte, rolt een grote steen onder het touw en zegt: ‘Klim er maar op, oudje.

Dit is de trap die je naar het einde zal voeren’.

De vrouw kan niets anders doen dan gehoorzamen.

De Grijzen leggen de strop om haar hals en het enige wat de vrouw nu nog van de dood scheidt is de steen die straks zal worden weggetrokken.

Raoul die het gebeurde in spanning en met verontwaardiging heeft gevolgd, begrijpt dat nu zijn tijd is gekomen om in te grijpen.

‘Ik kan die arme vrouw niet voor mijn ogen laten vermoorden zonder dat ik geprobeerd heb haar te redden’, zegt hij. Hij doet zijn mantel uit, voelt of zijn zwaard op zijn plaats zit en vraagt Eglantine de deur direct achter hem te sluiten. Vlug gaat hij deze deur uit, gereed om de Grijzen te ontmoeten. Deze staan juist op het punt om hun plan uit te voeren.

 

 

 

 

 


 

Wordt Magui toch vermoord?

 

71. Als de Grijzen de vreemdeling zien aankomen onderbreken zij een ogenblik hun werkzaamheden. Het uniform van Raoul dat de mannen niet kennen, boezemt ontzag in. Eerbiedig brengen de mannen de militaire groet.  Raoul besluit te profiteren van dit overwicht. Vriendelijk vraagt hij: ‘Wat doen jullie daar voor duivelswerk, kameraden?’

‘Dat ziet u, officier’, antwoordt een van de Grijzen. ‘We maken een beetje plezier met deze heks.’

‘Hoe weet je dat zij een heks is?’  Dat weet iedereen in Saint-Claude.’ De mensen van het land noemen haar ‘Magui de heks’.

Al gauw wordt het gesprek minder vriendschappelijk. De mannen zijn maar matig ingenomen met Raouls inmenging en zij laten dat duidelijk blijken.

Raoul laat zich echter niet uit het veld slaan.

‘En als ik er nu eens voor zorgde dat de voorstelling niet doorgaat?’ vraagt hij.

‘Dat zul je niet, want de voorstelling gaat door’.

‘Geloof je? Ik beveel jullie die vrouw haar vrijheid terug te geven en als dat niet goedschiks kan gebeuren, zal ik maatregelen moeten nemen. Jullie zullen dan kennis maken met mijn zwaard!’

‘Dat willen we dan wel eens, verwaande haan’, daagt een van de Grijzen uit en zich tot zijn kameraden wendend: ‘Limassou, doe je werk met die oude vrouw’.

Limassou schopt de steen onder de voeten van de oude vrouw vandaan.

 

 

 

 

 


 

Wint Raoul het gevecht?

 

72. De steen rolt weg en de vrouw hangt nu onbeweeglijk in de lucht. Raoul heeft zijn zwaard getrokken en stormt op de Grijze toe. Heftig valt hij hem aan. De man verdedigt zich zwak en roept om zijn kameraden. Dan valt hij levenloos neer. De twee anderen die het korte gevecht ontsteld hebben aangezien, vluchten weg.

Alleen gebleven met het lichaam van de Grijze en dat van de ongelukkige vrouw, is het eerste wat Raoul doet het touw doorsnijden en de vrouw in het gras neerleggen.

Zij is bewusteloos.

De fontein die tegen over het huis ligt, bewijst nu goede diensten. Raoul haalt met beide handen water en sprankelt dat op het gezicht en de hals van de vrouw. Haar hart klopt nog zwak.

Raoul heeft geen aandacht meer geschonken aan de twee ontvluchte Grijzen. Deze mannen hadden zich verstopt achter het huis waarin Eglantine zich verbergt en durven zich, nu Raoul met de rug naar hen toe zit, weer te vertonen. Zij trekken hun pistolen tevoorschijn en de lopen worden gericht  op de niets vermoedende Raoul.

 

 

 

 

 




 

De oude Magui

 

73. Terwijl Raoul de vrouw verzorgt, klinken plotseling twee schoten. Twee kogels vliegen rakelings langs zijn hoofd. Snel draait hij zich om. Nog juist ziet hij de silhouetten van de mannen die, nadat ze hebben gezien dat hun aanslag is mislukt, hals over kop op de vlucht slaan in de richting van de bergen.

Raoul vergeet een moment de vrouw en, een impuls volgend, zet hij de achtervolging in.

Dan bezint hij zich: hij mag niet te ver van Eglantine vandaan gaan en bovendien is er nog de oude vrouw die zijn zorgen nodig heeft. Hij vindt de vrouw zittend terug. Ze is weer tot bewustzijn gekomen. De oude Magui herinnert zich alles weer en onder tranen bedankt ze Raoul. Deze verwondert zich over haar: de zuiverheid van haar taal contrasteert wel heel fel met de schamele kleren die zij draagt.

‘U hebt uw leven gewaagd voor een arme vrouw die u niet kent en die u niet interesseert!’ roept zij verbaasd uit.

 

 

 

 

 


 

Pierre Prost beklimt de brandstapel

 

74. Op het Lodewijk XI-plein worden ondertussen de laatste maatregelen voor de terechtstelling getroffen. Het volk staat verbeten en zwijgend te wachten op de dingen die komen. Pierre Prost toont zich een dapper man. Hij loopt zijn laatste gang fier. Op zijn gezicht staat vertrouwen te lezen. Nog enkele passen scheiden hem van de brandstapel. Hij richt zijn hoofd op en kijkt rustig naar de menigte voor hem. Zijn houding is eerder die van een overwinnaar dan die van een ter dood veroordeelde.

Plotseling valt er een doodse stilte. Op het bordes vlak voor de brandstapel is een klein gezelschap gearriveerd. Eén van deze mannen is de meest gevreesde; de man aan wie de ellende die de laatste jaren over de Franche-Comté is gekomen eigenlijk te wijten is.

Honderden spreken op dat ogenblik dezelfde woorden uit: ‘De man met het zwarte masker’. Deze neemt een zelfverzekerde houding aan en bekommert zich niet om degene die naast hem staat, de graaf van Guébriant.

De verwijten die nu opklinken vanuit het volk raken hem niet. Hij is gekomen om zich te amuseren en bovenal: om de man te zien sterven die zijn grote geheim kent.

Pierre Prost ziet, vlak voor hij de brandstapel opgaat, het bekende gezicht. Hij ziet het triomferende lachje dat om zijn lippen speelt en roept: ‘Triomfeer niet te snel. Het geheim van de 17de januari 1620 zal niet met mij sterven!’ Maar zijn woorden gaan verloren in het geschreeuw van het volk en ze bereiken degene voor wie ze bestemd zijn niet.

 


 

De bergbewoners grijpen in 75

 

75. In het midden van de brandstapel staat een paal met een ijzeren band eraan. De executeurs doen deze band om de hals van Pierre Prost.

‘Het moet zo zijn’, mompelt deze, een lange blik werpend over het plein waarop zoveel bekenden staan. Eén van de executeurs kijkt om naar het bordes, een teken verwachtend. De graaf van Guébriant wisselt enkele woorden met de man met het zwarte masker en geeft daarna het afgesproken teken.

De twee toortsdragers heffen even plechtig de twee fakkels op en duwen ze dan tussen de takken die de brandstapel vormen. Pierre Prost heeft nu al zijn hoop verloren. Zijn blikken zijn nu niet meer op liet volk gericht maar naar de hemel.

Een doodse stilte heerst op het plein en alleen het geluid van de vlammen die al dichter bij de veroordeelde komen, is te horen. Verwrongen gezichten kijken naar de brandstapel en een geschrei gaat op vanuit het volk.

Alleen de Zweden die een cordon hebben getrokken om de brandstapel, zijn onaangedaan.

Plotseling weerklinkt een schel gefluit. Een heftige beweging gaat door de eerste rijen van de toeschouwers. Iedere Zweedse soldaat heeft opeens een bergbewoner achter zich staan die een dolk tegen zijn keel drukt. Dit gebeurt in enkele seconden en even later zijn de bergbewoners het plein meester.

 

 

 

 

 

 


 

De woede van de man met het zwarte masker

 

76. Drie mannen stormen de brandstapel op, het vuur met hun voeten uittrappend. Het volk herkent direct kolonel Varroz, pater Marquis en kapitein Lacuzon en een luid gejuich gaat op. Lacuzon rukt de ijzeren band van de hals van Pierre Prost en snijdt de touwen door waarmee zijn handen waren vastgebonden. De Zweden die de punten van de dolken in hun hals voelen, durven zich niet te verroeren.

Enkele ogenblikken later kan Pierre Prost die nu vrij man is, zijn handen leggen in die van zijn redders. Kapitein Lacuzon wendt zich naar het balkon waarop de man met het zwarte masker en zijn gevolg staan.

Hij spreekt echter tegen de graaf van Guébriant: ‘U ziet dat wij in de meerderheid zijn en dat uw soldaten niets kunnen uitrichten. Geef hun het bevel hun wapens neer te leggen. Ik geef u mijn soldatenwoord dat hun dan geen kwaad zal geschieden!’

De hertog is een lafaard. Hij durft deze beslissing niet te nemen en kijkt aarzelend naar zijn metgezel: de man met het zwarte masker. Deze kijkt met een van woede verbeten gezicht naar de menigte voor zich. Hij ziet dat zijn soldaten zullen verliezen, maar hij zet dit van zich af en commandeert: ‘Vuur!’

 

 

 

 

 


 

Zijn laatste woorden

 

77. De Zweedse soldaten weten echter dat zij de strijd zullen verliezen. Zij voelen de dolken op hun keel. Ondanks het bevel van de man met het zwarte masker, laten zij hun geweren naast zich vallen. Lacuzon wijdt zich nu geheel aan zijn oom. Hij probeert zich een weg te banen door de juichende menigte.  Marquis en Varroz lopen naast hem. Op het balkon staan twee mannen verbeten te kijken naar hetgeen voor hen gebeurt. Op het gezicht van Guébriant staat behalve woede ook angst te lezen: de bergbewoners kunnen in opstand komen! Op het gezicht van de ander staat alleen haat en wraaklust te lezen.

Zonder dat iemand het merkt haalt hij een pistool uit zijn gordel. Hij is rustig en kalm.

Plotseling weerklinkt een revolverschot. De kapitein kijkt achterom. Pierre Prost zakt weg uit zijn armen en valt op de grond. Bloed stroomt uit zijn borst: de kogel van de man met het zwarte masker heeft hem dodelijk getroffen. Prost’s hand wijst naar het balkon en zijn laatste woorden zijn: ‘Hij is het, hij .... de man met het zwarte masker .... ‘ Lacuzon kijkt naar de plaats die Pierre Prost aanwijst. De onbekende man steekt langzaam en zelfverzekerd het pistool dat hij zojuist heeft gebruikt, in zijn gordel …

 


 

Magui de bondgenoot

 

78. Raoul de Champ d'Hivers weet niets van hetgeen gebeurt op het Lodewijk XI-plein. Enkele ogenblikken, voor de man met het zwarte masker het schot zal lossen, staat hij te praten met de ‘oude heks’.

‘Waarom noemen ze u de heks?’ vraagt hij.

‘Omdat ik arm, alleen en bedroefd ben; dat schijnt genoeg te zijn om me buiten de gemeenschap te sluiten’. Dan kijkt de vrouw Raoul scherp aan en even wordt ze lijkbleek.

‘Is er iets vreemds aan mij?’ vraagt Raoul aarzelend.

‘Nee, meneer.... niets.... ik zag een gelijkenis.... nee dat is te dwaas!’

‘Herinnert mijn gezicht u aan iemand?’

‘Ja, dat dacht ik eerst, maar degene die ik me herinner is dood en zijn geslacht is uitgestorven’ en zonder Raoul de gelegenheid te geven haar te antwoorden, vraagt ze hem:

‘Meneer, tot welke partij behoort u?’

‘Ik ben voor Franche-Comtois, maar waarom vraagt u dit?’

‘Omdat ik tot vandaag niets anders dan vijanden had. U bent de enige mens sinds jaren die mij een bewijs van belangstelling geeft. Ik sluit mij aan bij de partij die de uwe is meneer.

Lach niet! De oude Magui, Magui de heks, zoals ze hier zeggen, zal misschien een nuttiger bondgenoot blijken te zijn, dan u nu denkt!’

En na enkele seconden: ‘Ik zou graag uw naam willen weten, meneer, om die nooit weer te vergeten’. ‘Ik heet Raoul’, antwoordt de jongeman, de oude vrouw nakijkend die sneller wegloopt dan haar leeftijd haar eigenlijk zou kunnen permitteren.

Juist als Raoul het huis van Eglantine wil binnengaan, hoort hij een schot. Hij rilt. Het is het schot uit het pistool van de man met het zwarte masker.

 

 

 

 

 


 

De strijd in St Claude

 

79. Op het Lodewijk XI-plein is de toestand op zijn zachtst gezegd precair. Pierre Prost is gestorven.

Met een stem, bevend van emotie en ingehouden woede, schreeuwt Lacuzon: ‘Verraad! Burgers van De Franche-Comté! Lacuzon wil wraak!’

Gevolgd door een groep bergbewoners en zijn strijdkreet steeds herhalend, holt bij naar het klooster dat in enkele seconden is omsingeld. Lacuzon gaat de trap op die naar het bordes leidt waarop enkele minuten geleden de man met het zwarte masker stond. Tweehonderd Zweden worden op dat ogenblik het slachtoffer van de messen van de bergbewoners. De pelotons die worden aangevoerd door Lespinassou maken op dat moment gebruik van hun pistolen.

Na enkele ogenblikken is het plein veranderd in een strijdtoneel waarop het bloedig toegaat. Het is een strijd van man tegen man, maar de aanwezigheid van het driemanschap zet de bergbewoners aan tot grootse verrichtingen.

Pater Maquis die bij het lijk van Pierre Prost zit, spoort alleen al door zijn aanwezigheid de bergbewoners aan; kolonel Varroz strijdt zeer heldhaftig.

De burgers die geen wapens bij zich hadden, zijn gevlucht, hetzij uit zelfbehoud, hetzij om wapens te halen.

Enkele seconden later verschijnt Lacuzon met zijn mannen op de drempel van de poort; een doordringende fluittoon weerklinkt. De bergbewoners staken onmiddellijk hun strijd en scharen zich om Lacuzon.

‘Wel’ vraagt Varroz ‘waar is de man met het zwarte masker?’

‘Hij is gevlucht, de lafaard. En hij heeft de poorten achter zich gesloten. Maar ik zal hem vinden en dan...’  Maar Lacuzon wordt onderbroken.

Een boer schreeuwt: ‘Kapitein, de Zweden en de Grijzen komen eraan!’

 

 

 

 

 


 

Raoul

 

80. Raoul vergeet alles, nadat hij het schot heeft gehoord: zijn belofte, de opdracht die hij heeft gekregen en zelfs Eglantine! Hij weet dat zijn vrienden in gevaar zijn en dat hij niet bij hen is om ze te helpen. Hij haast zich naar het Lodewijk XI-plein, maar verdwaalt in de ontelbare kleine straatjes. Onophoudelijk passeren hem vluchtende mensen, maar niemand gunt zich de tijd hem antwoord te geven op zijn vragen. Hij is de weg volkomen kwijt.

De huizen lijken allemaal op elkaar en niets kan hem de weg wijzen. Raoul holt door de straatjes heen en probeert zich te herinneren uit welke richting het schot kwam.

Eindelijk, wanneer hij de hoop om zijn vrienden terug te vinden al heeft opgegeven, komt hij toevallig in een straat die naar het Lodewijk XI-plein leidt.

Voor zich ziet hij een groot plein waarop honderden mensen tegen elkaar vechten. Hij hoort schreeuwen: ‘De dood aan Lacuzon! Leve Zweden en Frankrijk!’

Andere stemmen roepen: ‘Weg met Lespinassou! Saint-Claude en Lacuzon! 

Het is juist op dat moment dat Lespinassou, profiterend van de algemene verwarring, met nieuwe troepen terugkomt.

 

 

 

 

 

 


 

De hergroepering van Lespinassou en zijn mannen

 

81. Lespinassou heeft geprofiteerd van de verwarring in het eerste moment van de strijd door nieuwe troepen te halen. Zijn troepen worden echter ontvangen met geweerschoten.

‘Vecht burgers’ roept Lacuzon. ‘Ik heb mijn oom beloofd zijn dood te zullen wreken.’

De mannen van Lacuzon staan even stil, verbluft door de onverwachte tegenstand. Lespinassou zijn mannen hergroeperen zich en langzaam herwinnen zij het verloren terrein.

In plaats van het teken te geven voor een ogenblik rust, uit Lacuzon een woedende kreet en stort hij zich naar voren. Hij heeft juist gezien hoe Lespinassou zijn zwaard trok. Hij holt recht op de aanvoerder van de vijandelijke troepen af.

De Zweden aan de ene kant en de Grijzen aan de andere kant maken nu eerst aanstalte om hun chefs te gaan helpen.

Lacuzon is zo vervuld van woede dat de mannen van Lespinassou aarzelen.

Alsof er een bevel was gegeven blijven beide troepen staan, vastbesloten te blijven waar ze zijn en het schouwspel van het gevecht van man tegen man dat zo direct zal beginnen, te aanschouwen.

In deze tijd is een gevecht van man tegen man niet zeldzaam. Lespinassou is echter veel zwaarder bewapend dan Lacuzon. Hij heeft zijn lange zwaard, een dolk en twee pistolen. Lacuzon heeft alleen zijn degen.

 

 

 

 

 


 

De strijd tussen Lacuzon en Lespinassou

 

82. Een vreselijke strijd begint. Het staat vast dat één van de twee aanvoerders in dit gevecht zal moeten sterven. De Grijzen en de bergbewoners staan toe te kijken, angstig en bedrukt. De Zweden echter beschouwen het kennelijk als een boeiend schouwspel.

Lacuzon is razend van woede. ‘Slappeling! Ga je straks weer op de vlucht, zoals nog niet zo lang geleden in Longchaumois?’ roept bij uit.

‘Als ik vlucht, zal jij het aan niemand meer kunnen vertellen!’ roept Lespinassou terug.

De geweldenaar laat zijn woorden vergezeld gaan van een verschrikkelijke klap met zijn zwaard.

Lacuzon is echter lenig en hard als staal en hij weet de klap handig te pareren. Voordat Lespinassou opnieuw zijn zwaard kan heffen, doet de kapitein een heftige uitval. Even deinst Lespinassou terug en Lacuzon benut deze seconde door een tweede uitval te doen.

Er stroomt nu bloed uit de mouw van Lespinassou.

Lacuzon ziet het. ‘Over enkele minuten zal je hele uitrusting rood zijn!’ roept hij. ‘Je uniform zal dezelfde kleur hebben als de pij van pater Marquis!’

‘Dat doe je maar!’ schreeuwt Lespinassou, zijn tanden op elkaar klemmend, ‘dat moet je maar doen!’

 

 

 

 


 

Gaat Lacuzon het gevecht verliezen?

 

83. Lespinassou raakt eerder vermoeid dan Lacuzon. De Zweden en Grijzen zien het met angst. Zijn borst hijgt en bloed sijpelt over zijn gezicht. Lacuzon begrijpt dat het ogenblik waarop hij voorgoed kan afrekenen met deze schurk, nabij gekomen is. Als Lespinassou langzaam en vermoeid zijn zwaard heft, wil hij toesteken. Maar hij maakt één fout, hij onderschat de sterkte van het zwaard van zijn tegenstander. Lespinassou slaat het zwaard van Lacuzon in tweeën. De Zweden en de Grijzen uiten een triomfkreet. 

De boeren van Lacuzon staan te aarzelen: zullen zij ingrijpen in deze nu ongelijke strijd? De kapitein herstelt de situatie echter zelf. Hij werpt zich op Lespinassou, pakt hem bij zijn middel en tracht hem omver te werpen.

Lespinassou laat door de onverwachte aanval het zwaard uit zijn handen vallen waardoor de strijd weer gelijk wordt. Hij begrijpt nu echter dat hij deze strijd op leven en dood alleen kan winnen door brute kracht. En deze kracht is enorm!

De aanvoerder van de Grijzen kan de aanvallen van Lacuzon gemakkelijk weerstaan. Deze probeert hem omver te gooien, maar hij wankelt zelfs niet. Lespinassou heeft nu gelegenheid zijn dierlijke kracht te tonen. Hij drukt Lacuzon met alle kracht tegen zich aan en wanneer hij ziet dat deze methode niet het gewenste resultaat oplevert, probeert hij hem te wurgen. Lacuzon voelt de kracht van zijn tegenstander en beseft dat hij zal verliezen.

 

 

 

 

 

 


 

Zal Lespinassou toch nog winnen?

 

84. Lacuzon die voelt dat hij zijn sterke tegenstander niet lang meer kan weerstaan, verzamelt zijn laatste krachten en met zenuwen die tot het uiterste gespannen zijn, weet hij zich onder Lespinassou vandaan te werken. De strijd is echter nog lang niet beslist, de kansen wisselen ieder ogenblik en het lijkt of de twee strijders aan elkaar gewaagd zijn. Dan weet Lespinassou zich weer aan de greep van Lacuzon te onttrekken.

Lacuzon heeft bijna geen kracht meer en de bergbewoners kunnen nauwelijks aanzien dat hun aanvoerder door Lespinassou  wordt verslagen. Kolonel Varroz probeert tussenbeiden te komen. Hij dringt zich naar voren, maar als de Grijzen raden wat hij van plan is, duwen hem van de vechtenden weg.

Varroz geeft de strijd echter niet op.

Hij blijft opdringen en roept: ‘Lacuzon! Lacuzon!’

De bergbewoners nemen de kreet over. De Zweden zorgen er echter voor dat niemand de vechtenden te hulp kan komen.

Lespinassou ziet dat zijn tegenstander geen krachten meer heeft. Hij ziet echter het zwaard van Varroz dicht bij zich en hij weet dat deze zich over enkele minuten door de barrière heen zal weten te werken. Hij besluit om, voor dat hij zal sterven, zijn tegenstander te doden.

Hij neemt zijn dolk, heft zijn sterke arm omhoog en zal Lacuzon de genadeslag toebrengen.

 

 

 

 


 

Raoul grijpt in

 

85. Maar juist als de sterke Lespinassou zijn dolk wil laten neerdalen, verschijnt een nieuwe figuur op het terrein. Hij baant zich met zijn zwaard een weg door de Zweden die hem tegen willen houden.

‘Lacuzon, Lacuzon’ roept hij. Dan stort hij zich op Lespinassou.

Hij stoot zijn zwaard tussen de ribben van Lespinassou die op de grond valt en zijn laatste woorden lispelt. Voor de tweede maal heeft Raoul de Champ d'Hivers het leven van Lacuzon gered.

‘Dank je, broeder’ zegt deze eenvoudig, terwijl hij gaat staan.

Dan begint een kort gevecht met de Zweden die de dood van hun aanvoerder willen wreken.

Maar deze strijd is gauw beslist. De Zweden gooien hun wapens neer en zoeken hun heil in de vlucht.

De bergbewoners zetten de achtervolging in. Lacuzon vecht weer in de voorste gelederen.

 

 

 

 

 


 

De brandstapel

 

86. Er blijven nog slechts enkele mensen over op het Lodewijk XI-plein: pater Marquis en vier helpers, aan wie hij opdracht geeft het lichaam van Pierre Prost in de kathedraal te brengen.

‘En ga daarna weer naar de kapitein’, zegt hij tegen twee van de mannen, ‘en zeg dat, wanneer ik me vanavond niet bij hen voeg in de Grote Straat, ik hen morgen zal ontmoeten bij Gangônes’.

Een aantal inwoners van Saint-Claude dat gevlucht was na het schot van de man met het zwarte masker, is inmiddels op het plein teruggekeerd.

De mensen zien tot hun grote vreugde welke wending de gebeurtenissen hebben genomen. Ze vinden tussen de lichamen van de soldaten dat van Lespinassou en pakken het op.

In optocht brengen de boeren Lespinassou naar de brandstapel die bestemd was voor Pierre Prost. Ze binden hem vast, zoals enkele minuten geleden Pierre Prost werd vastgebonden en gooien dan een brandende fakkel tussen het hout. Dat is het einde van één van de voor Saint-Claude wreedste en gevaarlijkste mensen.

 

 

 

 

 

 


 

Saint Claude brandt

 

87. Na de overwinning op het Lodewijk XI-plein zetten de bergbewoners onder aanvoering van Lacuzon en Varroz de achtervolging in. De vluchtende Zweden rennen voor hun leven en al lopende gooien zij hun wapens die hen meer belemmeren dan van dienst zijn, weg. De mannen die jarenlang terreur hebben uitgeoefend in Saint-Claude, gaan nu smadelijk op de vlucht voor de bewoners van dat dorp!

Dan vermengt zich opeens een ander geluid met het strijdgejoel. De brandklok luidt! Vanaf de wallen die het oude stadje omringen, laat de muurwachter zijn waarschuwing klinken. Tegelijkertijd stijgen vanuit vier punten in de stad dichte rookkolommen omhoog. De rook vormt even later een tweede muur rond de stad.

Er ontstaat paniek: ‘Brand! Brand!’ wordt er geschreeuwd. Het is een verschrikkelijk laatste souvenir dat de vluchtende Zweden achter zich laten.

In de stad is nagenoeg geen water. De straten zijn recht en de huizen zijn van hout. Men kan niets tegen het vuur beginnen. Machteloos staan de mannen te kijken. Vluchten is onmogelijk, omdat het vuur de hele stad insluit. De bewoners lopen hun huizen uit, vrouwen schreeuwen, niemand weet waarheen hij vluchten moet.

De Zweden hebben een volmaakte revanche genomen: Saint-Claude zal tot het laatste huis toe afbranden!

 

 

 

 

 

 


 

Eglantine vermoord?

 

88. Bij het afschuwelijke schouwspel dat de brandende stad biedt, mogen Lacuzon en Varroz hun ontmoediging en wanhoop niet laten blijken. Ook nu zal het volk op hen rekenen.

Een bergbewoner met verschroeide kleren komt naar hen toe. ‘Kapitein’, hijgt hij, ‘het vuur is overal! Men kan de lager gelegen straten niet meer bereiken! Het huis De IJzeren Voet brandt als een fakkel!’

Lacuzon en Raoul kijken elkaar aan.

‘Ze hebben Eglantine vermoord!’ roept Lacuzon.

‘We kunnen haar misschien nog redden’ zegt Raoul, terwijl hij in de richting van het huis snelt.

Lacuzon holt mee en enkele mannen voegen zich bij de twee.

Overal om hen heen voltrekt zich hetzelfde drama.

Bijna alle huizen staan in brand: over enkele minuten zal de stad een grote ruïne zijn. De inwoners hollen overal heen, zonder dat zij weten waarom. Want nergens kunnen zij zich veilig stellen voor het vuur.

Als Lacuzon en Raoul bij het huis De IJzeren Voet aankomen, blijkt dat inderdaad in lichterlaaie te staan. Vlammen slaan uit de vensters. De raamkozijnen branden. Lacuzon probeert de deur open te duwen, maar deze geeft niet mee. Raoul uit een kreet van afgrijzen: de deur is van buiten afgesloten! Dat moet het werk zijn geweest van de Grijzen die nadat Raoul was vertrokken dit snode plan hebben bedacht. Met hun schouders duwen Raoul en Lacuzon uit alle macht tegen de deur.

 

 

 

 


 

Is Eglantine te redden?

 

89. Plotseling zwaait de deur open. Een afschuwelijke hitte komt hen tegemoet en de helheid van de vlammen verblindt hen.

‘Eglantine! Eglantine!’ schreeuwt Lacuzon wanhopig.

Een stem die uit de diepte van de aarde schijnt te komen antwoordt: ‘Ik ben hier, Jean-Claude ik leef! Help mij!’

Lacuzon denkt eerst dat het zijn verwarde geest is die hem deze stem doet horen. Maar dan bedenkt hij dat Eglantine het verstandigste heeft gedaan wat zij had kunnen doen: Zij heeft zich in de kelder verborgen! Hij wil haar helpen, maar hoe? Het lijkt of er geen enkele uitweg is om het meisje te helpen.

Maar dan krijgt hij een idee.

Juist op het moment dat de mannen Raoul moeten tegenhouden die in de kelder wil afdalen om mét Eglantine te sterven, holt hij naar de fontein, zijn wijde mantel over de arm.

Hij haalt zijn mantel door het water, tot deze zwaar is. Het is de enige kans om Eglantine te redden als het nog niet te laat is.

Voor de tweede maal horen de mannen de stem van Eglantine, maar zij klinkt nu zwakker en verder weg: ‘Jean-Claude, Jean-Claude. Ik sterf, ik stik!!’

Raoul die niet heeft gezien wat Lacuzon doet, probeert zich opnieuw los te rukken en Eglantine te hulp te snellen.

 

 

 

 

 

 


 

Verstikt door de rook

 

90. Lacuzon hult zich in de mantel waaruit het water stroomt. Hij beschermt zijn hoofd zo goed als hij kan. Een tweede jas die hij kletsnat heeft gemaakt, neemt hij onder zijn arm. Snel loopt hij op het huis toe. Men hoort nu niets anders dan het loeien van het vuur en het vallen van hout. De stem van Eglantine zwijgt.

Angstig gaat de kapitein het huis binnen: als hij maar niet te laat komt!

Als Lacuzon in het huis komt, is hij een ogenblik zo verblind door de vlammen en krijgt hij het zo benauwd door de rook dat hij niet direct de trap kan vinden die naar de kelder leidt. Achter zich hoort hij de stem van Raoul die aanwijzingen geeft. Dan vindt hij het luik dat de trap afsluit.

Hij loopt de trap af en roept de naam van Eglantine. Er komt echter geen antwoord. Verstikt door de rook en geheel uitgeput door de doorgestane angst is Eglantine op de grond gevallen. Zij is buiten bewustzijn. Lacuzon ziet haar liggen en vreest het ergste.

 

 

 

 

 


 

Net op tijd!

 

91. Zonder een ogenblik te verliezen rolt Lacuzon Eglantine in de natte mantel. Hij neemt haar in zijn armen en draagt haar de treden van de kelder op. Dan komt hij weer in de oven waarin het huis is veranderd. Overal om hem heen zijn de vlammen en het vuur sist op de natte mantels. Het water in de mantel zal bij deze temperatuur spoedig verdampt zijn. Lacuzon moet zo snel mogelijk het huis verlaten!

Als hij de drempel is over gestrompeld, ziet hij Raoul die zich los heeft weten te rukken en die de twee tegemoet snelt.

Met donderend geraas stort even later achter Lacuzon een stuk muur in.

Als hij een minuut later bij Eglantine was geweest, was zij levend begraven in de kelder.

Het meisje ziet erg bleek, maar zelfs geen haar is verschroeid! Zij zucht. Vol verwachting kijken Raoul en Lacuzon naar het bleke gezichtje. Raoul gaat naar de fontein om water te halen voor Eglantine.

Juist als hij weggaat, komt er een boer aanhollen. Hij ziet er verschrikt uit.

 

 

 

 

 

 

Het gevecht om Eglantine

 

92. De man staat hijgend stil voor Lacuzon en stoot dan uit: ‘Kapitein! De Zweden en de Grijzen hebben zich weer verzameld! Ze rukken op naar de stad! Kolonel Varroz wacht op u!’

Lacuzon  keert zich tot Raoul: Deze keer kun je ons niet volgen. Neem Eglantine van mij over en trek het water van de Bienne over. Wacht dan op mij in het dichte struikgewas dat je vinden zal achter het dennenbos!’

Nadat hij Raoul nog een laatste handdruk heeft gegeven, verdwijnt Lacuzon met zijn bergbewoners achter een kromming in de weg. Raoul heeft nu nog maar één gedachte: ver weg te komen van deze vervloekte stad.

Zijn verloofde dragend, begint hij te lopen in de richting die Lacuzon hem heeft aangeduid. Hij ziet de Bienne al voor zich met daarachter het bos dat hem een veilige schuilplaats zal bieden, tot zijn vrienden terugkeren. Raoul komt langs een klein huisje. Het ziet er verlaten uit en het brandt niet. De Zweden vonden kennelijk het miserabele huisje hun vuur niet waardig! Maar plotseling zwaait de deur open en twee mannen komen naar buiten. Ze staan midden op de weg en beletten Raoul de doorgang. Raoul herkent de mannen direct: het zijn de metgezellen van de Grijze die hij gedood heeft.

 

 

 

 

 


 

Kan Raoul tegenstand bieden?

 

93. De twee Grijzen komen naderbij. Raoul torst nog steeds zijn kostbare last. Eglantine is nog niet tot bewustzijn gekomen en de bandieten kunnen haar gezicht niet zien.

‘Aha!’ roept een van de  mannen uit. ‘Ben je daar weer, mooie meneer? Jij, verdediger van heksen!’

De ander doet ook een duit in het zakje: ‘Loop je je geluk te zoeken in een brandende stad?’ smaalt bij.

Raoul neemt Eglantine in zijn linkerarm en dekt haar met de mantel van Lacuzon toe. Met zijn linkerhand trekt hij zijn zwaard: ‘Zet je in positie!’ zegt hij koel tegen de man die het laatst het woord heeft gevoerd.

‘Werkelijk, mijn edele heer? En als ik dat eens niet zou doen?’

‘Dat zou heel jammer voor je zijn. In dat geval zou je het beste doen je nu te gaan voorbereiden op je dood.’

‘Die knaap heeft praatjes!’ zegt de ander grof. ‘Vooruit! Aan het werk.’

Eén van de Grijzen dringt nu op Raoul toe, de degen in de hand. De jongeman slaat de aanval behendig af, ondanks zijn zware last. Helaas let Raoul alleen maar op de man tegen wie hij vecht.

Hij merkt daardoor niet dat de ander achter hem weet te komen. Het zal voor Raoul erg moeilijk zijn om tegen twee mannen te vechten  met Eglantine op zijn arm ...

 

 

 

 

 

 


 

De klap

 

94. Raoul weet enkele minuten de aanvallen van zijn tegenstander af te weren. Hij kan zijn volle kracht niet gebruiken, omdat hij Eglantine die nog steeds buiten bewustzijn is, in zijn linkerarm draagt. Raoul gaat echter geheel in de strijd op en hij merkt niet dat de tweede Grijze die achter hem staat, zijn zwaard opheft om hem een verschrikkelijke slag toe te brengen.

Raoul die voelt dat hij deze zeer ongelijke strijd zal verliezen, probeert Eglantine beter te ondersteunen. De ander ziet deze beweging. Een valse grijns trekt over zijn gezicht. Hij voelt zich trots, omdat hij later zal kunnen vertellen dat hij deze sterke jongeman heeft verslagen. Hij zal natuurlijk niets vertellen over de omstandigheden waaronder dat gebeurde… Dan ziet hij hoe zijn metgezel, de boosaardige Limassou, zijn zwaard laat neerdalen op het hoofd van Raoul.

 ‘Ik geloof dat de klap goed aangekomen is!’ roept deze uit.

‘Wat denk jij ervan Francatripa?’

‘Niet slecht. Ik hoop ‘dat hij dood is.’

‘Wat dat betreft kun je gerust zijn!’

‘De vrouw heeft zich nog niet bewogen en ze zegt geen woord,’ zegt dan Limassou, terwijl hij zich over Eglantine heen buigt. Hij tilt de mantel op waaronder het gezicht van het meisje verborgen gaat. Dan uiten ze een kreet van verbazing.

‘Maar dat is de nicht van Lacuzon!’

‘De nicht van een vijand, bravo!’

‘Het is een mooi meisje,’ zegt de ander.

‘Het gaat er nu om aan wie van ons beiden ze zal toebehoren!’

 

 

 

 

 


 

Een gevecht op leven en dood

 

95. Tot nu toe zijn de mannen het dus roerend eens: het is goed dat ze die verwaande haan uit de weg hebben geruimd en het is nog beter dat ze nu het nichtje van hun tegenstander als gijzelaar hebben. Maar nu komt een grote moeilijkheid: aan wie komt dat nichtje toe? De een zegt dat hij de rechtmatige eigenaar is, omdat hij het was die de jongeman durfde aan te vallen. Limassou is echter van het tegendeel overtuigd: ten slotte was hij het die de genadestoot gaf!

Tussen schurken van dit soort komt het al gauw tot een gevecht.

‘Als jij weigert mij het meisje goedschiks af te staan, moet het kwaadschiks,’ schreeuwt Limassou, zijn zwaard trekkend.

‘Zoals je wilt,’ daagt de ander uit.

En even later zijn de twee vrienden van enkele minuten geleden in een gevecht op leven en dood gewikkeld. De strijd kan nog lang duren, want de mannen zijn bijna even sterk.

Na enkele minuten echter laat Limassou zijn zwaard zakken. Hij lacht. Francatripa kijkt geërgerd naar hem: ‘Wat valt er te lachen? Zijn we geen dwazen dat we nu elkaar willen doden, terwijl het veel gemakkelijker is om in de hut te gaan zitten en daar om haar te spelen.’

‘Ik, geloof dat dat een goed voorstel is,’ zegt Francatripa.

‘Goed, laten we dan maar naar de hut gaan.’

 

 

 

 

 


 

Wie wint het spel om Eglantine?

 

96. Eén van de mannen neemt Eglantine in zijn armen en draagt haar naar de hut. Zij zijn er vast van overtuigd dat Raoul dood is en zij laten hem dan ook rustig langs de weg liggen. Ze gaan het huisje binnen dat als enig meubilair een houten tafel, twee krukjes en een oud ledikant herbergt. Het meisje is nog steeds buiten kennis en zij heeft geen idee van het grote gevaar waarin zij verkeert.

Eglantine wordt op het bed gelegd en de twee mannen gaan rond de tafel zitten. ‘Hoe spelen we?’ vraagt Francatripa, twee dobbelstenen uit zijn zak halend.

‘Wie in vijf keer de meeste punten haalt als je dat goed vindt.’ Limassou begint. ‘Vijf en vier. Nu jij!’

‘Vier en vier. Ga verder.’

Na de tweede worp heeft Limassou al aanzienlijk meer punten dan zijn metgezel.

Bij de vijfde en laatste worp heeft Limassou een grote voorsprong op Francatripa. Hij heeft gewonnen.

‘Het meisje is voor mij’, zegt hij triomfantelijk.

‘De dóód is voor jou!’ schreeuwt Francatripa plotseling woedend, zijn pistool tevoorschijn halend.

‘Jij bruut! Jij wilt dit meisje, de nicht van Lacuzon, kwaad doen, terwijl we veel geld kunnen verdienen door haar goed te verzorgen en haar uit te leveren als gijzelaar aan de man met het zwarte masker.’

Terwijl hij deze woorden uitspreekt, haalt Francatripa de trekker van zijn pistool over. Limassou valt dood neer in de hut.

 

 

 

 

 


 

Raoul krijgt hulp

 

97. Voor hij de hut verlaat, onderzoekt Francatripa de zakken van Limassou. Hij vindt er geld en stopt het zorgvuldig weg in zijn eigen beurs.

‘Geld is eigenlijk het enige dat je nodig hebt’, mompelt hij in zichzelf. ‘Als je geld hebt, ontbreekt het je nooit aan goede wijn.’

Even later neemt Francatripa Eglantine in zijn armen. Hij draagt haar het huisje uit, de weg op zonder de man die bewegingsloos langs de weg ligt, ook maar een blik waardig te keuren.

Haastig loopt hij verder met zijn zware last die hij zo snel mogelijk wil omruilen tegen goudstukken.

Zodra de Grijze uit het gezicht is verdwenen, komt een oude vrouw uit de struiken te voorschijn. Zij knielt neer bij het lichaam van Raoul.

De vrouw is niemand anders dan Magui de heks die het gebeurde vanuit de verte heeft gevolgd, maar die niet tussenbeide kon komen.

 

 

 

 

 

 

 


 

 

Wat is er met Eglantine gebeurd?

 

98. Een ijskoude windvlaag doet Raoul zijn ogen opslaan. Hij ziet het bezorgde gezicht van een oude vrouw die over hem heen gebogen is. Het is de oude Magui die nu aan Raoul de dienst die hij haar eens bewees, terug kan bewijzen. Zij bet zijn oogleden met ijswater en verzorgt zijn wond die niet zo groot is als men zou verwachten.

Zeker, de klap van Limassou was hevig, maar door een gelukkig toeval was het heft in de hand van Limassou iets gedraaid waardoor de klap werd gegeven met de platte kant van het zwaard in plaats van met de scherpe zijde. Eerst kan Raoul zich niets herinneren van hetgeen er gebeurd is, maar dan keert zijn geheugen terug en een verschrikkelijk vermoeden dringt zich aan hem op: ‘Ik herinner me alles weer’, mompelt hij.

Lacuzon en, oh … Wat is er met Eglantine gebeurd?’

Als Raoul van Magui heeft gehoord dat Francatripa het meisje heeft meegenomen, is Raoul radeloos.

‘Ik verzeker u, meneer,’ zegt Magui, ‘dat deze man Eglantine geen kwaad zal doen. Hij heeft haar niet meegenomen als vrouw, maar als een buit die hij zo duur mogelijk zal zien te verkopen aan de meest gevreesde vijand van de Franche-Comté.’

‘En wie is die vijand?’

‘De man met het zwarte masker!’

‘De man met het zwarte masker’, herhaalt Raoul somber. ‘Kent u de man die zich achter dat zwarte masker verbergt?’ vraagt hij dan. ‘Ik weet het’, is het eenvoudige antwoord.

 

 

 

 

 


 

Raoul en Magui op weg naar Gangônes

 

99. Raoul voelt dat Magui meer weet over de geheimzinnige man die zich verbergt achter een zwart masker.

Maar zij schijnt vastbesloten geen woord meer erover los te laten.

‘Als u de naam en de schuilplaats weet van de man met het zwarte masker waarom vertelt u mij die dan niet?’ vraagt Raoul.

‘Dat zal ik u zeggen, maar niet aan u alleen’.

‘Waarom?’

‘Omdat er een man is die er minstens evenveel belang bij heeft dit te weten als u’. 

‘En deze man.... ?’

‘Dat is uw vriend, kapitein Lacuzon.’

‘U hebt gelijk’, antwoordt Raoul. ‘Lacuzon heeft er recht op alles zo spoedig mogelijk te weten. We moeten nu gaan, want hij zal waarschijnlijk al op de plaats die wij hebben afgesproken, op mij

wachten.’

‘Wanneer hebt u met hem afgesproken?’ ‘Toen we uit elkaar gingen, ongeveer een uur geleden!’

Raoul geeft zich echter geen rekenschap van alle tijd die sindsdien is verstreken. Het is al nacht geworden en Raoul voelt nu dat zijn maag totaal leeg is. Ze gaan in een holte bij de weg zitten. Magui heeft wat brood en water bij zich en Raoul kan zijn honger voor korte tijd stillen.

Als hij zich weer wat sterker voelt gaan de twee op weg naar Gangônes. Daar is een kleine herberg, slechts bekend aan de bergbewoners. Het is dan ook de plaats waar Lacuzon en de zijnen elkaar steeds weervinden. Terwijl ze langs de oever van de Bienne lopen, vraagt Magui naar de loop van de laatste gebeurtenissen. De Zweden zijn voorgoed uit Saint-Claude verjaagd en op dit moment achtervolgen Lacuzon en zijn mannen de soldaten in de richting van Longchaumois.

 

 

 

 

 

 


 

Het dorp Saint Laurent 100

 

100. De weg die naar de herberg leidt is lang. Terwijl ze verder lopen, begint Magui te spreken over de familie Champ d'Hivers. ‘U spreekt heel gevoelvol over deze familie’, zegt Raoul. ‘Het is echter een uitgestorven familie en ik geloof dat de naam in deze streek al bijna is vergeten.

‘Vergeten’ herhaalt Magui heftig. ‘Men vergeet weldoeners niet. Eeuwenlang hebben de Champ d'Hivers niets dan goed gedaan in de provincie’. Raoul voelt zijn hart sneller slaan en een moment staat hij op het punt zijn identiteit te onthullen. Als ze weer een eind hebben gelopen, staat Magui stil. 

‘We hebben nu niets meer van de Grijzen te vrezen. Ik zie dat u erg moe bent en ik weet een plaats waar u zou kunnen rusten’.

Maar Raoul heeft haast: hij wil zich zo snel mogelijk weer bij Lacuzon voegen.

‘Zijn we nog ver van Gangônes af?’ vraagt hij.

‘Ja. En de weg wordt hoe langer, hoe slechter’. Raoul toont zich moedig maar hij heeft nog last van de klap die de Grijze hem gaf en zijn krachten zijn uitgeput. Bovendien heeft hij honger. Hij heeft sinds vierentwintig uur niets gegeten behalve het armzalige stuk brood dat Magui hem gaf. Geld heeft Raoul niet meer, want de Grijzen hebben hem zorgvuldig gefouilleerd. Er is maar één oplossing: Magui laat Raoul voor korte tijd in de steek en gaat naar het dorp Saint-Laurent dat vlak voor hen ligt om een aalmoes te vragen.

 

 

 

 

 


 

Eindelijk iets te eten

 

101. Met vlugge tred begeeft Magui, de ‘heks’ zich naar Saint-Laurent. Zo nu en dan keert zij zich om, om te zien of Raoul haar niet volgt om zich bij haar te voegen, ondanks de belofte die bij haar heeft gegeven. Ze wil niet dat de boeren de jongeman zien in gezelschap van een bedelares. Raoul ziet de vrouw gaan en hij voelt zich ontroerd door de toewijding en de liefde die zij hem betoont. Hij denkt erover haar achterna te gaan en haar te verbieden zich voor hem te vernederen, maar hij herinnert zich zijn belofte en besluit te blijven waar hij is.

Magui wordt in het dorp vriendelijk ontvangen en het duurt niet lang of zij heeft genoeg eten voor haar en haar metgezel. De inwoners van de Franche-Comté zijn goed voor hen!

Als Magui weer bij Raoul terug is opent zij haar tas. ‘Kijk’, zegt ze, ‘er wonen nog veel goede mensen in onze bergen’. Ze toont de stukken brood en zelfs heeft ze een stuk kaas gekregen! Raoul valt hongerig aan en ook Magui begint te eten.

 

 

 

 

 

 


 

Langs het meer van Bonlieu

 

102. Raoul en Magui zijn weer op weg gegaan.

‘Ik hoop dat we voor vanmiddag twaalf uur in Gangônes zijn’, zegt Magui.

Al spoedig komen ze in een bos. Het terrein wordt hoe langer hoe bergachtiger en hoewel de omstandigheden zich daartoe nu niet direct lenen, kan Raoul het niet nalaten het landschap om zich heen te bewonderen. Bij iedere meter die ze verder gaan, wordt de omgeving imposanter en wilder. Rotsen zijn nu rondom de twee wandelaars. Sommige zijn naakt, andere worden bekroond door het prachtige groen van talloze dennen.

Als ze onder een overhangende rotspunt doorlopen staat Raoul plotseling stil.

 ‘Wat doet u, meneer’, vraagt Magui verbaasd.

‘Ik kijk en bewonder’, zegt Raoul.

Magui heeft echter geen oog voor de schoonheid rondom hen. ‘Het is nu geen tijd om te bewonderen. Ik smeek u: laten we verder gaan’.

Resoluut gaat de vrouw een bergspleet binnen die duizenden jaren geleden werd uitgeslepen door water. Na een moeilijke tocht komen Magui en Raoul aan de oevers van het meer van Bonlieu. Een klein beekje komt in het meer uit. In onze dagen heet dat beekje nog steeds de Hérisson.

 

 

 

 

 

 


 

De schim in het kasteel

 

103. Het terrein wordt hoe langer hoe vlakker. Er komen minder bomen en meer grasvelden. Raoul en Magui gaan iets langzamer lopen. Ze kijken naar het kasteel van Antide de Montaigu dat hoog oprijst en dat van ver al was te zien. Raoul werpt een lange blik op het kasteel. Het is een blik vol haat en vol woede. ‘Daar kwam alle ellende vandaan’, mompelt Raoul in zichzelf.

Dan wordt de jongeman plotseling doodsbleek. In zijn ogen staat angst, verbazing en ontsteltenis te lezen. ‘Is er iets, meneer?’ vraagt Magui de veranderde uitdrukking bestuderend.

‘Een spook!’ mompelt Raoul. ‘Een schim gehuld in witte nevelen’.

‘Het is een hersenschim’.

‘Nee’ het is een realiteit. Ik ben er zeker van’.

‘Het is een laken dat wappert in de wind’.

‘Nee, het heeft een menselijke gedaante. Mijn ogen kunnen me niet bedriegen. Ik zag het gezicht van een vrouw. Het gezicht van een dode. . ..!’

‘Alles is mogelijk’, zegt dan Magui. ‘Zelfs het onmogelijke, want dit kasteel is zeer slecht en zijn meester is boos’. Dan draait Magui zich om en vervolgt de tocht.

Raoul volgt. Hij is stil en is verdiept in zijn gedachten.

‘We komen al dichterbij’, zegt Magui even later. ‘Het enige wat we nodig hebben om zo spoedig mogelijk in Gangônes te zijn is een goed begaanbare weg’.

Dan gaat ze een rotsspleet binnen.

 

 

 

 

 

 


 

Langs de rotsen

 

104. Nauwelijks is Magui echter de rotsspleet binnen gelopen of een stem die van boven komt, roept gebiedend: ‘Wie gaat daar?’ Raoul kijkt omhoog. Hij ziet een bergbewoner staan met het geweer in de aanslag.

‘Antwoord!’ zegt Magui haastig.

‘Zeg het wachtwoord!’ ‘Ik ben op weg naar de kapitein die me verwacht’.

‘En deze vrouw?’

‘Zij vergezelt mij’.

‘Ga maar door’. zegt de man. Hij zet een hoorn aan zijn lippen en blaast erop. De korte stoten worden weggedragen door de wind.

Het was voor het eerst dat Raoul een bergbewoner zag in het uniform van het vrijheidskorps.

‘Ha’, mompelt Magui, ‘Lacuzon laat zich goed bewaken. Men zou arendsvleugels moeten hebben om hem te kunnen verrassen!’

De weg die Magui heeft uitgezocht, wordt hoe langer hoe gevaarlijker. Ze lopen over smalle paden, klauteren over rotsen heen en komen ten slotte aan bij een pad dat zo smal is dat slechts één persoon juist langs de rotswand kan schuifelen. Beneden zich zien ze een enorme diepte.

‘Kijk alleen voor je uit’ waarschuwt Magui. ‘Kijk vooral niet achterom of naar beneden’.                     

 

 

 

 

 

 


 

Over de Hérisson

 

105. Raoul en Magui vervolgen hun weg naar de herberg van Gangônes. De weg die eerst langs zeer gevaarlijke ravijnen liep, gaat nu langs een wild stromend beekje verder. Het water murmelt niet, het buldert. Eindelijk komen de twee reizigers op de plaats waar zij de rivier moeten oversteken. Ze zijn vermoeid en hebben door de lange tocht honger en dorst gekregen.

Een boomstam verbindt de ene oever van de rivier met de andere. Aan de overkant staan twee bergbewoners Raoul en Magui op te wachten. De mannen hebben hun geweren in de aanslag en ze staan klaar om de boomstam bij de minste verdachte beweging in de rivier te duwen. 

‘Wie is daar?’ schalt het over het water.

‘Saint-Claude en Lacuzon’, antwoordt Raoul.

‘Ga door’ zegt de bergbewoner.

Evenals de bergbewoner die zij enkele uren tevoren ontmoet hadden, laat deze man twee korte stoten op zijn hoorn klinken. Raoul en Magui lopen over de geïmproviseerde brug en Raoul voelt de boomstam bij iedere stap doorbuigen. Even voelt hij angst voor het kokende water beneden zich. Hij ziet echter dat Magui zelfverzekerd en rechtop de brug afloopt en hij krijgt een groot vertrouwen in haar: zij kent deze woeste bergstreken goed!

 

 

 

 

 


 

Naar de grot van Lacuzon

 

106. Als ze de rivier overgestoken zijn en de twee bergbewoners die bij de brug de wacht houden, hebben begroet, trekken Magui en Raoul verder. Het landschap wordt steeds woester. Massieve rotsblokken rijzen aan weerskanten van de weg op, eeuwenoude bomen zien neer op de twee reizigers. Raoul voelt zich bedrukt. Hij heeft het gevoel, alsof er ieder ogenblik iets kan gebeuren dat zijn ontmoeting met Lacuzon die nu niet ver meer is, zal verhinderen. Pas wanneer Raoul en Magui in een klein bos komen, begint hij zich vrij te voelen. Hij ademt de lucht diep in. Nauwelijks zijn ze het bos ingegaan of drie mannen komen naar hen toe.

In een van hen herkent Raoul Gerbas. ‘Ah meneer’, zegt hij.

‘Wat hebt u Lacuzon lang op u laten wachten!’

‘Wilt u de kapitein van mijn aankomst verwittigen?’ vraagt Raoul.

‘Verwittigen?’ roept Gerbas uit. ‘Al een uur geleden ontvingen wij het bericht van uw aankomst bij de rivier. De kapitein verwacht u!’

Aan het eind van het bos begint de weg sterk te stijgen. Bomen zijn er nu niet meer, rotsblokken vormen de enige entourage. Magui en Raoul lopen achter de drie mannen aan.

‘Eindelijk zullen we op de plaats van bestemming komen’, zegt Magui.

‘Het wordt tijd’, antwoordt Raoul, ‘ik ben aan het eind van mijn krachten’

 

 

 

 

 

 


 

Waar is Eglantine?

 

107 Het woord ‘herberg’ is eigenlijk veel te veel gezegd voor de grote spelonk die Raoul en Magui eindelijk bereiken. Maar de bergbewoners zijn trots op hun ‘herberg’. Rondom een houtvuur waarboven een ketel hangt, zitten de trouwe bergbewoners de gebeurtenissen van de dag te bespreken. Sommigen zitten zomaar op de grond, anderen hebben een boomstronk tot zetel gemaakt.

‘Ik zie de kapitein nergens,’ zegt Raoul dan.

‘Dit is het soldatenverblijf’, antwoordt Gerbas. ‘Ik zal u nu naar het vertrek van de kapitein brengen. Ik verzoek u echter dringend mij alléén te volgen. Deze vrouw moet hier op u wachten.’

Raoul wil woedend uitvallen, maar Magui vraagt hem zacht alleen te gaan. Voorafgegaan door zijn gids gaat Raoul dieper de grot in.

Ze komen bij een trap die in de bergwand is uitgehouwen. Deze trap blijkt naar een tweede spelonk te leiden die als het ware de tweede verdieping vormt boven de eerste.

Lacuzon, Varroz en Marquis zitten om een ruwe houten tafel. Zwijgend schudden de drie mannen de hand van Raoul.

Lacuzon begint te praten over Eglantine: ‘Waar is zij? Waar hebt u haar achtergelaten?’ vraagt hij aan Raoul.

‘Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt,’ antwoordt Raoul. ‘Alleen doordat men mij van achteren aanviel kon men haar van mij afnemen . Maar ik weet een manier om haar  terug te krijgen.’

‘Waarom hebt u dat al niet uitgeprobeerd?’ vraagt Marquis scherp.

‘Omdat de vrouw die het geheim bewaart alleen maar wil spreken zolang Lacuzon  meeluistert.’

 

 

 

 

 

 


 

Is Magui te vertrouwen?

 

108. Wie is de vrouw die weet waar Eglantine verborgen wordt gehouden?’ vraagt de geestelijke.

‘U kent haar onder de naam Magui de heks’, antwoordt Raoul.

‘Magui de heks!’ herhaalt Marquis. ‘Een leugenaarster, een zwerfster en niet goed bij haar hoofd! En u hebt vertrouwen in haar?’

‘Een volledig vertrouwen,’ antwoordt Raoul rustig.

‘En op welke wijze heeft zij dit vertrouwen verdiend?’ Raoul vertelt nu in het kort, wanneer hij Magui voor het eerst heeft ontmoet en hoe zij hem verder heeft geholpen.

‘Hij heeft gelijk,’ zegt Lacuzon die aandachtig heeft geluisterd. ‘En ik geloof dat ik ook vertrouwen in deze vrouw heb.’ De kapitein roept Gerbas en geeft hem order Magui te halen. Het lijkt of deze maatregel de pastoor slechts matig bevalt.

Terwijl Gerbas Magui haalt, legt Lacuzon aan Raoul uit dat hij een soldaat heeft achtergelaten op de plaats waar hij met Eglantine langs zou moeten komen.

Raoul heeft echter een andere weg gekozen en zonder twijfel staat de soldaat nu nog steeds op Raoul te wachten.

Dan komt Gerbas binnen met Magui.

‘Vrouw,’ zegt Marquis, wees welkom en wees niet bang. U hebt een slechte naam en uw bijnaam zegt voldoende. Maar u moet wel een goed hart goed hebben, ondanks alles wat men van u zegt ... Maar wie u ook zijn moge, wij danken u voor de goede diensten die u aan onze vriend hebt bewezen.’

‘Ik heb niets anders gedaan dan mijn plicht,’ stamelt Magui. ‘Deze man heeft zijn eigen leven geriskeerd om dat van mij te redden. Daarvoor wilde ik hem heel erg bedanken.’

 

 

 

 

 

 


 

Het kasteel De Arend

 

109. Lacuzon laat het aan Marquis over Magui te ondervragen.

‘U hebt tegen Messire Raoul gezegd dat u weet waar Eglantine verborgen wordt gehouden? En u hebt hem ook gezegd dat u de verblijfplaats en de identiteit kent van de man met het zwarte masker?’

‘Inderdaad. En wat ik gezegd heb is waar!’

‘Goed. Dit is kapitein Lacuzon, dit is kolonel Varroz en u weet waarschijnlijk dat ik Marquis ben. Wilt u voor ons drieën spreken?’

‘Ja, dat kan ik en dat wil ik. U moet me echter beloven, alles wat ik nu ga zeggen te geloven.’

‘Ja, als u ons belooft niets dan de waarheid te spreken.’

‘Dat verzeker ik u.

En u van uw kant zult u de verrader straffen, zoals we met een verrader omgaan! Wie hij ook mag zijn?’

‘We zullen hem straffen’ roepen Lacuzon, Raoul, Varroz en Marquis tegelijkertijd uit.

‘Goed,’ herneemt Magui, terwijl ze haar stemgeluid dempt. ‘U moet naar het kasteel De Arend gaan om Eglantine terug te vinden.’

‘Wat?’ vragen de drie aanvoerders verbaasd.

‘U hebt het goed gehoord!’ zegt Magui. ‘Op het kasteel zult u ook de Grijze Francatripa vinden die Eglantine daar heeft gebracht om haar als gijzelaarster te verkopen aan de nobele heer Antide de Montaigu!’

De laatste woorden zijn langzaam en vol haat uitgesproken.

 

 

 

 

 

 


 

Lacuzon gaat op onderzoek

 

110. Als de hele grot plotseling boven hun hoofd was ingestort zou de verbazing en de verwarring die de woorden van Magui hebben teweeggebracht, niet groter kunnen zijn. De drie aanvoerders kijken elkaar sprakeloos aan. Alleen Raoul toont geen enkele verrassing. Maar Antide de Montaigu is een van onze trouwste bondgenoten,’ roept Lacuzon dan uit. Magui kijkt Lacuzon strak aan. ‘Een trouwe bondgenoot, hij, de man met het zwarte masker!’ roept ze uit. ‘Wat ik heb gezegd is waar!’

‘En ik zeg dat deze vrouw gelijk heeft!’ zegt Varroz

‘Ik geloof dat het voorgevoel van Raoul hem niet bedrogen heeft!’

‘Wees voorzichtig,’ zegt de priester. ‘Een verkeerd voorgevoel kan veel schade aanrichten. En u bent bevooroordeeld, want u haat Antide de Montaigu.’ ‘Ja,’ zegt Varroz. ‘En ik zal hem blijven haten, zoals ik deze haat reeds twintig jaar heb gehad.

Steeds weer als ik zijn gezelschap verkeer, denk ik bij mezelf: ‘Daar zit de rover van Blanche. Daar zit hij: de moordenaar van Tristan de Champ d’Hivers! Ik heb ertegen gevochten, maar altijd heb ik me overtuigd gevoeld. Ik heb vaak tegen mezelf gezegd: hij kan een goede bondgenoot zijn, maar… vandaag kan ik er niet meer aan twijfelen! Ik zie de waarheid voor ogen. Antide de Montaigu is een rover, een moordenaar en een landverrader. Hij heeft niet alleen Tristan de Champ d’Hivers vermoord, maar ook Pierre Prost! Maar eindelijk zal er dan een eind komen aan de reeks misdaden.’  Dan hervindt hij zijn kalmte. Hij wendt zich tot Lacuzon en zegt:

‘Ben jij nu overtuigd, Jean-Claude?’

‘Nog niet helemaal. Ik ga een onderzoek doen.’ ‘Wat voor onderzoek?’ 

‘Ik ga naar het kasteel De Arend… alleen en met als enig wapen mijn zwaard.’  ‘En  wat ga je daar doen?’

 

 

 

 

 

 


 

Hoe het kasteel De Arend binnen gaan?

 

111. Lacuzons voorstel wordt door zijn vrienden niet erg enthousiast ontvangen. ‘Ik zal met Antide de Montaigu spreken en hem in zijn gezicht zeggen welke verdenkingen wij tegen hem hebben. Ik zal de waarheid dan kunnen lezen in zijn ogen en kunnen horen aan zijn stem’, zegt de kapitein.

Magui laat een sinister lachje horen: ‘Dat is het dwaaste wat u kunt doen’, zegt zij. ‘In dat geval kunt u uw vrienden een vaarwel zeggen in plaats van een tot ziens’.

Dan komt Marquis tussen beiden. ‘Ik begrijp het niet’ zegt hij. ‘U weet allang dat wij worden verraden en bedrogen. Had u ons niet eerder kunnen waarschuwen?’ ‘Hoe had ik dat kunnen doen?’ vraagt Magui droevig glimlachend. ‘Ik werd door iedereen veracht en niemand sprak met mij. U niet, de Grijzen niet en de Zweden niet.

Had ik u dan toch moeten waarschuwen? Waarschijnlijk had één van uw soldaten een kogel op mij afgevuurd, omdat ik het wachtwoord niet kende! Nu ben ik echter door onvoorziene omstandigheden hier terecht gekomen’. Magui zwijgt.

‘Vreemde vrouw’, denkt Marquis.

‘Zij heeft gelijk’, mompelt Varroz. ‘Iemand die op zo'n manier spreekt kan niet liegen’,  roept Lacuzon dan uit.

‘Wat is je besluit, Jean-Claude?’

‘We moeten Eglantine redden en haar zo snel mogelijk bevrijden van die schurk’.

‘Roep alle bergbewoners op’, oppert Varroz, ‘en laten we opmarcheren naar het kasteel De Arend’.

‘Een slechte manier’, antwoordt Lacuzon.

 

 

 

 

 

 


 

De list

 

112. Lacuzon begrijpt direct dat een gewelddadig optreden tegen het kasteel De Arend geen doeltreffend middel is om Eglantine te bevrijden.

‘Als hij ontdekt dat wij hem doorzien, zal hij het meisje tegen ons gaan gebruiken’, legt hij uit. ‘We zullen door een list moeten proberen het kasteel binnen te dringen. Ik zal in het geheim naar het kasteel vertrekken.’ ‘Maar hoe wilt u een zo goed bewaakt kasteel binnenkomen?’ interrumpeert Marquis.

‘Ik zal wel een middel vinden’, zegt Lacuzon.

‘Ik zal u een middel aan de hand doen!’ roept dan plotseling Magui uit.

‘U?’ vraagt Marquis verbaasd.

‘Ja. Vandaag gaan alle boeren hun belastinggelden aan de heer van het kasteel De Arend brengen. Waarom verbergt u zich niet in een boerenwagen, verkleed als boer? Ik weet een man die u daarbij zeker zal willen helpen; de vader van Gerbas. Ook hij moet vandaag zijn belasting betalen.’

‘Dat is waar’, zegt Lacuzon. Hij wendt zich tot Gerbas en legt hem het plan voor. ‘Hoe laat gaat je vader naar het kasteel?’ vraagt hij.

Hij moet om drie uur van de boerderij vertrekken.’

‘Wat neemt hij  mee?’

‘Tarwe, gerst, rogge en ruim zestig daalders.’

‘Ga nu naar hem toe en zeg hem dat hij op de een of andere manier een incident moet veroorzaken. Hij moet dicht bij Saut Girard op mij wachten.’

‘Goed kapitein’, antwoordt Gerbas terwijl hij weggaat.

‘U gaat uzelf vermommen?’ vraagt Varroz. ‘Nee, een vermomming zou me vernederen en bovendien zou ik er last van hebben.’

‘Wees voorzichtig!’

Lacuzon doet zijn degen om en steekt zijn pistool tussen zijn gordel.

 

 

 

 

 

 


 

Een geheime toegang

 

113. Als Lacuzon zijn vrienden wil gaan verlaten houdt Magui hem tegen. ‘Kapitein, u hebt nog iets vergeten!’

‘Wat dan?’

‘Een middel om Eglantine snel te verbergen zodra de zaak een verkeerde wending zou mogen nemen.’

Lacuzon zwijgt en luistert naar de vrouw die snel vertelt dat er in het kasteel een geheime toegang bestaat tussen de woonhuizen en de punt van de rots waarop de grote toren staat. Het betreft een bergspleet die nooit is dichtgegooid. Er is een soort dak overheen gebouwd waardoor een gewelf ontstaat dat uitkomt op het voorplein. In het midden van dit gewelf bevindt zich een gat voor de regeling van de afvoer van het water. Een deksel dat niet is afgesloten, dekt het gat af.  ‘U hoeft alleen dit deksel op te lichten, om in de spleet te komen die uitkomt aan de voet van de muren van het kasteel.’

‘Dank u’, zegt Lacuzon eenvoudig.

‘Maar hoe weet u dit alles?’

‘Misschien zal ik U dat eens vertellen ..... Bewaar uw geheim zorgvuldig. Ik ben u dankbaar voor alles wat u tot nu toe voor ons hebt gedaan.’

Dan draait hij zich om. Lang schudt hij zijn drie vrienden de hand. Dan verwijdert hij zich snel.

‘Vrouw’ zegt dan Marquis tot de oude Magui die oplettend luistert naar de wegstervende stappen van Lacuzon, ‘ik weet dat alles wat u hebt gezegd waar is. Maar Lacuzon is nu weg en het zijn uw woorden die hem tot dit vertrek hebben aangezet. Daarom verzoek ik u hier te blijven, tot Lacuzon is teruggekeerd. Het is een oorlogswet.’

‘Met andere woorden: Ik ben een gevangene?’

‘Precies, maar we kunnen u niet toestaan hier vandaan te gaan.’ En Marquis vertrouwt de vrouw toe aan de zorgen van een van de soldaten.

 

 

 

 

 


 

In het kasteel de Arend

 

114. Het is drie uur in de middag. De boeren uit de omtrek gaan hun schulden betalen aan Sire Antide de Montaigu. Sommigen dragen de zakken graan op hun rug, maar de rijkeren komen met karren die moeizaam tegen de berg op rijden. Het is een lange rij wagens. Bij het kasteel staan enkele soldaten opgesteld die de orde bewaren bij de betalingen. Een huismeester inspecteert nauwkeurig alles wat wordt binnengebracht. Een groep burgers die staat te wachten tot er zal worden gecontroleerd, begint een vreemd gesprek.

‘Ik heb naar de toren van De Arend gekeken, maar ik heb niets gezien’, zegt een van de boeren.

‘Wees Gode dankbaar’, roept een vrouw.

‘Waarom dankbaar?’ vraagt de boer.

‘Omdat de geest van het kasteel je anders het gezicht zou doen verliezen’.

‘Een geest?’

‘Wat? Weet u dat niet?

Ja, er is een geest die rondwandelt op de transen van de toren en wanneer men de geest ziet, verliest men het gezicht’.

Terwijl de boeren het gesprek over de geheimzinnige verschijning die de hele omgeving verontrust voortzetten, gaat de huismeester door met de inspectie. Boeren laden de wagens uit terwijl de eigenaars met verbeten gezichten staan toe te kijken.

‘Het lijkt, of u deze belasting niet graag betaalt’, zegt de huismeester brutaal tot een van de boeren.

‘Inderdaad’ antwoordt de boer. ‘Men moet tegenwoordig hard werken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen en als men dan ook nog een groot gedeelte van de opbrengst moet af staan....’

De huismeester doet of hij de laatste woorden niet heeft gehoord en zegt: ‘Dat zijn zaken die Monseigneur niet aangaan. Als hij zijn schatting maar op tijd ontvangt!’

 

 

 

 

 

 


 

Antide de Montaigu

 

115. Bijna nooit verloopt de betaling zonder incidenten. Ook nu niet. Enkele boeren kunnen de vereiste belastingen niet opbrengen en de huismeester blijkt ongevoelig voor de smeekbeden van de mannen en de tranen van de vrouwen. Hij schenkt geen stuiver! Sommige boeren die weten dat smeekbeden niets uitrichten, uiten vreselijke bedreigingen aan het adres van Antide de Montaigu, maar alles is tevergeefs. Onder aan een trap staat Antide zijn onderhorigen gade te slaan. De mensen groeten hem. Zij respecteren hem, ondanks alles, omdat hij een van de  vrijheidsstrijders is, maar ze haten hem om de hoge belastingen die hij durft te vragen. Ze weten dat alles wat zij brengen bestemd is voor de soldaten van Lacuzon. Maar toch voelen de boeren iets van onbehagen, wanneer zij de naam van Antide de Montaigu horen noemen in verband met Lacuzon die zij vereren en hoogachten.

Als bijna alle boeren voorbij zijn gegaan, wendt Antide de Montaigu zich tot zijn huismeester.

‘Hoe is de stand van zaken?’ vraagt hij.

‘Iedereen is geweest, behalve Rémy Gerbas’.

‘De vader van de helper van Lacuzon?’

‘Inderdaad. Hij moet onderweg een oponthoud gehad hebben’.

‘Dat is jammer voor hem’, zegt Antide de Montaigu laconiek. ‘Hij had voorzorgsmaatregelen moeten nemen’.

‘Wat moet ik nu doen?’ vraagt de huismeester.

‘De jongens terugroepen en de poorten sluiten. Gerbas zal morgen aan de beurt komen!’ De man gaat deze orders uitvoeren en juist als hij de poorten wil sluiten hoort hij een stem die een lied zingt dat alleen door de aanhangers van Lacuzon wordt gezongen.

‘Meester, daar is Gerbas!’ roept de huismeester.

‘Laat hem hiervoor rijden. Hij kan zijn goederen ontladen, terwijl ik er bij sta!’

 

 

 

 

 


 

Wordt de wagen met koren uitgeladen?

 

116. De huismeester die de orders van zijn meester prompt uitvoert, opent de poorten en laat de wagen het binnenplein oprijden. Maar het is niet de vader van Gerbas die daar op de bok zit, het is de strijder voor de vrijheid van de Franche-Comté. Antide de Montaigu ontdekt dit het eerst.

‘Maar dat is niet de oude Gerbas!’ roept hij uit. ‘Het is Gerbas, de vrijheidsstrijder’.

‘Inderdaad, heer’, antwoordt de boer. ‘Het is niet de vader, maar de zoon die u de schatting komt brengen’.

‘Waarom komt je vader niet?’ vraagt de meester van het kasteel De Arend. ‘Dat is gauw verteld, heer. Mijn vader is onderweg onwel geworden en om toch op tijd de belasting te kunnen betalen, heb ik zijn plaats op de bok ingenomen, terwijl hij naar huis werd gebracht’.

‘De kapitein heeft u dus vandaag niet nodig?’.

‘Het schijnt van niet, meneer, want hij liet mij gaan tot morgen’.

‘Is hij in de grot van Gangônes op het ogenblik?’.

‘Nee, hij is vanmorgen vertrokken!’.

‘Alleen?’

‘Met kolonel Varroz, pater Marquis en zestig bergbewoners'.

‘Waarschijnlijk een expeditie?’.

‘Dat denk ik, heer’.

‘Welke kant zijn zij opgegaan?’. Dat heeft de kapitein mij niet verteld’.

‘Weet u wanneer hij terug zal keren?’

‘Vannacht, heer’.

‘De nacht is al gevallen.’

‘Heer’, interrumpeert dan de huismeester. ‘Vindt u het goed dat we nu de wagen gaan uitladen?’

‘Niet vanavond’, zegt Antide de Montaigu. ‘Het is nu hoog tijd dat de poort zal worden  gesloten en morgen is het nog vroeg genoeg om de wagen uit te laden’.

 

 

 

 

 

 


 

Stilte op de binnenplaats

 

117. Voor hij de poorten sluit vraagt de huismeester aan Antide de Montaigu: ‘Wat moet er gebeuren met de wagen van Gerbas?’

‘Laat die naar het binnenhof leiden waar de regenput staat en laat de ossen uitspannen’.

‘Meneer’, vraagt Gerbas dan, ‘kunt u mij toestaan de nacht hier door te brengen? Ik kan slapen in mijn wagen’.

‘Wat de ossen betreft: die kunnen hier blijven, maar jijzelf zult terug moeten. Geen enkele vreemdeling mag de nacht in dit kasteel doorbrengen’.

‘Ga bij je vader slapen en zeg hem dat hij morgen zelf zijn wagen weer kan ophalen’, vervolgt Antide de Montaigu.

‘Goed, heer’.

‘En als je kapitein Lacuzon ziet en Varroz en Marquis,

zeg hen dan dat mijn gevoelens ten opzichte van hen nooit zullen veranderen. Nu kun je gaan, mijn vriend!’

Gerbas leidt de wagen de binnenhof op bij de regenput. Dan spant hij de ossen uit en zegt zacht, alsof hij in zichzelf spreekt: ‘Het moeilijkste deel is achter de rug.... Veel succes!’.

Gerbas verlaat het kasteel zingend, precies zoals hij erin gekomen was. De tijd gaat voorbij. De klok van een kerk in de verte heeft reeds tien slagen laten horen. De soldaten die het kasteel bewaken zijn allen op hun post, de brug is opgehaald en de zware poorten zijn gesloten. Bijna alle lichten van het kasteel zijn een voor een uitgedoofd.

Een grote stilte heerst rondom het kasteel De Arend.

 

 

 

 

 

 


 

De gevangene in het kasteel

 

118. Laten we het kasteel De Arend eens van binnen gaan bekijken. We zijn in een zaal van enorme afmetingen die gelegen is naast de kamer waarin de wacht zit. De heer Antide de Montaigu zit op een grote stoel; het familiewapen is uitgesneden in de rugleuning. Antide de Montaigu zal ongeveer vijftig jaar oud zijn. Hij is groot en sterk. Zijn gezicht disharmonieert eigenlijk met zijn lichaam: het is afschrikwekkend door de harteloosheid die het weerspiegelt.

Een bediende wacht op zijn bevelen: ‘Laat de gevangene binnenkomen,’ zegt hij op droge toon. Nauwelijks is de lakei vertrokken, of Montaigu springt op van zijn stoel en begint de kamer op en neer te lopen. Hij laat zijn hoofd op de borst hangen en is in diep gepeins verzonken.

De vlammen in de haard accentueren de scherpe lijnen van zijn gezicht dat daardoor wreder lijkt dan ooit. Na enkele minuten klinken voetstappen in de gang. De lakei komt binnen met de gevangene, die, zoals de lezers al zullen vermoeden, niemand anders is dan Eglantine.

De verloofde van Raoul de Champ d'Hivers loopt langzaam de zaal in en blijft stilstaan voor Antide de Montaigu. Op haar bleke wangen zijn de sporen van tranen te zien. Haar anders zo mooie ogen staan dof. Antide de Montaigu staat Eglantine onbeweeglijk aan te staren. Hij neemt haar gezicht en haar gestalte goed op, dan zegt hij: ‘jonge dame, luister naar mij.’

Eglantine heft het hoofd op en luistert.

 

 

 

 

 

 


 

Eglantine bij Antide de Montaigu

 

119. Eglantine zwijgt en Antide de Montaigu maakt van deze gelegenheid gebruik om het meisje goed te bekijken. Onwillekeurig komt hij onder de bekoring van haar schoonheid en zowaar: een sprankje medeleven ontdooit in hem. ‘U hebt er waarschijnlijk wel iets voor over, om uit dit kasteel te komen?’ vraagt hij.

‘U vergist u, heer!’

‘Wat?

Je realiseert je niet wat het wil zeggen een gevangene van mij te zijn!’

‘Ik ben gelukkig, zolang ik weet dat er eerlijke mannen strijden voor de vrijheid van de Franche-Comté’.

‘Maar dat is fanatisme!’

‘Nee, heer. Dat is liefde voor het land!’

Na een geladen stilte begint Antide de Montaigu weer te spreken: ‘Als u een belofte geeft, houdt u die dan ook?’

Eglantine richt haar hoofd op. ‘Hoe denkt u over mensen die hun beloften niet houden?’ vraagt ze hooghartig.

Als ik u de vrijheid geef op voorwaarde dat u aan niemand zult vertellen waar men u heeft gebracht en...’

‘U hoeft niet verder te spreken; dat is nutteloos.’

‘Wat bedoelt u daarmee? Dat u dat geheim niet zult kunnen bewaren?’

‘Dat ik het niet zal willen bewaren, heer!’

‘En waarom niet?’

‘Omdat het voor de hele provincie van het grootste belang zal zijn te weten wie de trouwe bondgenoot Antide de Montaigu in werkelijkheid is. En zodra u mij de vrijheid geeft, zal ik dat vertellen aan de vrijheidsstrijders!’

‘Wees voorzichtig, jongedame!’

‘Waarom?’

‘Omdat u de vrijheid waarover u zo graag spreekt op deze manier verspeelt.’

‘Misschien,’ antwoordt Eglantine glimlachend. Antide heeft zich lang genoeg beheerst. Woedend schreeuwt hij: ‘Waar hoop je dan nog op?’

‘Bent u er wel zeker van dat Lacuzon.... Kijk! Waarom wordt u nu plotseling zo bleek?’

 

 

 

 

 

 

Eglantine moet vertrekken

 

120. Antide laat zich in de stoel vallen en steunt het hoofd in de handen. Tegenstrijdige gevoelens zijn af te lezen van zijn gezicht.

‘Jongedame,’ zegt hij dan. ‘Ik zou je moeten laten doden, omdat je mijn geheim niet wilt bewaren. Maar ik kan de moed daartoe niet opbrengen. Je zult dus gevangene moeten blijven.’

‘Ik zal uw gevangene blijven zo goed als ik zou zijn gestorven, indien u dat had gewild’.

‘Laten we weer tot ons eerste plan terugkeren. Zeker: je zou een uitstekende gijzelaarster zijn.’

Als tot zichzelf sprekend gaat Antide verder: ‘Je kunt natuurlijk niet hier blijven. Je zult moeten vertrekken.’

Eglantine wordt doodsbleek, wanneer zij deze woorden hoort: ‘Vertrekken....’, herhaalt zij. ‘Inderdaad’. En wat wilt u met mij doen?’

‘De hertog van Guébriand, mijn machtige bondgenoot, zal zeker een geschikte gevangenis voor u kunnen vinden.’

‘Dat is goed’, zegt Eglantine die het niet veel kan schelen of zij de gevangene van Guébriand of van Antide de Montaigu is.

‘Ik zal morgen vertrekken.’

‘Nee, niet morgen, jongedame!’

Een rilling trekt door het lichaam van Eglantine. Haar handen beven. ‘Wanneer dan?’ stottert zij.

‘Vannacht. Over enkele minuten!’

‘Vannacht.... o, nee.... dat is onmogelijk’, Ik smeek u: wacht tot morgen.’

Antide de Montaigu werpt Eglantine een verbaasde blik toe. ‘Waarom wil je de nacht hier doorbrengen? Waarop hoop je nog, dwaas kind?’

‘Nergens op, heer.... nergens op.... Ik ben dodelijk vermoeid!’

‘In het Zweedse kamp zult u kunnen uitrusten. Eerst zal men u overbrengen.’

‘Wie?’

‘Dat zult u wel zien!’

 

 

 

 

 

 


 

De geheime doorgang

 

121. Antide de Montaigu loopt op een schilderij toe dat de baron De Vaudry voorstelt. Hij drukt op een knop die is verborgen tussen de vele ornamenten op de lijst. Een zachte klik komt van achter het schilderij. Angstig wacht Eglantine op de dingen die gaan gebeuren.

Op onzichtbare scharnieren draait het schilderij, tot het een opening in de muur vrijlaat. Eglantine begrijpt dat dit de geheime doorgang is die het kasteel met de buitenwereld verbindt.

Door deze gang konden de bondgenoten van de heer van De Arend die helaas de vijanden zijn van de boeren van de Franche-Comté, in het kasteel komen.

Antide de Montaigu doet een pas naar achteren en kijkt in de gang.

‘Kapitein Brunet’, zegt hij, ‘U kunt komen!’ Dan maakt zich langzaam een figuur los uit de duisternis. Voetstappen weerklinken hol in de gang. Dan kan men onderscheiden wie de gang uitkomt.

 

 

 

 

 

 

 


 

Hoe komt Magui aan die sleutel?

 

122. In plaats van kapitein Brunet, de verschrikkelijke compagnon van Lespinassou, ziet Antide de Montaigu verbaasd een oude vrouw uit het donker naar voren treden. Ze ziet er arm en verwaarloosd uit. Eglantine slaakt een kreet. De heer van het kasteel De Arend doet een stap achteruit.

‘Wie bent u?’

‘Ik ben een arme vrouw en men noemt mij Magui de heks!’

‘En hoe bent u hier gekomen? Om mij mijn geheimen afhandig te maken?’

‘Uw geheimen, heer die ken ik al zolang!’

‘Sinds de dag dat het kasteel de Champ d'Hivers in vlammen opging heb ik geweten wie de man met het zwarte masker was.’ Antide de Montaigu verbleekt, ‘Ik had die naam kunnen verkopen, heer, maar u weet dat ik dat niet heb gedaan.’

‘Maar,’ zegt Antide die zijn emotie tracht te verbergen, ‘hoe bent u tot hier kunnen komen?

Wie heeft u verteld van het bestaan van deze geheime gang? Wie heeft de poort voor u geopend?’

‘Ik zou kunnen zeggen: doordat ik een heks ben. Maar ik vertel u liever de waarheid.’

‘Spreek! Spreek snel!’

‘Kent u deze sleutel, Monseigneur?’

‘Ja,’ antwoordt Antide, ‘die ken ik zelfs heel goed: dat is  de sleutel die de doorgang verleent.’

‘U hebt deze sleutel zelf gegeven aan degene die u op dit uur hier verwacht: Brunet, de kapitein van de Grijzen.’

‘Hoe kan het dat u deze sleutel die ik gisteren aan Brunet gaf, in uw bezit hebt?’ ‘Dat is heel eenvoudig, heer, maar hebt u tijd om naar mijn verhaal te luisteren?’ ‘Ja, maar probeer mij niet te bedriegen!’

‘Ik zal geen woord zeggen dat niet waar is, Monseigneur!’

 

 

 

 

 

 


 

Magui doet haar verhaal

 

123. Hoe kon de oude Magui de sleutel bemachtigen die toegang verleende tot het slot en die de heer van het kasteel De Arend persoonlijk aan kapitein Brunet had overhandigd? Dat was heel eenvoudig. Magui vertelt over haar bezoek aan de herberg van Gangônes en over de wijze waarop zij aan haar bewakers wist te ontsnappen. In het bos was Magui getuige van een vechtpartij: Vier bergbewoners streden tegen een overmacht van twaalf Grijzen. Drie bergbewoners werden gedood. De vierde die gewond was, werd als gevangene weggevoerd.

Nauwelijks gingen de Grijzen echter verder of ze werden aangevallen door vijftien bergbewoners. Enkele minuten later moesten de Grijzen vluchten, enkele doden achterlatend. Magui wilde verder gaan, maar zij hoorde één van de gewonden roepen. Het was kapitein Brunet die dodelijk was getroffen en Magui iets had te vertellen had.

Hij overhandigde haar de geheime sleutel en vroeg haar deze te brengen naar de heer van het kasteel De Arend gehaast.

Hij vroeg haar ook een belangrijke boodschap over te brengen.

‘Wat voor boodschap?’ zegt Antide de Montaigu.

‘Dit zijn de woorden die de kapitein sprak: ‘De tweede en de derde zijn ons ontsnapt. Maar de eerste is in onze macht. Wij leiden hem naar het kasteel van Clairvaux’

‘Ah!’ roept Antide verheugd uit. ‘Dat zijn de woorden die hij heeft gesproken? En u bent daar heel zeker van?

‘Ik ben er zeker van, heer’.

‘En vervolgens?’

‘De kapitein vertelde mij dat u hem verwachtte om tien uur en hij heeft me uitgelegd hoe ik hier kon komen. Door de geheime gang te gebruiken die naar deze salon leidt.

‘Wacht in deze gang tot de heer de Montaigu de deur voor u opent’, zei hij voor hij zijn ogen voor altijd sloot.

 

 

 

 

 

 


 

Eglantine blijft

 

124. Als zij haar verhaal heeft beëindigd zegt Magui: ‘Nu ik hier ben, heer, sta ik geheel tot uw beschikking. Ik wacht slechts op uw bevelen. Ik hoop daarmee uw protectie te winnen’.

‘Er zal u niets gebeuren’, zegt Montaigu die Magui nu volkomen vertrouwt. Eglantine heeft niet begrepen wat Magui bedoelde met de woorden

‘De eerste is in onze macht’. Wel voelt zij dat Magui haar niet kwaad gezind is. Brutaalweg vraagt zij nu: ‘Wel, moet ik nog steeds vanavond vertrekken?’

Antide de Montaigu haalt zijn schouders op en zwijgt. Hij weet niet wat hij zal doen.

Magui begint nu te spreken met Eglantine. ‘Jongedame’, zegt ze vriendelijk. ‘Ik ben geen slechte vrouw. Als ik de opdracht krijg je ergens heen te brengen, zal ik dat onvoorwaardelijk naar mijn beste kunnen doen.

Ik verzeker je echter dat ik geen kwaad zal doen’. ‘Je zult vanavond niet vertrekken’, zegt dan plotseling Antide de Montaigu. ‘Ik kan je niet toevertrouwen aan deze vrouw die ik weliswaar volkomen vertrouw, maar aan wie je te gemakkelijk zou kunnen ontsnappen. Je zult dus op het kasteel moeten blijven tot morgenavond’.

‘Je verzocht me één nacht om uit te rusten en de omstandigheden noodzaken mij daarmee akkoord te gaan. Doe er je voordeel mee!’ Dan klopt hij op een deur.

De knecht die Eglantine een uur eerder de zaal binnenleidde, treedt binnen. ‘Breng deze jongedame naar haar kamer gebiedt hij. ‘En kijk of de ramen en deuren goed gesloten zijn zodat ze niet kan ontsnappen. Je staat borg voor haar met je leven’ en dan tot Magui: ‘Blijft u nog even. Ik heb u nodig!’

 

 

 

 

 


 

Wat gebeurt er in die wagen met koren? 125

 

125. Op de binnenhof van het kasteel heerst een drukkende stilte. De knechten hebben één voor één de plaats verlaten. Enkele uren zijn voorbijgegaan sinds Gerbas het kasteel zingende verliet, een wagen met graan achterlatend. Geen geluid doet zich horen.

Degene die echter op dit ogenblik over de binnenplaats zou hebben gelopen, had daar iets vreemds gezien. Het koren op de wagen beweegt namelijk. Het lijkt of heel voorzichtig iemand onder de last op de wagen uit komt kruipen. Dan verschijnt er een hoofd. Twee schouders duwen ongeduldig de kriebelende aren opzij. Even is  het koren helemaal in beweging.

De man kijkt rond. Dan werkt hij zijn hele lichaam naar boven en even later springt hij op de grond. Inderdaad: dit is Lacuzon die dit fantastische plan heeft uitgedacht om Eglantine uit haar gevangenschap te verlossen. Onbeweeglijk blijft Lacuzon staan. Hij bekijkt het kasteel nauwkeurig. Tussen zijn eenvoudige kleren schittert iets: het is de diamanten egelantier op het medaillon dat Pierre Prost hem gaf en dat hij sindsdien om de hals draagt. Twee pistolen zijn tussen de riem van de vrijheidsstrijder gestoken. Enkele minuten staat hij bewegingsloos, luisterend naar ieder geluid.

 

 

 

 

 


 

Waar is het verblijf van Eglantine?

nr126

 

126. Lacuzon kent deze omgeving goed. Hij kwam hier dikwijls om te spreken met de ‘trouwe bondgenoot’ Antide de Montaigu die altijd ‘waardevolle’ aanwijzingen gaf. Langzaam loopt hij van de wagen vandaan. Achter de twee ramen van de salon ziet hij licht branden. Hij aarzelt even. Maar dan denkt hij plotseling aan de wacht die hier langs moet komen en snel steekt hij de binnenplaats over. Hij heeft een vermoeden van de plaats waar Eglantine zal zijn ondergebracht en daarom loopt bij vastbesloten op een kleine poort toe.

Het hout van deze poort is al gedeeltelijk vergaan. Achter deze deur liggen de vrouwenverblijven. Lacuzon’s ogen die aan de duisternis zijn gewend, zien direct de zwakke plekken in het hout.

Hij trekt zijn dolk te voorschijn en zet die tussen twee planken. Een zacht gekraak klinkt. Alles gaat goed tot nu toe. Maar dan komen de moeilijkheden. Lacuzon’s mes stuit op een harde ondergrond. De deur moet van binnen met ijzer beslagen zijn. Hij begrijpt dat hij nu zijn verdere pogingen bij deze deur wel kan staken.

Langzaam loopt hij langs de muur om de binnenplaats, speurend of er geen enkele oplossing is voor het vraagstuk: hoe kom ik bij Eglantine? De kapitein is de wanhoop nabij door deze tegenslag Zou hij alle moeite voor niets hebben gedaan? Hij staat stil en kijkt omhoog. Alles is echter tevergeefs.

 

 

 

 

 

 

 


 

Het slot knarst

nr127

 

127. Lacuzon geeft het echter nog niet op. Hij zet zijn onderzoekingstocht voort en mompelt: ‘Zou het dan voor niets zijn dat ik weet wie mijn land zoveel nadeel berokkent? Zal ik dat ooit kunnen bewijzen? En Eglantine, zou ik haar ooit terugzien? Ik zou mijn leven willen geven voor het hare!’

Dan stoot zijn voet tegen de onderste tree van een trap. Lacuzon staat stil en ziet dat de trap leidt naar een soort terras voor het gebouw van de vrouwen. Bijna schreeuwt hij het uit van blijdschap. Opeens herinnert hij zich dat hij deze trap al eerder heeft gezien.

‘Dwaas die ik ben,’ mompelt hij. ‘Dat ik daar niet eerder aan heb gedacht!’

Snel loopt Lacuzon de trap op. Aan het einde van die trap zal hij Eglantine vinden.

Aan het einde van de trap is op dezelfde hoogte als het terras een hek dat de verdere doortocht belemmert. Het hek is gesloten, maar de sleutel steekt nog in het slot. Lacuzon hoeft alleen zijn arm door de tralies te steken om de sleutel te kunnen omdraaien. Het slot blijkt een beetje verroest en het knarst. Even blijft Lacuzon staan om te luisteren of niemand dit geluid heeft gehoord.

 

 

 

 

 

 


 

Een deur die op een kier staat

nr128

 

128. Lacuzon hoort en ziet niemand. Hij duwt het hek open. Ook de scharnieren kraken. Weer luistert Lacuzon oplettend, maar weer is er niets te horen. Dan besluit Lacuzon de stap te wagen. Snel loopt bij verder over het terras. Dan staat hij voor het gebouw waarin de vrouwen wonen.

Een van de ramen op de eerste verdieping is geopend, ondanks de koude. Er straalt een zwak licht naar buiten.

‘Daar wacht Eglantine op haar bevrijding,’ denkt Lacuzon. Hoopvol loopt hij op de hoofdingang toe.

Hij duwt tegen de deur en merkt tot zijn grote verbazing dat deze open is. Een hoge trap leidt naar boven. Aan het eind straalt een zwak licht. De deur van de kamer op de eerste verdieping die Lacuzon van buiten af heeft gezien, staat open op een kier.

‘Dat is vreemd,’ denkt Lacuzon. ‘Bewaakt men op deze manier zijn gevangenen op het kasteel De Arend?’

Of zou Lacuzon te laat zijn gekomen en zou Eglantine reeds ergens anders zijn ondergebracht?

 

 

 

 

 

 


 

De kamer van Eglantine

nr129

 

129. Het idee dat Magui hem heeft kunnen verraden, komt geen moment in Lacuzon op. Het is mogelijk dat Eglantine in een andere kamer is ondergebracht. Lacuzon besluit het zekere voor het onzekere te nemen.

Hij gaat de trap op en duwt de deur open. Hij komt in een leeg vertrek dat wordt verlicht door een kaars die op een grote houten tafel staat. Het ameublement van deze kamer is eens heel mooi geweest, maar het verkeert nu in een erbarmelijke staat.

De gordijnen langs de muren, de bekleding van de stoelen, het tapijt op de grond: alles is versleten. Het hout van een groot bed is vermolmd. Het licht van de kaars verlicht een bijbel die opengeslagen op de tafel ligt. Lacuzon uit een zachte kreet.

Op het kasteel De Arend moet Eglantine de enige vrouw zijn die een bijbel heeft en erin leest. Bijna tegelijkertijd ziet hij over een stoel de wijde mantel hangen die Eglantine droeg. Dit is zonder twijfel de kamer van Eglantine.

Maar waar is het meisje zelf?

Lacuzon zet zijn onderzoekingen voort. Hij opent een deur en komt dan in een lange gang waaraan alle andere vrouwenvertrekken grenzen. Hij ziet echter dat deze ontdekking hem niet verder zal helpen. Juist gaat hij in de kamer van Eglantine terug als hij voetstappen hoort op het terras. De stappen komen de trap op. Er is weinig tijd voor Lacuzon om na te denken. Snel verbergt hij zich achter het grote bed.

 

 

 

 

 

 


 

Eglantine houdt moed

nr130%20

 

130. Nauwelijks heeft Lacuzon zich verstopt of hij hoort het hek beneden dichtslaan. Hij hoort hoe een sleutel in een roestig slot wordt omgedraaid.

‘Ik geloof dat ik gevangen ben,’ mompelt Lacuzon. Op de trap hoort hij de lichte tred van een vrouw. Het hart van de kapitein bonst wild in zijn keel.

Eglantine komt de kamer binnen. De kapitein is op het punt zijn schuilplaats te verlaten.

Maar hij bedenkt nog bijtijds dat het beter is nog even te wachten. Eglantine zou kunnen schrikken en schreeuwen, daardoor zijn plan in de war sturend.

Hij wacht tot degene, die haar hier bracht ver genoeg verwijderd is. Eglantine komt juist bij Antide de Montaigu vandaan. Zij gaat voor de tafel zitten en neemt de bijbel in haar handen.

Stil zit ze te lezen. Dan staat ze op en loopt naar het geopende venster toe.

Ze kijkt naar buiten en denkt aan Gerbas die ze enkele uren geleden heeft horen zingen: ‘Uw vrienden helpen u altijd waar ge ook zijt! Houd moed en vrees niet!’ 

Dat zijn de woorden die Eglantine deden zeggen dat ze liever niet deze avond het kasteel wilde verlaten.

 

 

 

 

 


 

Lacuzon ontmoet Eglantine

nr131

 

131. Lacuzon wacht. Dan denkt hij dat de bediende die Eglantine hier bracht, ver genoeg verwijderd is. Hij komt achter het bed vandaan en fluistert: ‘Eglantine…’

Het meisje draait zich snel om. Met ogen groot van verbazing kijkt zij naar de hoek, van waaruit haar naam werd genoemd. Dan ziet ze Lacuzon. Haar hart bonst van vreugde.

Snel herstelt Eglantine zich van de schrik die Lacuzon's plotselinge verschijning onwillekeurig teweeg heeft gebracht. Zij legt haar vinger tegen haar lippen.

Ze loopt weer op het raam toe en kijkt peinzend naar buiten. Ze ziet de bediende die haar wegbracht, een gebouw aan de overkant binnengaan. Dan sluit ze voorzichtig het raam.

Met glanzende ogen kijkt ze Lacuzon aan. Dan stort ze zich in zijn armen, fluisterend ‘ben je daar eindelijk?’ Lacuzon voelt de zachtheid van haar wangen en de streling van haar haren. Even wil hij haar tegen zich aandrukken alsof ze zijn geliefde was, maar dan bedenkt hij zich: Eglantine is de verloofde van Raoul. Toch houdt hij van haar met zijn hele hart.

 

 

 

 

 

 


 

Het vluchtplan

nr132

 

132. Lacuzon begint het eerst te praten: ‘Vertel me wat er is gebeurd, sinds je hier werd binnengebracht’, vraagt hij vriendelijk.

Eglantine echter slaat haar ogen neer en zegt zacht: ‘Vertel me eerst hoe het met mijn vader gaat en met.... Raoul’.

‘Je vader is gered’, zegt Lacuzon die niet direct de verschrikkelijke waarheid wil vertellen. ‘En Raoul is in de herberg van Gangônes met Varroz en Marguis. Maar jij? Vertel vlug!’.

‘Maar ik heb weinig te vertellen.... Ik verloor het bewustzijn toen ik in de kelder van het brandende huis lag. Jij hebt me toen gered, nietwaar?’

‘Ja, maar Raoul wilde dwars door de vlammen heen naar je toegaan. Met de grootste moeite konden we hem tegenhouden’, antwoordt Lacuzon op de onuitgesproken vraag over Raoul. Dan vertelt Eglantine hoe ze in het kasteel De Arend is gebracht en hoe zij naar Antide de Montaigu werd gevoerd.

Die besloot haar tot zijn gevangene te maken.

‘Dus die Montaigu is werkelijk een verrader?’

‘Een valse en laffe verrader die misbruik maakt van jullie vertrouwen!’

‘Maar waarom? Zou hij verwachten dat Lodewijk XIII en Richelieu de Franche-Comté van hem zullen kopen?’

Even heerst er een stilte in het vertrek.

Dan zegt Lacuzon. ‘Later zal ik mijn rekeningen met deze man vereffenen. Nu moeten we zien te vluchten’.

‘Ja, maar hoe?’

‘Het zal niet gemakkelijk gaan, maar ik heb een plan. Ik weet waar de muur het laagst is. Als men over de muur is, komt men op een soort plateau en als men eenmaal op dat plateau is dan is ontsnappen niet moeilijk’.

‘Maar hoe komen we over die muur heen op dat plateau?’

‘Daar heb ik al aan gedacht. Kijk.’ De kapitein laat een stuk touw zien dat hij onder zijn jas om zijn middel had gewonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De rol van Magui

nr133

 

133. Eglantine vertelt dan aan Lacuzon hoe het komt dat zij nu nog op het kasteel is. ‘De man die Antide de Montaigu verwachtte is gedood. Kapitein Brunet heette hij geloof ik...’

‘Brunet? De kapitein van de Grijzen? Wie vertelde dat nieuws?’

‘Een oude vrouw die zich de heks noemt en die Brunet voor hij stierf gesproken heeft.’

‘Een oude vrouw die zich de heks noemt! Hoe heette ze?’ ‘Magui!’ ‘Dat is vreemd!’

‘Waarom?’

‘Ik heb Magui achtergelaten in de herberg van Gangônes toen ik vertrok.’

‘Zij is op het ogenblik bij Antide de Montaigu’.

‘Wat doet zij daar?’

‘Wel, eerst dacht ik dat zij een verraadster was in dienst van Antide de Montaigu, maar ik merkte dat hij haar helemaal niet kende.

Zij keek mij steeds aan alsof ze me wilde geruststellen en alsof ze me kende’.

‘Maar ze kent je ook! Zij is het die je hierheen heeft gebracht!’

‘Zij .... ?’ herhaalt Eglantine verbaasd.

‘Ja, zij! En ik kan niet geloven dat zij ons nu verraadt!’

‘Zij heeft ons reeds grote diensten bewezen,’ gaat Lacuzon verder. ‘Zij heeft Raoul naar de herberg van Gangônes gebracht, nadat zij zijn leven had gered’. ‘Wat!’ roept Eglantine.

‘Zij heeft Raoul gered, de goede vrouw! Je moet beslist niet verder aan haar te twijfelen!’

‘Je hebt gelijk,’ zegt Lacuzon. ‘Ik ben er zeker van dat zij hier is gekomen om mij te helpen. Ik verwacht dat ze mij op zekere dag een groot geheim zal vertellen’.

‘Ja,’ mompelt Eglantine. ‘Maar ik hoop dat het niet op dit kasteel zal zijn dat die geheimen worden onthuld’.

 

 

 

 

 

 


 

Wie is die geest op de toren?

nr134

 

134. ‘Er gebeuren hier geheimzinnige dingen’, zegt Eglantine dan.

‘Vertel er eens iets over’, vraagt Lacuzon.

‘Er gebeuren vreemde dingen op dit kasteel. Toen ik hier kwam, leek het of er klaagzangen oprezen vanuit de aarde. En 's avonds zingt een weemoedige stem een droevige ballade in de toren. 's Nachts verschijnt er een gedaante in witte klederen op de transen van de toren.

‘Heb je die gezien?’

‘Ja, vlak nadat ik de stem van Gerbas had gehoord, wandelde de ‘geest’ langer dan een uur onder de grote bomen op het bordes.’

‘Dus’, mompelt Lacuzon, ‘het was geen hersenschim. De ‘geest’ op de toren bestaat dus.

‘Het is een vrouw, daar ben ik zeker van. Een vrouw die leeft en lijdt en de stemmen die uit de aarde schijnen omhoog te rijzen, getuigen van andere misdaden!’

De kapitein zwijgt enkele ogenblikken. Dan zegt hij:

‘Ah, graaf van Montaigu, heer van het kasteel De Arend, edele schurk, eens komt er een dag -en die dag is misschien dichter bij dan u denkt- dat ik terugkom in dit kasteel!’

Lacuzon is vergeten dat er iemand naar hem luistert. Hij spreekt slechts tot zichzelf: ‘Eens kom ik terug, met een zwaard in de ene hand en een brandende toorts in de andere. Dan zullen uw ondergrondse gevangenissen hun geheimen prijs moeten geven. Het uur is nabij!’

‘Maar op dit moment is er slechts één ding dat van belang is: het kasteel ontvluchten. Ik zal je langs dit koord uit het raam laten zakken’, zegt Lacuzon nu tot Eglantine. ‘Heb je al een bezoek gebracht aan de andere vertrekken die aan het jouwe grenzen?’

‘Nee, ik durfde deze kamer niet te verlaten!’

‘Dan zullen we samen op onderzoek uitgaan’. Lacuzon neemt de lamp en opent de tweede deur, op de voet gevolgd door Eglantine.

 

 

 

 

 


 

De poort naar het binnenhof

nr135

 

135. Nadat ze alle kamers die op de gang uitkomen, hebben geïnspecteerd en nergens iets vreemds hebben kunnen ontdekken, komen ze in het laatste vertrek. Daar is een geopende deur die uitkomt op een trap.

‘Dit moet de trap zijn die op de binnenplaats uitkomt,’ zegt Lacuzon.

Ze lopen de trap af en komen dan bij het vermolmde poortje dat Lacuzon tevergeefs van buiten af open heeft proberen te maken.

Lacuzon bestudeert het slot.  Een sleutel is nergens te zien, maar dat is ook niet nodig. De deur wordt gesloten met een grote balk die een sterke man vrij gemakkelijk kan verwijderen.

Lacuzon trekt de balk weg en zonder moeite kan de deur nu geopend worden. De poort blijkt inderdaad toegang te verlenen tot de binnenhof.

Lacuzon blijft stilstaan in de deuropening. Hij luistert of het gekraak van de balk hen niet heeft verraden en kijkt of de binnenplaats inderdaad zo verlaten is als men zou vermoeden. Er is echter niets verdachts op de hof. Het is doodstil en alleen achter het raam van de kamer van Antide de Montaigu brandt nog steeds licht.

‘Kom,’ zegt Lacuzon tegen zijn nicht, ‘volg mij en maak vooral geen geluid. Loop alsof je slechts een schaduw was!’

 

 

 

 

 

 

 


 

Er klinkt een stoot op een hoorn

nr136

 

136. Eglantine loopt achter Lacuzon aan de binnenplaats op. Nauwelijks is ze echter de drempel over of de wind zorgt voor een onaangename verrassing. Met een harde klap valt de deur achter Eglantine dicht. De twee vluchtelingen verstijven van schrik.

‘Daarmee heb ik geen rekening gehouden,’ mompelt Lacuzon. Hij weet dat hij, wil hij niet worden ontdekt, nu snel maatregelen moet nemen.

Hij neemt Eglantine bij de hand en holt met haar naar het gewelf waardoor ze op het pad kunnen komen dat op de muur van het kasteel achter de schietgaten langsloopt.

‘Het is mogelijk dat er een soldaat op de muur staat,’ zegt Lacuzon. In dat geval zal er gevochten moeten worden.

Snel geeft hij Eglantine enkele aanwijzingen over wat zij in dat geval zal moeten doen.

‘Als alles goed gaat,’ zo besluit hij, ‘laat ik je aan het koord van de muur zakken.

Dan horen Lacuzon en Eglantine plotseling een stoot op een hoorn. Het klinkt van dichtbij. Verschrikt kijkt Lacuzon op.

‘Wat is dat? Welke gast zou op dit uur in het kasteel kunnen arriveren?’ mompelt hij.

‘Vannacht heb ik hetzelfde geluid gehoord,’ zegt Eglantine. ‘Het was alleen iets later. De poorten werden geopend en binnen enkele minuten was de binnenhof vol soldaten en paarden.

‘We kunnen hier in geen geval blijven staan en we zullen ons zo vlug mogelijk moeten verbergen!’

 

 

 

 

 

 


 

Verstopt

nr137

 

137. Het is een kritiek moment. Als Eglantine en Lacuzon nog een paar seconden op de binnenplaats blijven, zullen zij zeker worden ontdekt.

‘Waar moeten we ons verbergen?’ fluistert Lacuzon gejaagd. ‘De deur die naar de vrouwenvertrekken leidt is achter ons dichtgeslagen’.

‘We moeten opschieten’, fluistert het meisje angstig.

‘Misschien kunnen we nog snel de muur bereiken’, zegt Lacuzon.

‘Onmogelijk’, zegt Eglantine beslist.

De mannen komen via de weg op de muur in het gewelf!’ Dan valt Lacuzon’s blik op de grote regenbak in het midden van de hof. De bak waarbij Gerbas zijn wagen liet staan...

‘We zijn gered!’ roept Lacuzon uit.

‘Hoe?’ vraagt Eglantine wanhopig.

‘Er staat heel weinig water in die put’.

‘En wat zou dat?’

‘Wel, ik zal in de put afdalen. Het water zal wel koud zijn, maar ik heb er een koud bad voor over’. Hij pakt een ladder die tegen een muur staat en vervolgt:

‘Als het gevaar voorbij is kom je weer bij mij’.

Eglantine vraagt ongerust: ‘En ik? Wat moet ik doen?’

‘Jij holt de trap op die naar het bordes gaat. ‘Er staan bomen en de mannen zullen er zeker niet komen. Je verstopt je achter een boom en als de soldaten zijn vertrokken kun je weer tevoorschijn komen’.

‘Kan ik niet bij je blijven?’

‘Nee. We zullen samen veel eerder worden ontdekt en bovendien hebben we nu vijftig procent meer kans dat in ieder geval één van ons de dans zal ontspringen.’

 

 

 

 

 

 


 

In de regenput

nr138

 

138. Eglantine voelt zich gerustgesteld door de uitleg van Lacuzon.

Inderdaad: als zij wordt ontdekt is het enige risico dat zij loopt dat zij weer zal worden opgesloten en opnieuw zal moeten wachten op een bevrijding. Want dat zij weer bevrijd zal worden staat voor haar vast. Als de Montaigu hen echter samen zou treffen, zou hij alles in het werk stellen om te verhinderen dat zij het kasteel weer uitkomen. De zo zorgvuldig gemaakte plannen mogen niet uitlekken. En de Montaigu zal omdat te verhinderen, geen enkele maatregel schuwen!

Lacuzon spreekt met Eglantine af dat zij de ladder op zal halen als Lacuzon haar daartoe een teken geeft. Eglantine zal daarna naar het bordes gaan om zich te verbergen. Langzaam daalt Lacuzon af. Met zijn handen tast hij langs de wand, zoekend naar enig houvast.

Boven hem staat Eglantine. Gespannen tuurt zij in de put; door de duisternis ziet zij echter niets.

Dan ontmoet de hand van Lacuzon een uitsteeksel.

Hij tast en merkt dat dit een rand is die om de hele put loopt.

‘Haal de ladder op!’ roept hij, nadat hij zijn voet op deze rand heeft gezet.

Hij voelt zich echter niet erg gerust. Wat zullen de gevolgen zijn van deze gewaagde onderneming. Het verraad! Dit woord en de fatale betekenis ervan dringt zich opeens aan hem op. Tot vandaag sprak men van loyaliteit en van vrijheidslievendheid, van een vrij Franche-Comté en nu dit grote verraad dat fataal zal kunnen zijn.... en de eerste medeplichtige aan dit verraad blijkt een vooraanstaande vrijheidsstrijder te zijn!

 

 

 

 

 

 


 

De gevangene in de regenput

nr139

 

139. De regenput blijkt bijzonder groot te zijn. Wanneer de ogen van Lacuzon aan de duisternis zijn gewend, bespeurt hij een enorm onderaards gewelf dat de hele ruimte onder de binnenhof inneemt. Langs de hele muur loopt een brede richel, bijna een pad. Enkele minuten zijn reeds verlopen sinds Eglantine de ladder ophaalde. Dan hoort Lacuzon plotseling een geluid dat het bloed in zijn aderen doet stollen. Hij hoort iemand zwaar zuchten.

Een jammerklacht weerklinkt door het gewelf. Lacuzon denkt dat hij zich iets verbeeldt. Toch blijft hij oplettend staan luisteren. Het zuchten gaat echter door. Dan hoort hij een zacht gesnik. Er is nu geen twijfel meer mogelijk. Hier, dicht bij hem, is een mens die lijdt.

Een mens die het slachtoffer is geworden van de slechtheid van Antide de Montaigu.

Dan hoort Lacuzon nog een ander geluid. Dat van een lichaam dat zich moeizaam voortbeweegt.

Dan herinnert de kapitein zich plotseling de woorden van Eglantine die vertelde dat 's nachts klaagzangen opstegen die vanuit de aarde leken te komen. De stappen komen hoe langer hoe dichterbij.

Lacuzon voelt een onberedeneerbare angst. Een windvlaag strijkt langs zijn gezicht. Hij wil vluchten, maar dat is onmogelijk. Lacuzon blijft op de richel staan, dicht tegen de muur gedrukt. Dan ziet hij de plooi van een kledingstuk vlak bij zich. Hij voelt een menselijke adem over zijn gezicht strijken en twee vurige ogen kijken hem aan.

 

 

 

 

 

 


 

De gevangenis van een onbekende

dvda140

 

140. Een langzame stem vraagt op vlakke toon: ‘Wie bent u?’ Nu Lacuzon zeker weet dat hij met een mens te doen heeft, maakt een grote opluchting zich van hem meester. Weliswaar is hij nog steeds verbaasd, maar bang is hij niet meer. Is degene die tot hem sprak een vriend of een vijand? ‘Wie bent u zelf? ‘ vraagt hij. ‘Weet ik niet’ mompelt de stem. ‘Nee, dat weet ik niet’. ‘Wat komt u hier doen? Waarom komt u onnodig een gevangene wekken? ‘

‘Wat’, roept Lacuzon, ‘u bent een gevangene?’

‘Probeer me niet te bedriegen’, gaat de man onverstoorbaar verder. ‘Als u wordt gestuurd door Antide de Montaigu, mijn doodsvijand en als u de opdracht heeft mij te doden, doe dat dan nu. De hand die doodt is ook de hand die bevrijdt. ‘ Lacuzon wil juist antwoorden als een geluid van wapenen en paarden tot beneden in de put doordringt.

‘Wees stil’ fluistert Lacuzon.  ‘Wie bent u?’ vraagt de stem weer, maar nu zachter. Wellicht uw redder, maar wees nu stil. Als ze ons hier ontdekken zijn we beiden verloren.’ ‘Laten we dan naar mijn cel gaan.’

Lacuzon voelt een hand die de zijne neemt. Langzaam loopt hij mee.

Lacuzon ontdekt al spoedig een vrij grote opening in de rotswand. Dat is de gevangenis van de onbekende.

‘We zijn er’, zegt deze.

‘Daar ligt een bos stro. U kunt erop gaan zitten als u dat wilt. Het is hier minder koud dan in de put. Maar ik zie dat u jong bent en de jeugd heeft minder last van de kou dan oudere mensen.’

‘Hoe kunt u zien dat ik jong ben?’

‘Mijn ogen zijn gewend aan de duisternis; ik slijt mijn leven in de duisternis van deze cel.’

 

 

 

 

 

 


 

Twintig jaar

nr141

 

141 ‘U bent dus al lang gevangene?’ vraagt Lacuzon.

‘Reeds twintig jaar.’

‘Twintig jaar,’ herhaalt Lacuzon ontzet.

‘Kunt u begrijpen wat ik heb geleden in deze twintig jaar? Ja, ik heb verschrikkelijk geleden. Ieder ander was krankzinnig geworden van deze geestelijke marteling. Maar bij mij is alles intact gebleven: de geest, de gedachten  ...... over alles heb ik gewaakt, de spijt, de verwachting, de haat ...... O, al die lange uren waarin ik heb gewenst dat de dood zou komen om me weg te halen uit deze verschrikking!’

‘Hoe vaak,’ gaat de oude man verder, ‘heb ik me moeten weerhouden om niet met mijn hoofd tegen de muur te lopen. Alleen de haat gaf mij de kracht om te leven. ‘Even zwijgt de vreemdeling, overweldigd door emoties. Dan gaat hij verder:

‘Jongeman, mijn opgewondenheid zal je wel vreemd  voorkomen en ik denk niet dat je mij begrijpt. Maar ik heb twintig jaar lang geen gezicht gezien.’

‘Zelfs zag ik nooit het gezicht van de gevangenbewaarder, want het luikje waardoor mij mijn eten wordt aangereikt, wordt nooit verder dan op een kier geopend. In twintig jaar heb ik geen mens een hand kunnen geven en ziedaar: er komt plotseling iemand die me zijn vriendenhand biedt, want u bent mijn vriend, omdat ook u een vijand van Antide de Montaigu bent!’

‘Ja, zijn vijand,’ zegt Lacuzon peinzend, ‘zijn grootste vijand!’

‘Na mij,’ zegt de gevangene zacht.

‘En onze rekening met hem zal spoedig vereffend worden!’

‘Dat zegt u goed, ik zal gelukkig sterven als deze twintig jaar worden gewroken.’

 

 

 

 

 

 


 

De vreemdeling vraagt

nr142

 

142. Na een ogenblik stilte zegt Lacuzon: ‘Het is een toeval dat mij tot U bracht. Zeker: als dat maar enigszins mogelijk is, zal ik u de vrijheid teruggeven. Maar ik denk toch vóór alles aan degene, voor wie ik hier ben gekomen en die zeker ook zal helpen te ontvluchten’.

‘Is het misschien een vrouw die u naar het kasteel De Arend voerde’, vraagt de gevangene.

‘Ja, een vrouw’.

‘Een jong meisje, niet waar?’

‘Ja’

‘En zij werd hierheen gebracht door  een schurk die haar als gijzelaarster uitleverde aan Antide de Montaigu?’

‘Inderdaad!’ roept Lacuzon verbaasd uit, ‘maar hoe kunt u dat weten?’             

‘Vindt u het vreemd dat ik dit alles weet? Ik kan u nog veel meer vertellen. Ik weet zelfs wie u bent! En toch heb ik u nooit eerder gezien’.

Lacuzon is te verbaasd om iets te kunnen zeggen. ‘Er is slechts één man’, zo gaat de vreemdeling verder, ‘die zich op deze wijze in het hol van de leeuw zou durven wagen. Er is ook maar één man die dit zou doen om Eglantine te bevrijden.’

‘Eglantine’ herhaalt Lacuzon als in een droom. ‘En deze man is Jean Claude Prost dat is kapitein Lacuzon.’

De kapitein kan niet antwoorden.

‘Zeg me dat ik me niet heb vergist’, vraagt de gevangene.

En als Lacuzon blijft zwijgen zegt hij bedroefd: ‘Héér, heb ik me vergist? Ik weet dat het de nicht van Lacuzon is die op dit kasteel gevangen wordt gehouden. En ik weet ook dat dit meisje verwacht dat iemand haar zal bevrijden. Zeg me toch, heb ik me vergist?’

‘Nee’, antwoordt Lacuzon. ‘Ik ben inderdaad Jean-Claude Prost!’

 

 

 

 

 


 

Luister bij deze muur

dvda143

 

143. Nu Lacuzon weet dat hij de ander kan vertrouwen, vertelt hij hoe hij in de put is gekomen. ‘Het was de stoot op de hoorn die mij hierheen deed vluchten.’

‘De stoot op de hoorn zegt de oude man.’

‘Gisteren had Antide de Montaigu een lang onderhoud met een man die u zeker kent. Toen ze uit elkaar gingen zeiden ze: tot morgen.’ 

‘Maar hoe kunt u alles weten wat er in het kasteel plaatsvindt?’

‘Ik zal het u vertellen.’ De oude man neemt de hand van de kapitein en brengt hem naar een van de hoeken van het hol.

Lacuzon begrijpt hoe langer hoe minder zijn vreemde metgezel. Hoe kan deze man die in twintig jaar het daglicht niet heeft gezien, die nooit met iemand spreekt, al deze bijzonderheden over het kasteel weten?

Ja, deze man weet zelfs dingen over gebeurtenissen in de provincie.

 ‘Leg uw oor tegen deze muur’, zegt de onbekende. Lacuzon gehoorzaamt. Hij hoort twee stemmen.

Een van deze stemmen –Lacuzon twijfelt daar geen moment aan- behoort aan Antide de Montaigu. Als hij op dit moment in de kamer van De Montaigu  zou zitten, zou hij het gesprek niet beter kunnen verstaan. Zo duidelijk klinkt alles wat daarbinnen wordt gezegd.

‘Wat heeft dit alles te betekenen?’ vraagt hij.

‘Ik zal alles uitleggen’, zegt de gevangene, ‘maar luister nu naar datgene wat daarbinnen wordt besproken. Want ik zou me al heel sterk moeten vergissen als u daarin niet hevig geïnteresseerd zou zijn.’

Lacuzon legt zijn oor weer tegen de muur en luistert oplettend toe.

 

 

 

 

 

 

 


 

Waarom gaat Antide naar de binnenplaats?

dvda144

 

144. We zijn nu weer in de salon van Antide de Montaigu, de heer van het kasteel De Arend, enkele minuten voordat de hoornstoot het kasteel in rep en roer zal brengen. Antide de Montaigu zit bij het vuur en op een stuk papier dat voor hem op tafel ligt, tekent hij bizarre figuren. Vlak voor hem staat Magui, de heks, schijnbaar rustig en ongeïnteresseerd, maar in werkelijkheid elke verandering op het gezicht van Antide de Montaigu bestuderend.

Dan klinkt opeens het geluid van de hoorn in de salon door. De Montaigu schuift haastig zijn stoel achteruit en drukt op de knop naast het schilderij waardoor de geheime gang weer zichtbaar wordt waardoor Magui enkele uren geleden bij De Montaigu kon komen.

‘Vrouw’, zegt dan Antide de Montaigu, ‘ik ben van plan u een grote opdracht te geven waarvoor veel intelligentie nodig zal zijn. Maar nu is het beter dat u zolang in deze gang blijft en wacht tot ik u roep.’

‘Vergeet mij dan niet’, smeekt Magui.

‘Wat dat betreft kunt u gerust zijn’, zegt De Montaigu  hooghartig.

Als het schilderij weer achter Magui is gesloten, roep De Montaigu de knecht binnen die Eglantine de zaal had binnengeleid. De man heeft een lantaarn bij zich. De twee mannen verlaten de zaal en gaan de trap af die naar de binnenplaats leidt.

 

 

 

 

 

 

 


 

De aankomst van een ruiter

nr145

 

145. Antide de Montaigu roept iets naar de wachters op de muur. Dan geeft hij bevel om de brug neer te laten. Even later verbreekt het geratel van de kettingen die de brug dragen de stilte van de nacht. Dan is er weer de immense stilte van enkele minuten tevoren. Niets verraadt dat daarbuiten mensen staan. Antide heeft zorgvuldig voorzorgsmaatregelen genomen, zodat niemand van zijn plannen op de hoogte kan komen!

Dan rijdt een ruiter de poort binnen. Hij is gehuld in een donkerbruine mantel en wordt geëscorteerd door een tiental soldaten.

De bezoeker en Antide de Montaigu begroeten elkaar zonder een woord te spreken. Dan gaan de mannen naar de weg die achter de schietgaten loopt.

De brug is weer opgehaald. Slechts voorafgegaan door de lakei die de lantaarn draagt, lopen de mannen de binnenhof over en gaan de trappen op die naar de salon van Antide de Montaigu leiden. Op de binnenhof is het geluid te horen van mannen die gedempt spreken en van paarden die ongeduldig met hun hoeven over de straatstenen schrapen.

 

 

 

 

 

 


 

Het gesprek met de graaf van Guébriant

nr146

 

146. Als de twee mannen eenmaal in de salon zijn, laat de late bezoeker de mantel van zijn schouders glijden. Antide de Montaigu biedt hem een stoel aan en dan zegt hij op hartelijke toon: ‘Graaf van Guébriant, wees welkom’.

‘De vertegenwoordiger van Zijne Majesteit de Koning van Frankrijk verheugt zich dat hij welkom is bij de gouverneur van het graafschap Bourgogne!’ antwoordt de hertog, terwijl hij de laatste vijf woorden beklemtoont.

Als hij deze titel hoort uitspreken, de titel waar hij zo hartstochtelijk naar heeft verlangd, begint Antide de Montaigu te beven en zijn gezicht wordt donkerrood van vreugde

‘Gouverneur van het graafschap Bourgogne?’ herhaalt hij. 

‘Ja’, antwoordt de graaf van Guébriant, ‘en dat houdt in dat u aan het hoofd staat van ‘Saint-Claude, Lons- le-Saunier, Dôle, Salins en Nozeroy’. ‘Dus’, roept Antide uit, ‘kardinaal Richelieu verwaardigt zich eindelijk toe te stemmen....’

De graaf van Guébriant valt de heer van het kasteel De Arend in de rede. ‘Graaf van Montaigu’, zegt hij, ‘om geen misverstanden te wekken is het nodig om nog eens over enkele dingen te praten die zijn gebeurd sedert het begin van onze samenwerking’.

‘Waarvoor is dat nodig? We hebben alles toch besproken?’

‘Zeker, maar ik geloof dat er enkele punten waren waarover wij van mening verschilden en ik geloof dat het goed is nog eens over deze punten te spreken.

 

 

 

 

 

 


 

Het verwijt aan Antide de Montaigu

nr147

 

147. Het gesprek tussen de heer van het kasteel De Arend en de graaf van Guébriant is lang. De mannen kunnen moeilijk tot overeenstemming komen. Inderdaad, het gedrag van Antide de Montaigu is streng beoordeeld aan het Franse hof en Guébriant verbergt dat niet. ‘Men verwijt u dat u zo langzaam werkt wat betreft het driemanschap Lacuzon, Varroz en Marquis. U geniet hun vertrouwen; de gedachte aan verraad komt niet in hen op. En u hebt sinds de zes maanden dat u met ons samen werkt al twintig keer de gelegenheid gehad om deze mannen gevangen te nemen en hen aan ons over te leveren.

Wat is toch de oorzaak van deze langzame reactie?’

‘Dat is niet moeilijk te verklaren: Inderdaad meermalen had ik de gelegenheid om  Lacuzon en de andere twee leden van het driemanschap te overmeesteren en hen uit te leveren. Maar wat had ik daaraan?

Ik zou met handen en voeten gebonden zijn aan uw stilzwijgen en aan dat van de koning en kardinaal Richelieu. En dat is wat ik niet heb gewild. Als de dienst eenmaal is bewezen, vergeet de koning dikwijls zijn dienaar’.

‘Seigneur’, roept Guébriant bijtend uit,‘deze twijfel aan de koning is een rechtstreekse belediging!’

‘Deze belediging is echter niet bedoeld voor u’. Handig pareert De Montaigu de antwoorden van zijn partner. Hij leidt het gesprek in andere banen en eindelijk kan hij beginnen over datgene wat hij zo graag wil horen.

‘De titel waarover u sprak, vlak nadat u hier was binnengekomen, doet mij geloven dat er nu eindelijk een beslissing is genomen. Maar ik zou graag meer zekerheid hierover willen hebben en de bewijzen willen zien.’

 

 

 

 

 


 

Instructies van kardinaal Richelieu

nr148

 

148. De graaf van Guébriant haalt een papier te voorschijn uit een enveloppe. Hij overhandigt de brief aan de heer van het kasteel De Arend en zegt: ‘Hier is het bewijs’.

Snel neemt Antide de Montaigu het papier aan. Hij ontvouwt het en vliegt met zijn blikken langs de regels. Het is een boodschap, verzonden door de hertog van Saxen-Weimar, aan de graaf van Guébriant.

‘Deze brief,’ zegt de Montaigu, ‘kondigt een andere brief aan van kardinaal Richelieu die direct aan mij verzonden zal worden.

‘Juist, heer. En hier is die brief, hoewel de instructies die ik heb ontvangen mij voorschrijven u deze brief pas te overhandigen, nadat u al uw beloften nagekomen bent. Maar u hebt mij vertrouwen ingeboezemd’.

De heer van het kasteel De Arend verbreekt de rode lakzegels die de enveloppe gesloten hielden. Hij ontvouwt de brief en leest. De uitdrukking op zijn gezicht wordt hoe langer hoe opgewekter en als hij de brief helemaal heeft uitgelezen roept hij uit: ‘Graaf van Guébriant, u weet wat erin deze brief staat, niet waar?

Ik ben gelukkig dat ik daarin de loyaliteit van de kardinaal Richelieu, de hertog van Saxen-Weimar en de uwe heb kunnen lezen. Morgen zal ik mijn plichten vervullen. Overigens heb ik nu reeds goed nieuws voor u: een van de leden van het driemanschap is reeds in onze macht!’

‘Lacuzon?’ roept de graaf van Guébriant uit. ‘Nee, niet Lacuzon of Varroz, de eerste en tweede konden ons ontsnappen. Maar de derde hebben we in onze macht: pater Marquis is onze gevangene’.

‘Inderdaad dat is een belangrijk en goed bericht. Kunt u mij over de gevangenneming niet enkele bijzonderheden vertellen? En wat zijn uw verdere plannen?’

‘Enkele Grijzen hebben Marquis gevangengenomen en ik gaf hun bevel de gevangene direct over te brengen naar het kasteel van Clairvaux waar de hertog van Bauffremont, onze bondgenoot, zich over hem kon ontfermen. Mijn plannen zijn u duidelijk: Ik zal u binnenkort Lacuzon en Varroz uitleveren. Maar de gevangenneming zal niet gemakkelijk zijn’.

‘Waar zijn zij?’

‘In de herberg van Gangônes.’

 

 

 

 

 

 

De ‘Judas’

nr149

 

149. ‘Ik wil een voorstel doen’, begint Guébriant opnieuw het gesprek. ‘Ik ben geen diplomaat, alleen maar een goed soldaat. Varroz en Lacuzon zijn onze vijanden, maar het zijn goede mensen en ik wil dat zij een eerlijke dood sterven, zoals zij verdienen, op het slagveld met de wapenen in de hand. Is dat niet mogelijk, in plaats van een smartelijke dood op een brandstapel? We kunnen naar de herberg van Gangônes gaan met een klein leger en hen daar overvallen’. Antide de Montaigu glimlacht. Het is goed bedacht, maar volkomen onmogelijk’, zegt hij. ‘U moet namelijk weten dat de herberg van Gangônes wordt gevormd door een complex van rotsblokken en grotten. Deze plaats is onneembaar, zelfs al zouden we de plaats lang omsingelen. Bovendien heeft de herberg geheime ingangen die alleen bekend zijn aan Varroz, Marquis en Lacuzon. Als we dus de herberg zouden omsingelen, hebben we grote kans dat de mensen ontsnappen en ons in de rug aanvallen.’

‘Ik begrijp het. We kunnen alleen onze toevlucht nemen tot een list. En hoe bent u van plan te werk te gaan?’

‘Ik weet het nog niet.

Mijn plan zal worden bepaald om mannen die geen enkel wantrouwen koesteren, in een wat afgelegen vertrek te krijgen....’

‘Judas’, mompelt Guébriant met afschuw, maar zo zacht dat de ander het niet kan horen.

‘Tot morgen’, gaat Antide de Montaigu verder. ‘Het is reeds middernacht geweest. Ik moet aan het werk’.

‘Ik moet nog even een boodschap schrijven voor de hertog van Bauffremont waarin ik hem op het hart wil binden vooral goed op Marquis te letten.’ Al sprekende neemt Antide de Montaigu de ganzenveer op. Hij staart op de lijnen die hij enkele uren geleden op het papier heeft getrokken. En wie zal deze brief wegbrengen?’

‘Een vrouw die ik volkomen kan vertrouwen. Haar kan niets gebeuren en al zou zij de brief verliezen: niemand zou er zijn voordeel mee kunnen doen, want ik heb hem geschreven in tekens die slechts bekend zijn aan de hertog en mij’.

‘Ik bewonder de voorzichtigheid die u in alles wat u doet aan de dag legt’.

door de omstandigheden. Het lijkt me niet moeilijk.

 

 

 

 

 

 

 

Magui krijgt een opdracht 150

 

150. Nadat hij zijn brief herlezen heeft en in een enveloppe heeft gedaan, drukt hij op de knop naast het schilderij en roept Magui. Zij komt direct. ‘U kunt nu bewijzen dat het u werkelijk ernst is ons te helpen. Bent u in staat nu direct af te reizen?’

‘Dat ben ik’.

‘Hoeveel tijd hebt u nodig om in Clairvaux te komen?’

‘Vier uur’

‘Dus u kunt er voor het dag wordt arriveren?’

‘Ja’.

‘Dat is goed. Neem deze brief en overhandig hem aan de hertog van Bauffremont persoonlijk’.

‘Ik zal de brief in mijn bedeltas doen, daar zal niemand hem zoeken. Maar er blijft één moeilijkheid: men zal mij, een heks, niet bij de hertog toelaten’.

‘Dat is waar. Neem deze ring, toon hem aan de wacht en zeg dat u door mij bent gezonden. Alle moeilijkheden zullen dan uit de weg worden geruimd. U zegt tegen de hertog dat u op antwoord moet wachten. U brengt dat antwoord naar mij, nadat u enkele uren hebt gerust’. En door welke poort moet ik binnenkomen als ik ben teruggekeerd?

’Door het kleine poortje. Hier is de sleutel.’

Magui verdwijnt in de geheime gang en het schilderij wordt achter haar gesloten. ‘Graaf van Montaigu’, zegt dan de graaf van Guébriant, ‘ik geloof dat we ons gesprek als beëindigd kunnen beschouwen’.

‘We zijn het nu over alle punten eens’.

‘Dat verheugt mij. En ik zal mij haasten te bewijzen dat ik het vertrouwen van de koning en de kardinaal niet beschaam’.

‘Het hangt geheel van u zelf af of u spoedig gouverneur van Bourgogne zal zijn. Dat zal gebeuren als de Franche-Comté een Franse provincie is geworden’. ‘Binnen drie maanden zal de Franche-Comté een Franse provincie zijn’.

‘Wilt u nu orders geven dat mijn mensen zich gereed moeten maken?’

De heer van het kasteel De Arend roept een knecht binnen en geeft hem een opdracht. De man verdwijnt haastig in de richting van de binnenhof. Enkele minuten later verlaat de graaf van Guébriant die tot aan de ophaalbrug wordt vergezeld door Antide de Montaigu, het kasteel De Arend.

 

 

 

 

 

 

 

Naar de vrijheid

 

151. Lacuzon en de gevangene hebben, zonder ook maar één woord te missen, het lange gesprek tussen Antide de Montaigu en de graaf van Guébriant verstaan. De kapitein heeft zich moeten beheersen om het niet uit te schreeuwen van woede en verontwaardiging. Bij het nieuws dat Marquis gevangen is genomen sprong hij op, maar de oude man kalmeerde hem door te zeggen dat het nu toch niet zo moeilijk zou zijn de trouwe bondgenoot te bevrijden. De verschijning van Magui is onverklaarbaar. Lacuzon is er echter zeker van dat zij niet de rol van verraadster speelt, want hoewel Lacuzon op het kasteel is, heeft zij hier klaarblijkelijk niets over gezegd.

‘Hoe is het mogelijk dat wij hier alles verstaan wat in de salon van Antide de Montaigu wordt besproken?’ vraagt Lacuzon.

‘Dat heb ik me ook dikwijls afgevraagd.

Het is opmerkelijk dat we alleen dan iets kunnen horen, wanneer we onze oren tegen de muur leggen. Ik denk dat een muur of een gedeelte van een muur van de kamer van De Montaigu aan dit hol grenst. Een deskundige zou het waarschijnlijk beter kunnen verklaren dan ik.

‘Later zal ik u vertellen welke gebeurtenissen mij - na een verschrikkelijke nacht - tot de ontdekking deden komen dat ik op deze wijze gesprekken af kan luisteren. Maar nu moeten we slechts denken aan de manier waarop we het kasteel kunnen verlaten.

De hof is nu leeg.

‘Kom.’ De onbekende neemt de hand van Lacuzon en leidt hem opnieuw naar de gang die in de put uitkomt. ‘Volg mij’, zegt hij. ‘Nu is voor mij de kans op de vrijheid eindelijk gekomen’

 

 

 

 

 

 

 


 

Wie is die grijze vriend?

 

152. Nauwelijks zijn Lacuzon en zijn metgezel op de glibberige rand aangekomen of er plonst iets naast hen in het water.

Een stem boven hen fluistert: ‘Daar is de ladder’.

Dankbaar kijkt Lacuzon omhoog. Hij voelt de hand van de gevangene trillen van emotie. De vrijheid die hij voor altijd dacht te moeten ontberen is dichtbij. ‘Moedig zijn nu’, fluistert Lacuzon.

‘Vergeef mij mijn angst’, zegt de gevangene. ‘Het is allemaal niet te geloven. Ik zal kalm zijn’.

‘Meneer’, zegt Lacuzon dan, ‘ik zal als eerste naar boven gaan. Eglantine verwacht mij alleen te zien en als u dan eerst naar boven gaat, schrikt ze misschien’.

‘Ja, ga snel naar boven. Ik volg u direct’.

Lacuzon klimt naar boven.

De gevangene volgt hem met de ogen terwijl hij onbeweeglijk op de richel staat.

Eglantine heeft echter twee stemmen vanuit de put gehoord. Haar ogen staan wijd open. Opgelucht loopt ze op de put toe als zij Lacuzon ziet die behendig over het muurtje klautert dat om de put staat.

‘Je bent niet alleen’, vraagt ze gespannen.

‘Nee’.

‘Met wie ben je?’

‘Met een vriend’ 

‘Hoe kan dat?’

‘Dat vertel ik je later. Het enige wat ik je nu vraag is niet meer te spreken’.

Op dat moment komt het hoofd van de grijze gevangene boven de putrand uit.

 

 

 

 

 


 

Aristocratisch, ondanks de lompen

 

153. Lacuzon loopt op de put toe om de man te helpen. Het is hier minder donker dan onder de grond en nu kan Lacuzon pas goed zien, hoe zijn metgezel er uitziet.

Het is een man van 55 tot 60 jaar. Hij is lang en ziet er aristocratisch uit, ondanks de lompen die hij draagt en ondanks de lange haren die om zijn hoofd slierten en de verwarde baard die half grijs en half wit is.

De vreemdeling heeft Lacuzon oplettend opgenomen en in zijn blik is iets van herkenning.

‘Ik ben gereed, kapitein’, zegt de man.

‘Eerst aan de andere kant van deze muren wacht u de vrijheid’, antwoordt Lacuzon.

‘Ik zal u volgen, maar haal eerst de ladder uit de put’.

‘Waarvoor?’

‘Het is beter als De Montaigu zo laat mogelijk iets bemerkt van onze vlucht’. ‘Inderdaad’ geeft Lacuzon toe, terwijl hij de ladder uit de put omhoog trekt.

Terwijl Lacuzon de ladder op de plaats brengt waar hij haar vandaan heeft gehaald, lopen Eglantine en de gevangene naar het gewelf dat de verbinding vormt tussen de binnenhof en het pad dat achter de schietgaten loopt. Alles is stil en verlaten. Alleen in de kamer waarin Antide de Montaigu zijn verradersplannen uitbroedt, brandt nog licht.

 

 

 

 

 


 

Ontdekt

 

154. Lacuzon loopt het gewelf binnen gevolgd door Eglantine en de gevangene. Hij loopt ongeveer tien passen voor de anderen uit. Eén hand omklemt het pistool, de andere het handvest van zijn zwaard. Zijn ogen spieden in de duisternis; hij probeert de geheimen van alle donkere hoeken te ontsluieren wat niet helemaal gelukt. Oplettend luistert hij of geen verdacht geluid te horen is.

Eglantine beeft. Zij beseft heel goed wat van deze tocht afhangt: óf ze zullen de vrijheid terugkrijgen en een eind maken aan de activiteiten van Antide de Montaigu en daarmee de hele streek kunnen redden óf ze zullen zeer binnenkort dit avontuur moeten beëindigen en de gevolgen daarvan zijn niet te overzien.

Al gauw zijn ze het gewelf uit.

Ze zien reeds het begin van de weg die achter de schietgaten loopt. Ze zullen nu spoedig bij dat gedeelte van de muur zijn dat de kapitein het meest geschikt acht om er over heen te klimmen. De lippen van Lacuzon zijn op elkaar geklemd. Hoe zal deze riskante onderneming aflopen?

Hij probeert niets van zijn twijfel te laten doorschemeren aan zijn metgezellen die geheel van hem afhankelijk zijn.

Dan, geheel onverwachts, maakt zich een figuur uit de duisternis los die zij tot nu toe niet hebben opgemerkt.

‘Wie is daar’, vraagt een soldaat. Verrast door deze onverwachte en ongunstige wending van de zaak blijven de drie vluchtelingen stokstijf staan, door de schrik niet in staat redelijk te denken of te handelen.

 

 

 

 

 

 


 

Alarm!

 

155. Lacuzon antwoordt niet op de vraag van de soldaat. Even kijkt hij achterom naar Eglantine en de gevangene. Bijna onmerkbaar knikt hij hen toe. Hij hoopt nog steeds de muur te bereiken, voor de achtervolging is begonnen. Hij loopt door. Even is de soldaat beduusd door zoveel brutaliteit. Hij is zo verbaasd dat hij aarzelt om iets te doen.

Dan neemt hij zijn musket, zet die aan zijn schouder en lost een schot. Een oorverdovende knal verscheurt de stilte van de nacht. Duizendvoudig wordt het geluid weerkaatst. Een kogel vliegt op enkele centimeters afstand langs het hoofd van Lacuzon.

Enkele ogenblikken later is de man in de duisternis verdwenen, maar de vluchtelingen horen hem roepen: ‘Alarm! Alarm!’

Van deze kreet die in de nacht weerklinkt, lijkt het hele kasteel te ontwaken. Lichten worden aangestoken achter de vensters en mannen met toortsen komen naar buiten. Mannen en knechten nemen de roep van de soldaat over: ‘Alarm! Alarm!’

De binnenhof is gevuld met door elkaar lopende mannen. Niemand weet precies wat er aan de hand is en de verwarring is groot.

‘Alarm! Alarm!’ nog steeds klinkt die kreet.